Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Poolse muziek

Resultaten van Windows Live® Search

  • Poolse Muziek

    Poolse Muziek. Index lexicon:

  • Poolse muziek - Wikipedia

    Bij Poolse muziek denkt men snel aan de Poolse componist Chopin die zijn composities entte op dansen uit Polen zoals mazurka 's en polonaises. Maar dat is niet de traditionele ...

  • polen.startpagina.nl

    Poolse muziek Poolse muziek (NL) Poolse tradities Poolse tradities 2 Pools-NL Kulturele Vereniging ... Polen is een land in Midden Europa. In het westen wordt het begrensd door Duitsland ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Poolse muziek

Encyclopedieartikel
Multimedia
Symfonie der klaagzangenSymfonie der klaagzangen
Artikeloverzicht

Introductie

Poolse muziek, overzicht van de kunstmuziek en volksmuziek uit Polen.

1. Kunstmuziek

In de middeleeuwen bezat Polen een rijke traditie aan liturgische muziek, m.n. in het bisdom Poznań (968). De oudst bekende Poolse koraalcompositie (antifoon Magna vox laude sonora) dateert uit 1090 à 1127 (auteur waarschijnlijk Jakub van Znin). Omstreeks 1080 begon de polonisering van de liturgische muziek met de stichting van Poolse kloostercentra en kathedraalscholen. Vanaf die tijd waren ook troubadours actief. De oudst bekende Poolse componist is de dominicaan Wincenty Kielc; hij schreef o.a. een officium ter ere van de H. Stanislaus (1255). Vanaf het begin van de 14de eeuw zijn wereldlijke en geestelijke liederen bekend (Bogurodzica, notatie van 1407, een tijdens de veldslag van Tannenberg [Stębark] gezongen religieus strijdlied). Omstreeks 1427 componeerde Nicolaus de Radom een aantal werken in de Bourgondische stijl, waaronder een Magnificat. In de 15de eeuw kwam aan het hof de instrumentale muziek tot ontwikkeling.

De contrapuntist Nicolaas van Kraków (ca. 1485) was de eerste Poolse componist van betekenis. Na hem raakte de Poolse muziek min of meer onder Duitse invloed, maar met renaissance en Reformatie kwam de eerste grote opbloei. Het hof te Kraków werd centrum van het kunstleven. In 1540 stichtte koning Sigismund I de beroemde rorantisten-kapel. De hieraan verbonden N. Gomólka (gest. 1609) maakte een psalter dat een omvangrijke verzameling van Poolse renaissanceliederen vormt: Melodiea na psalterz polski (1580; uitg. in mod. notatie d. M.J. Reiss, 1926). N. Zieleński (ca. 1550 – ca. 1650) was verbonden aan de kathedraal van Gniezno (Gnesen). In zijn voornaamste werk, Offertoria totius anni... (7–8-stemmig) en Communiones totius anni... (1–6-stemmig, 1611), doet de invloed van Palestrina en van Andrea en Giovanni Gabrieli zich gelden. Zijn tijdgenoot Jacob le Polonais werd bekend om zijn echt Poolse dansmuziek. In de 17de eeuw zijn Poolse figuren van formaat B. Pekiel (gest. 1670; missen in palestrinastijl), M. Mielezewski (gest. 1651; motetten; concertato-werken) en A. Jarzebski (Canzoni e concerti cum basso continuo, 1627). In 1628 werd de eerste Italiaanse opera (Galathea van Sande Orlandini?) te Warschau uitgevoerd, en spoedig kreeg de Italiaanse opera een overheersende positie. Omstreeks de eeuwwisseling waren van betekenis: S. Szarzýnski en G. Gorczycki (gest. 1734), vooral op het gebied van motet- en miscompositie. Het eerste vaste operatoneel werd in 1725 te Warschau opgericht, met vnl. werken van Napolitaanse componisten.

Tegen het begin van de 19de eeuw consolideerden zich in Polen concertvormen en -verenigingen (Warschau: Musikalische Gesellschaft, 1805), die vnl. voortkwamen uit initiatieven van de verburgerlijkte Pruisische landadel. Deze verenigingen hadden zeer strenge statuten en het lidmaatschap kon in de meeste gevallen slechts verkregen worden op basis van financiële investeringen én praktische muzikale bijdragen van ten minste één familielid. De uit Grotków (Grottkau) in Silezië afkomstige J. Elsner (1766–1854) stichtte in Warschau een muziekvereniging en een zangschool, waaruit in 1821 het conservatorium ontstond. Inmiddels had M. Kamienski (gest. 1821; van Hongaarse origine) reeds getracht een Poolse operakunst te scheppen. Andere talentvolle componisten waren: K. Kurpiński (1785–1857; opera Cracoviens et montagnards), M.K. Ogiński (1765–1833), Maria Szymanowska (1789–1831, leerling van Field; pianowerken), O. Kolberg (1814–1890). Pas in Frédéric Chopin, leerling van Elsner, kreeg de Poolse muziek een geniaal vertegenwoordiger. In de tweede helft van de 19de eeuw is S. Moniuszko (1819–1872) de grootste en invloedrijkste Poolse componist geweest. Andere componisten uit dit tijdvak zijn o.a. H. Wieniawski (1835–1880); W. Zeleński (1837–1921), vooral bekend door verscheidene opera's en liederen; S. Noskowski (1840–1909), met orkestcomposities en liederen; J. Zarembski (1854–1885), met o.m. pianostukken; A. Zarzycki (1834–1895), met mazurka's en liederen. Steeds meer trad de instrumentale muziek naast de opera op de voorgrond en werden grote compositievormen beoefend (symfonie, symfonisch gedicht, concert, enz.). Ook in het oeuvre van de vermaarde pianist I.J. Paderewski (1860–1941) neemt een grote patriottische symfonie, Polska (= Polonia), een belangrijke plaats in. Zijn tijdgenoot R. Statkowski (1859–1925) componeerde opera's, kamermuziek en liederen. Op het terrein van de gewijde muziek onderscheidden zich de broers J. en M. Surzyński (1851–1919 resp. 1866–1924). Van de ca. 1875 geboren componisten vallen o.m. te vermelden H. Opieński (1870–1942, o.a. drie opera's), F. Nowowiejski (1877–1946), met het oratorium Quo Vadis, en de vroegtijdig omgekomen M. Karłowicz (1876–1909), met symfonische gedichten.

De herwinning van de onafhankelijkheid gaf na de Eerste Wereldoorlog een krachtige impuls aan het Poolse muziekleven. Naast, maar in de schaduw van K. Szymanowski (1882–1937), een geraffineerd lyricus, traden als componist naar voren J.A. Maklakiewicz (1899–1954), A. Tansman (geb. 1897) en J. Koffler (1897–1943), de eerste Poolse componist die de twaalftoontechniek toepaste.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam, evenals de andere kunsten, ook de creatieve muziekbeoefening in Polen in een conflictsituatie, ontstaan door een sterk nationalistische cultuurpolitiek die vernieuwing uitsloot. Ten gevolge hiervan verliet een aantal componisten het land, o.a. R. Palester (1907–1989) en A. Panufnik (1914–1991), terwijl anderen erdoor werden belemmerd naar hun land terug te keren: A. Szałowski (1907–1973), M. Spisak (1914–1965), M. Kondracki (1902–1984), T. Kassern (1904–1957). Het enig mogelijke compromis bleek de verbinding van een – weliswaar enigszins zich vernieuwend – vakmanschap met een sterk nationaal-folkloristische tendens. Dit kenmerk is bepalend voor de eerste scheppingsperiode van W. Łutosławski (1913–1994), terwijl het neoclassicisme tevens een stempel drukte op het werk van A. Malawski (1904–1957), G. Bacewicz (1913–1969), B. Woytowicz (1899–1980), B. Szabelski (1896–1979) en T. Szeligowski (1896–1963). Omstreeks 1954 stond het cultuurpolitieke klimaat een grotere vrijheid toe en er ontstond een sterke toenadering tot de West-Europese Nieuwe Muziek. In dit verband dienen in de eerste plaats Łutosławski, K. Penderecki (geb. 1933) en T. Baird (1928–1981) te worden genoemd, voorts K. Serocki (1922–1981), W. Kotoński (geb. 1925), W. Kilar (geb. 1932), B. Schäffer (geb. 1929), H. Górecki (geb. 1933), Z. Krauze, Z. Bargielski en K. Meyer. Sinds 1956 is het internationale jaarlijkse ‘Herfst’-festival te Warschau aan de Nieuwe Muziek gewijd. Bekend is ook het jaarlijkse Chopin-concours in Warschau.

2. Volksmuziek

De Poolse volksmuziek is bijzonder rijk. De volksliederen zijn in de eerste plaats dansvormen, waarin vaak zang en dans verenigd zijn. De meeste zijn driedelig, zoals de polonaise en de mazurka (een gestileerde samensmelting van boerendansen als de mazur, de kujawiak en de oberek). Een kenmerk van de Poolse folklore is o.a. dat korte motieven van één maat grote betekenis hebben; door herhaling daarvan ontstaan verschillende typen. Van groot belang zijn de melodische eigenaardigheden; de tijd van ontstaan, politieke en sociale invloeden doen zich gelden bij het tot stand komen van een melodie. Talrijk zijn de sporen van oude kerktoonsoorten; onder invloed van de westerse grote en kleine terts zijn ook ‘mengtypen’ ontstaan. Soms wisselen twee- en driedelige maat elkaar af. Opvallend zijn de veelvuldige grote septiemen, overmatige kwarten en overmatige secunden, en in verband hiermee een sterk ontwikkelde dissonantie. Het karakter van de liederen loopt uiteen: krijgsliederen, religieuze liederen, balladen, oogst-, minne-, tafel- en bruiloftsliederen. In de meeste gevallen overheerst een droefgeestige ondertoon. In het bijzonder de Mazowiërs, die zelfs de meest alledaagse gebeurtenissen bezingen, hebben een sterke muziekcultuur. Zij zingen al of niet met begeleiding van een orkestje van drie tot vijf personen. Viool, bas, trommel, trompet, klarinet zijn gebruikelijke instrumenten; soms ook de luit en de dudlic (doedelzak; vgl. de doedelzakkwinten in Chopins mazurka's). De eerste grote verzamelaar van Poolse volksliederen was O. Kolberg (1814–1890). Aan de populariteit van de Poolse volksmuziek in het buitenland heeft het ensemble Mazowsze veel bijgedragen (in 1948 opgericht door de componist T. Sygietynski en zijn vrouw, de theater- en kostuumontwerpster M. Ziminska).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum