![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Hongaarse muziekEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Hongaarse muziek, overzicht van de kunstmuziek en volksmuziek uit Hongarije.
Pas in de 19de eeuw ontstond in Hongarije kunstmuziek van enige betekenis. Door oorzaken van historische aard (oorlogen, volksverhuizingen e.d.) is dit wel verklaarbaar. De volksmuziek echter heeft zich door deze woelingen heen gehandhaafd en is in mindere mate dan de kunstmuziek beïnvloed door andere culturen. Na de overgang van de Hongaren tot het christendom in de 10de en 11de eeuw werd de Gregoriaanse muziek (opgetekend in de Codex van Hahót uit eind 11de en de Codex Albensis uit de 12de eeuw) aangepast aan het Hongaarse idioom; de eerste gregoriaanse melodieën op Hongaarse tekst staan in de Nádor-Codex uit 1508. Tijdens de hofcultuur (13de–15de eeuw) kwamen de Franse troubadours en Duitse Minnesänger, gevolgd door polyfonisten als de Zuidnederlander Barbireau en de Sileziër Thomas Stoltzer, naar Hongarije. Na de bezetting door de Turken bleven alleen de liederen van de citharaedi (heldenzangers aan het hof) voortleven. Eind 15de eeuw werden voor het eerst de zigeuners in Hongarije vermeld en begon hun muziek een rol te spelen in de Hongaarse. De 16de en 17de eeuw brachten naast het reformatorische kerklied en een opleving van het epische lied een belangrijke virginaalliteratuur. Een van de baanbrekers van de Hongaarse instrumentale muziek was Bálint Bakfark (1507–1576), luitvirtuoos en componist, wiens luitcompositieboek Intavolatura in 1552 te Lyon werd gedrukt. Vooral de adellijke residenties waren dragers van de muziekcultuur; de hofmuzikanten kregen in de 18de eeuw het karakter van een symfonieorkest, zoals de kapel van het vorstengeslacht Eszterházy, waarvan Haydn dirigent was. Haydn onderging invloed van de Hongaarse melodiek en ritmiek. Een eerste bloeiperiode van de Hongaarse muziek is verbonden met de namen van János Bihari (1764–1827), János Lavotta (1764–1820) en Antal Csermák (1774–1822). In dezelfde tijd valt de opleving van de koorcultuur; tussen 1780 en 1820 verschenen vele meerstemmige bewerkingen naar westers voorbeeld van Hongaarse studenten- en soldatenliederen. Een tweede bloeiperiode begon met Franz Liszt (1811–1886), Ferenc Erkel (1810–1893) en Mihály Mosonyi (1815–1870), die, hoewel hun composities stilistisch uiteenlopen, bewust probeerden een Hongaarse muziek te creëren, evenwel met behulp van de uitdrukkingsmiddelen van de westerse muziek. In 1875 werd de muziekacademie te Boedapest gesticht, waarvan Liszt president en Erkel directeur was; de laatste was in 1884 oprichter van de staatsopera. Door het intensieve contact van Hongaarse uitvoerende musici (Leopold Auer, David Popper, de dirigent A. Nikisch) met de West-Europese muziekcentra nam de westerse invloed op de Hongaarse muziek eind 19de eeuw nog toe. De met Haydn begonnen invloed van de Hongaarse muziek op de West-Europese muziek werd tijdens de periode van de romantiek sterker (o.a. Brahms). Wat men onder 'Hongaarse' muziek verstond, bepaalde zich echter vnl. tot de verbunkos en, reeds sinds de eerste helft van de 19de eeuw, ook de csárdás. De belangrijkste Hongaarse componisten van omstreeks de eeuwwisseling zijn Jenö Hubay (1858–1937) en Ernö von Dohnányi (1877–1960). Ook Leo Weiner (1885–1960) behoort tot deze generatie, maar hij onderging reeds sterker de invloed van Béla Bartók (1881–1945) en Zoltán Kodály (1882–1967). Deze beiden brachten de Hongaarse muziek op internationaal niveau. Daarnaast vatten zij als eersten de studie van de Hongaarse volksmuziek op. De meest op de voorgrond tredende, in de 20ste eeuw geboren componisten zijn: F. Szabó (1902–1969), E. Szervánsky (1911–1977), P. Kadosa (1903–1982), F. Farkas (1905–1977) en G. Ránki (1907–1992). Internationaal bekend werd de sedert 1956 buiten Hongarije gevestigde György Ligeti (geb. 1923). Van de jongere generatie hebben slechts weinig componisten bekendheid in het Westen gekregen, o.a. de in Oostenrijk wonende Ivan Eröd (geb. 1936), voorts Josef Maria Horvath (geb. 1931), Andor Losonczy (geb. 1932), György Ránki (geb. 1921) en P. Eőtvős (1944).
De pioniers van het onderzoek van de Hongaarse volksmuziek, Zoltán Kodály en Béla Bartók, begonnen hun werkzaamheden in 1905–1906. Het zoeken naar een muzikale Hongaarse identiteit ontstond onder de druk van het Duits-Oostenrijkse muziekleven en resulteerde aanvankelijk in het accepteren van wat in die beginjaren nog bekend stond als de 'Hongaarse stijl', wat echter niets anders was dan de geürbaniseerde beroepsamusementsmuziek, de vulgair-muzikale taal van de csárdás. Bartók en Kodály keerden zich hiervan spoedig af; zij verzamelden duizenden volksmelodieën, ordenden en publiceerden dit materiaal en legden zo de basis voor de kennis van de Hongaarse volksmuziek. Na de Tweede Wereldoorlog begon de Hongaarse Academie van Wetenschappen (Boedapest) zich met dit werk actief te bemoeien. Er kwam een voorbeeldig volksmuziekarchief te Boedapest (gebaseerd op het door Bartók en Kodály bijeengebrachte materiaal), dat zich o.m. bezighoudt met het wetenschappelijk uitgeven van het verzamelde materiaal in de monumentale serie Corpus Musicae Popularis Hungaricae (1951 vv.). Bij een zo grote hoeveelheid bronnenmateriaal is het grootste probleem de classificatie, de indeling in soorten, op muziektechnische gronden. Algemeen verbreid is die van Bartók/Kodály zelf, welke de volgende hoofdcategorieën onderscheidt: 1. Oude Stijl, ca. 300 melodieën die hypothetisch het oudste historische stratum vertegenwoordigen. De hoofdkenmerken zijn: a. pentatoniek, die niet altijd anhemitonisch is; b. onregelmatig-strofische structuur, nl. het tweede deel van de muzikale strofe (zin) is een herhaling van het eerste in de onderkwint; c. isometrische strofenbouw (vierregelige liederen); d. parlando-ritme, zelden in tempo giusto; e. rijke ornamentiek in de vorm van melismen. 2. Nieuwe Stijl, ca. 3500 melodieën van een type dat plotseling opdook in het midden van de 19de eeuw (daarvóór sporadisch aantoonbaar) en sindsdien de Hongaarse volksmuziek algemeen domineerde. De liederen in deze stijl hebben zich organisch uit de Oude Stijl ontwikkeld, zijn binnengedrongen in de volksdansmuziek en later ook in de amusementsmuziek. Hoofdkenmerken: a. even vaak diatonisch als pentatonisch; b. streng-architectonische structuurschema's (de strofen beginnen en eindigen met hetzelfde motief of met dezelfde melodie, en hebben een contrasterend middendeel dat niet zelden in een kwintverhouding tot begin en slot staat), waarvan Bartók vier groepen heeft kunnen vaststellen, in hypothetisch-historische volgorde: AA5BA; AA5A5A; AABA; ABBA; c. overwegend in tempo giusto; d. geen ornamentiek. Buiten deze twee hoofdcategorieën vallen enkele groepen gebruiksliederen, zoals de zeer archaïsche klaagzangen, de kinderliedjes en de gezongen nieuwjaarsgroeten. Het valt enigszins te verwonderen dat er weinig wetenschappelijke aandacht werd geschonken aan de instrumentale volksmuziek. Het pedál-cimbalom (zie cimbaal), een 19de-eeuwse uitvinding, werd het alles-overwoekerende volksmuziekinstrument, maar daarnaast bleven zich nog wel hier en daar boereninstrumenten handhaven: draailier, doedelzak, fluit, luit. Een zeer groot aantal volksmuziekinstrumenten is museumstuk geworden. Zie ook zigeuners: § muziek.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |