Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar boeddhistische muziek

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

boeddhistische muziek

Encyclopedieartikel
Multimedia
Lamaïstisch gezangLamaïstisch gezang
Artikeloverzicht

Introductie

boeddhistische muziek, de met het boeddhisme en lamaïsme verbonden muziek.

De liturgische muziek van het boeddhisme vertoont naast lokale verschillen sterke onderlinge overeenkomsten, waarvan de voornaamste zijn: een uitgebreid slaginstrumentarium en de afwezigheid van snaarinstrumenten; blaasinstrumenten worden alleen in de lamaïstische ritus gebruikt. De zang staat echter op de eerste plaats.

1. ZANG

Reeds in de beginperiode van het boeddhisme legden monniken zich toe op het zingen en componeren van gezangen, gebaseerd op heilige prozateksten (sutra's) en van hymnen. Het zingen gebeurt in een uiterst gestileerde stijl, doorgaans op ongewoon lage tonen, met name in de lamaïstische ritus. De zang kan solo- of koorzang zijn, in welk laatste geval een soort meerstemmigheid ontstaat wanneer oude en jonge monniken en novicen elk op hun eigen toonhoogte zingen (Japan, China). Soms is de zang onbegeleid, maar meer gebruikelijk is instrumentale begeleiding, die in de lamaïstische liturgie de vorm van een orkest aanneemt. Als de recitaties niet op één toon zijn, nemen zij de vorm aan van melodiepatronen resp. melodieën. Het Japanse boeddhisme gaat wat dat betreft terug op de Chinese muziektheorie (zie Chinese muziek) van de 8ste eeuw: de boeddhistische muziek bereikte Japan vanuit het klooster Jü-sjan op het Chinese vasteland, waar Japanners, Chinezen, Tibetanen en Indiërs tezamen kwamen en zich o.m. toelegden op de religieuze zang.De liturgische Japanse zang, sjomio, kent twee toongeslachten (tonaliteiten): rio en ritsoe (zie Japanse muziek) gebouwd op twee verschillende pentatonische reeksen (afgezien van toonversieringen).

2. Instrumentarium

De verschillende delen van de Chinees-Japanse liturgie worden steeds aangegeven met allerlei bellen (klokken) en gongs, waarvan de beroemdste de grote bronzen bel bonsjo (Japans) is. De typische ‘houten vis’ (de bolvormige of langwerpig-visvormige, roodgelakte houten spleettrom mokoegijo), waarvan het geklop de sutra-recitaties begeleidt, is kenmerkend voor het instrumentarium bij de liturgie, evenals de tweevellige trommels, houten slagstaafjes en, met name in de Tibetaanse liturgie, de lange metalen trompet (dung), de hobo (rgyaling), de zandlopervormige trom (damaru, vroeger van mensenschedels gemaakt) en bekkens (rolmo, verticaal, en silnyen, horizontaal bespeeld).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum