Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar koormuziek

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

koormuziek

Encyclopedieartikel
Multimedia
Gregoriaans gezangGregoriaans gezang

koormuziek, een zeer oude vorm van muziek, die haar oorsprong vindt bij de oude Grieken (zie koor [letterkunde]). In de christelijke liturgieën kreeg de koorzang grote betekenis (psalmen, hymnen, enz.). Sinds de 7de eeuw werd in de Latijnse liturgie de koorzang aan een speciaal geschoolde, meestal uit priesters bestaande groep toevertrouwd, de Schola Cantorum, waaraan koorknapen werden toegevoegd. Toen de meerstemmige kerkmuziek zich ging ontwikkelen, bleef aan het koor het zingen van de gregoriaanse melodie (cantus firmus) voorbehouden, terwijl de tegenstem(men) (discantus) door solisten uit het koor werd(en) uitgevoerd. Eerst in de 15de eeuw, ten tijde van Dunstable en Dufay, kan men van polyfone (zie polyfonie) koorzang in de zin van meervoudig bezette partijen spreken; de meerstemmige kerkmuziek van de Parijse Notre-Dameschool (12de en 13de eeuw) en van Guillaume de Machaut (14de eeuw) dient men zich solistisch, eventueel door instrumenten begeleid, voor te stellen. Een bloeiperiode voor de koormuziek was de renaissance met haar schitterende repertoire van meerstemmige missen en motetten, waarbij componisten uit de Nederlanden, van Ockeghem tot Orlandus Lassus, naast Italianen een grote rol speelden. Vooral sinds Josquin des Prez werd de koorzang bij voorkeur a cappella, dus zonder instrumenten, uitgevoerd. Wereldlijke genres als madrigaal, polyfoon lied, enz. werden meestal solistisch bezet, met of zonder instrumentale begeleiding. Het probleem van de onverstaanbaarheid van de tekst bij polyfone vocale muziek werd meesterlijk opgelost door Palestrina. Het monodisch principe werd in de koormuziek volledig ontwikkeld door Monteverdi. In de zgn. stile concertato van de 17de eeuw werd de koorzang van een zelfstandige instrumentale begeleiding voorzien, bijv. in mis, motet, cantate, oratorium en opera. De koorwerken van J.S. Bach vormen de synthese van de internationale ontwikkeling tot dan toe van de koormuziek; in zijn koorwerken werden de sopraan- en altpartijen nog door jongensstemmen uitgevoerd. Met het ontstaan van uit de burgerij gevormde profane koren in de 18de eeuw werd het gemengde koor van mannen- en vrouwenstemmen algemeen, al hadden in de solistische wereldlijke genres sinds de renaissance al vaak vrouwen meegezongen. Terwijl in de 18de en 19de eeuw de betekenis van de kerkelijke koorzang wat terugliep en de rol van het operakoor beperkt werd, beleefde het oratorium, zowel het geestelijke als het wereldlijke, met Händel, Haydn, Berlioz e.a. een bloeiperiode. Ook het koorlied voor mannen- of gemengd koor werd veel beoefend (Schubert, Brahms, Bruckner e.a.). Een bijzonderheid van het muzikale impressionisme was de koorzang op klinkers alleen, bijv. bij Debussy en Ravel. Sinds 1920 heeft de koormuziek nieuwe betekenis gekregen in oratorium en kerkmuziek, o.a. bij Strawinsky, Honegger, Poulenc, Hindemith, Orff, Distler, Kodály, Badings en Vaughan Williams. Schönberg en Webern componeerden de eerste atonale koormuziek. Na de Tweede Wereldoorlog experimenteerden componisten als Nono, Berio, Ligeti, Penderecki, Stockhausen en Ton de Leeuw met alle klankmogelijkheden van de menselijke stem.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum