![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
chanson (Fr., = lied), ieder lied in een van de Romaanse talen, in het bijzonder in Frankrijk in de middeleeuwen een eenstemmig, door troubadours en trouvères gezongen coupletlied.
Het had aanvankelijk vaak de vorm van een bar, maar er ontstonden al snel verschillende vormen als ballade, rondeau en virelai. Ca. 4000 gedichten en 1400 melodieën zijn uit deze tijd in chansonniers (liedboeken) overgeleverd. Het meerstemmige chanson van de 14de en de 15de eeuw is eveneens in de ballade-, rondeau- of virelai-vorm gecomponeerd. In de Bourgondische cultuur ontstonden talrijke prachtige polyfone liederen. Tot de belangrijkste componisten ervan behoren Guillaume Dufay, Gilles Binchois en Johannes Ockeghem. In de tweede helft van de 15de eeuw en begin 16de eeuw was het vooral Josquin des Prez die het chanson een nieuwe muzikale vorm gaf: in plaats van een door twee of drie instrumenten begeleide solomelodie, waarvan het verloop mede door de dichtvorm wordt bepaald, laat het chanson-oeuvre van Josquin een ontwikkeling zien naar een meer individuele, vrij-gestileerde melodiek die de tekst in expressief en declamatorisch opzicht volledig tot zijn recht laat komen. Qua inhoud onderscheidt men: chansons d'amour (minneliederen), chansons de croisade (kruisvaardersliederen) en chansons de toile (liederen bij het weefgetouw).
Deze ontwikkeling leidde in Frankrijk tot het ontstaan van een nieuwe chansonvorm in a cappella-stijl: het zgn. Parijse chanson (parisienne), gekenmerkt door een veelal realistische melodiek, eenvoudige harmoniek en syllabische tekstvoordracht. Gedichten van Ronsard, m.n. de Amours, werden vele malen verklankt. Een van de componisten die programmatische chansons schreven, is Clément Jannequin. De grootste chansoncomponist uit de tweede helft van de 16de eeuw is Orlandus Lassus, die in zijn chanson-oeuvre een schitterende synthese bereikte tussen homofonie en polyfonie, tussen syllabische en melismatische (zie melisme) tekstvoordracht. In de 17de eeuw is het chanson in onbruik geraakt. Alleen Jan Pieterszoon Sweelinck componeerde nog een aantal werken in dit genre. In de 19de eeuw kreeg het chanson zijn huidige betekenis: een lied, naar inhoud variërend van een esprit-volle satire op de maatschappij en situaties in het dagelijks leven tot een, soms sentimenteel, liefdes- of levenslied, in de meeste gevallen gedicht, op muziek gezet en uitgevoerd door de zanger (chansonnier). Voorts domineert de tekst – soms van hoog literair gehalte – veelal sterk over de muziek en is het effect vaak in hoge mate afhankelijk van de wijze van uitvoeren.
De eerste chansonnier-pur sang was Pierre-Jean de Béranger (1780–1857), een als zodanig in zijn tijd nog unieke figuur, die grote populariteit genoot. Even voor 1850 ontstond in Parijs het ‘caféconcert’, een variété-theater met voor het publiek de faciliteiten van een café. Het programma bestond voornamelijk uit zangnummers. Het caféconcert was het domein van vele artiesten en nog steeds is de legendarische zangeres Yvette Guilbert (1867–1944) bekend, die niet alleen eigentijdse, maar ook zeer oude ‘chansons populaires’ op haar repertoire had. De in 1881 opgerichte Le Chat Noir geldt als de bakermat van het cabaret en ook van het moderne chanson. Chansonniers als Aristide Bruant met venijnige persiflages, Théodore Botrel met traditionele regionale chansons en Xavier Privas met zijn poëtische en filosofische liedjes maakten het chanson niet alleen en vogue, maar veroorzaakten ook een ware renaissance in het literaire chanson.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |