Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar kostuum

Resultaten van Windows Live® Search

  • kostuum.startpagina.nl

    Alles wat met kostuums en pakken te maken heeft ... De sixpack van Bos (Metro) Tientallen vorsten in vol ornaat over rode loper (De Limburger - Limburgs Dagblad)

  • BISNIS.nl / ABC-Links / Kostuum

    Warning : Unknown(): The session id contains invalid characters, valid characters are only a-z, A-Z and 0-9 in Unknown on line 0 Warning : Unknown(

  • Hoofdpiet kostuum en zwarte pieten pak

    Zwarte Pieten pakken, TV hoofdpietkostuum, Meisjespiet pak, Stafpietkostuum of strooipietkostuum. Hier vindt u het Zwarte pieten pak dat u altijd al zocht! Ook voor een ... Welkom ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 3 van 4

kostuum

Encyclopedieartikel
Multimedia
14de-eeuwse kleding14de-eeuwse kleding
Artikeloverzicht

3. Middeleeuwen

Het vroeg-christelijke kostuum vertoont oosterse invloed op Romeinse grondvormen, maar was vrij eenvoudig. De lange witlinnen tunica's, doorgaans met halflange of lange mouwen, waren voorzien van opgenaaide versieringen van gobelinweefsels. Tot aan de 12de eeuw is in Europa de tunica met mouwen de gebruikelijke dracht gebleven voor mannen en vrouwen. De mantel daaroverheen was op een van de schouders vastgehecht. In de 12de eeuw ontstonden varianten, vooral in het vrouwenkostuum. Dit werd om het bovenlichaam nauwsluitend gemaakt, terwijl de mouwen soms een fantastische wijdte kregen. In de 13de eeuw droegen de mannen, althans uit de hogere standen, steeds lange tunieken. Eerst in de tweede helft van de 14de eeuw werd met de laatste overblijfselen van de antieke traditie radicaal gebroken. Toen ook begon de sterker individuele onderscheiding door snit en kleur. De gestalte kreeg gotische slankheid, die voor de mannen werd verkregen door korte, zéér nauw sluitende jakjes, die de indruk wekten dat het lichaam ter hoogte van het middel ingeregen en daarboven rond gewatteerd werd. Onderaan bevond zich een brede gordel, die dus laag om de heupen lag. De hoge, nauwsluitende kraag werd soms omgeven met een schouderkap, waaraan een kaproen Ook de kledij van de vrouwen was nauwsluitend om het bovenlichaam. Typisch was daarbij een mouwloos overkleed, nu met zeer wijde armsgaten, dat op borst en rug met bont was bezet.

Omstreeks 1400 werd de lijfrok van de mannen wat langer en in stijve, verticale, geconfectioneerde plooien gelegd, terwijl alle randen en slippen zaagvormig werden uitgehakkeld. Hetzelfde vertoonden de gewaden van de vrouwen die, hoog gegord, uiterst slank om het bovenlijf, lang en slepend werden met lange hangmouwen. Naast het haarnet ontstonden hoofddoeken in allerlei vorm, met twee uitsteeksels naast en boven het hoofd. Allerlei extravaganties in kleur en versiering (gordels en banden met bellen e.d.) werden aan de kleding toegevoegd. Omstreeks 1440 werden de lijfrokken van de mannen zeer kort (tot even over de heupen) en voorzien van wijde pofmouwen (mahoître), breed aan de schouders en aansluitend om de polsen. Tegenover de dunne benen met de zeer lange, puntige schoenen (poulaine of tootschoen genoemd) ontstond nu een wonderlijk contrast, geaccentueerd door de hoge smalle muts of de kaproen. De lange sleep- of hangmouwen van de vrouwen begonnen tegen het midden van de 15de eeuw plaats te maken voor lange nauwe mouwen. In de jaren zeventig kwam ook de atour met sluier in zwang.

4. 16de eeuw

In de kledij ging zich een neiging tot groter breedte voordoen. Bij mannen en vrouwen werd de hals vierkant en zeer breed uitgesneden. Een korte tabbaard met brede kraag en wijde pofmouwen (in Duitsland Schaube genoemd) gaf de mannen een massaal voorkomen. De platte baret, de brede, korte baard en vooral de breedgeneusde schoenen (koemuilen) droegen niet weinig tot deze indruk bij. De vrouwenkleding vertoonde een neiging tot het massale. Kenmerkend waren vooral wijde, met bont gevoerde overmouwen, die halverwege werden teruggeslagen tot de elleboog. Een witte kap met slippen op de rug of voor de schouders (ontstaan uit een hoofddoek) ontbrak in de Nederlanden nimmer. In Frankrijk was de kap zwart, in Italië ontbrak zij en in Duitsland vindt men soms een sterker overeenkomst met de klederdracht van de mannen.

Omstreeks midden 16de eeuw deed de Spaanse mode haar intrede en daarmee een nieuwe, stijve inhulling van het figuur. Het wambuis werd nauwsluitend, soms in de gewenste vorm gewatteerd, en met baleinen in de vorm gehouden. Daaronder begon men korte, stijf met paardenhaar opgevulde, ballonvormige broekjes te dragen. Om de hals werd de ruche van de hemdrand tot een stijfgeplooid kraagje, uitkomend boven de zeer hoge kraag van het wambuis. Kleine toques met een enkele veer werden op het hoofd gedragen. Een manteltje dekte in stijve plooien de rug. Een zelfde neiging het lichaam te ompantseren vertoonde het vrouwenkostuum. Dezelfde kragen, een stijfgeregen, puntig lijfje met aan de schouders hoog opgestopte mouwen, een wijd uitstaande rok gesteund door een vertugadin of fardegalijn (onderrok met baleinen). Buiten Spanje werd deze mode op allerlei manieren gewijzigd. Zo werd aan het verwekelijkte hof van Hendrik III van Frankrijk voor het eerst bij de mannen het wambuis van een spits toelopende, met paardenhaar opgevulde punt voorzien. De rok van de vrouwen werd wijd en omvangrijk, rondom door een heupkussen gesteund. In Nederland en Duitsland trachtte men de Spaanse vormen te matigen. Pofbroeken e.d. bleven vaak in gebruik. Vooral ca. 1580 werd de kleding losser (wijdere mouwen, lossere, brede kraag, iets later ook breedgerande hoeden), hoewel de opgestopte puntbuik (Duits: Gänsebauch) soms zelfs in overdreven vorm werd toegepast. Karakteristiek voor de dracht van de Nederlandse vrouwen werd de vlieger.

5. 17de eeuw

Het onderscheid tussen het modieuze en het deftige, conservatieve kostuum (de zgn. regentenkleding) is sedert eind 16de eeuw steeds sterker geworden en bleef gedurende het grootste deel van de 17de eeuw bestaan. De kleur van het laatstbedoelde kostuum was uitsluitend zwart. Tot 1630 was voor de mannenkleding karakteristiek het al of niet puntige wambuis met pofbroek tot de knie en de breedgerande slappe vilthoed. Om de hals droeg men een grote plooikraag of een stijf uitstaande platte kraag, beide al of niet met kant omzoomd. Omstreeks 1620 begon men ook een mantel óm te draperen. De vrouwen hadden molensteenkragen of waaierkragen, een nauw geregen lijfje en vaak een rondom opgenomen overrok, soms nog door heupkussens gesteund. Naast deze typisch Hollandse dracht bleef ook in Nederland de internationale mode, die vooral het Franse hof navolgde, gehandhaafd, altijd bij het hof en dikwijls bij de welgestelde burgerij. Ook daar werd de kleurigheid van alle onderdelen langzamerhand gematigd. Omstreeks 1630 werd de gehele gestalte in één kleur gekleed. Ook de vorm veranderde. De mannen kregen een liggende kraag, rechte broekspijpen en de gordel werd nog slechts aangeduid door een rij rozetten. Bij de vrouwen ontstond zelfs een zekere vormloosheid door een lang overkleed, terwijl de overgang van de schouders naar de armen geheel onzichtbaar gemaakt werd door een brede kraag en wijde pofmouwen. In het regentenkostuum van de vrouwen speelde vooral de vlieger een grote rol. Het midden van de eeuw bracht vooral voor de vrouwen grotere slankheid. In de mannenkleding was het wambuis kort geworden en toonde daaronder rondom een stuk van het hemd. De broekspijpen werden wijd. Deze zgn. rhingrave groeide ca. 1660, naar het in sommige gevallen schijnt, aaneen tot een rokje, met versiering van bossen linten aan gordel en zoom. Het fantastische, massale en beweeglijke van de barokstijl werd meer en meer kenbaar in het kostuum, vooral ook in de grote allongepruik. Onder invloed van de oorlogen van Lodewijk XIV kreeg de kleding op het einde van de eeuw een militair karakter: een jas tot de knieën, voorvader van het moderne colbert. De jabot deed zijn intrede. Het kenmerk van de vrouwenkleding is statigheid, bereikt door de fontange en de lange sleep van de aan weerskanten gedrapeerde overrok onder het lange, puntige lijfje.

6. 18de eeuw

Bij de mannen ging tegen 1700 de schoot van het justaucorps klokvormig uitstaan, terwijl het zeer lange vest meer zichtbaar werd. Eerst langzamerhand werd ook dit korter gemaakt. Een korte, nauwe kniebroek was daaronder te zien. De pruik werd nu doorgaans gepoederd, terwijl na 1725 de staartpruik ontstond. Kanten lubben, oorspronkelijk bevestigd aan het hemd, versierden borst en polsen, terwijl een driekante steek en lage schoenen met gespen het geheel voltooiden. Het zwaarwichtige karakter van het barokkostuum was met deze kledij, en niet het minst door het pruikje, lichter en speelser geworden, gelijk ook de hele versieringsstijl. Ook werden lichtere stoffen gekozen. Uit het vrouwenkostuum verdween de statige hoogheid, toen in 1715 een laag, klein kapsel mode werd. De rok werd eerst rondom, sedert ca. 1725 vooral aan de zijkanten breed uitgespannen (panier) en des te slanker leek het zeer sterk ingesnoerde bovenlijf. Ook een negligé-dracht maakte opgang. Per omstreeks 1770 ontstond een enigszins ingrijpende wijziging, doordat bij de mannen de jas steeds gladder werd en bij de vrouwen de kapsels hoger begonnen te worden. Na 1785 begon het kapsel lager en vooral rond te worden. Geheel in overeenstemming met de geest van de tijd kreeg het kostuum een burgerlijker en natuurlijker voorkomen, vooral bij de kledij van de vrouwen: hooggeplooide borstdoeken, betrekkelijk gladde, enigszins naar achteren gedrapeerde, soms voetvrije rokken, grote mutsen op het hoofd.

7. 19de eeuw

Na enige excessen tijdens het Directoire ontstond een nieuwe stilering onder Napoleon (zie empire [toegepaste kunst]) waarin vooral de invloed van de klassieke oudheid duidelijk was. De belangrijkste vormveranderingen vertoonden sindsdien de drachten van de vrouwen, waarvan meestal de stilering op een afstand en meer gematigd door de mannenkleding gevolgd werd (zie ook biedermeier). De empirekledij werd reeds tegen 1820 vermengd met allerlei romantische herinneringen uit een nabij verleden, zo bijv. werd de plooikraag weer in ere hersteld. In 1830 waren de mouwen breed uitgegroeid. De schouders leken nu sterk afhangend en hun lijn ging ononderbroken in de mouwen over. Daarbij kwam een rechte wespentaille en voetvrije rok. Een enorme luifelhoed met veren en bloemen dekte het hoofd. Het jaar 1840 bracht een rustpunt in de stilering. Kort daarna begon de crinoline zich aan te kondigen; 1880 bracht als contrast zeer grote slankheid, terwijl 1885 nog eens en zo mogelijk nog onorganischer tournures zag, ditmaal zonder de lange slepen en zonder de zwier van de draperingen van 1870. Na 1890 begonnen de mouwen een rol te spelen: ca. 1895 waren deze tot enorme pofmouwen uitgegroeid, die daarna, ca. 1900, weer geleidelijk verdwenen. Daarbij kwamen de zeer sterk ingeregen wespentailles en wijde klokrokken.

In het midden van deze eeuw ontstond de haute couture. In 1858 opende de Engelse ontwerper Charles Frederick Worth zijn modehuis in de Rue de la Paix in Parijs, waar zijn ontwerpen werden getoond door zijn vrouw, de eerste mannequin (tot dien werd kleding getoond op poppen). Na hem kwamen er tal van modehuizen in Parijs, o.m. van Jacques Doucet (ca. 1870), bekend om de eerste mantelpakken, de gezusters Callot (ca. 1870), Redfern (ca. 1881) en Madame Paquin (1891), die als eerste vrouw een leidend ontwerpster werd.

Vorige
| | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum