Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar neostijlen

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

neostijlen

Encyclopedieartikel
Multimedia
Justitiepaleis in BrusselJustitiepaleis in Brussel

neostijlen, ook historiserende stijlen of historicisme, samenvattende benaming voor de op het verleden geïnspireerde stijlen in de architectuur, maar ook in de beeldende en overige kunsten.

In de architectuur zijn de neostijlen een typisch verschijnsel van de 19de eeuw, al dragen de diverse eerdere vormen van classicisme toch ook al allerlei elementen uit het verleden in zich. Na de Franse Revolutie kwam er een einde aan de barok, die haar nabloei had beleefd in de Lodewijkstijlen, waarvan de laatste, het Louis-XVI, een sterk classicistische inslag had. Het Napoleontische keizerrijk ging in zijn officiële kunst willens en wetens teruggrijpen op antieke, speciaal Romeinse, maar ook Egyptische voorbeelden; het empire is al een neostijl. Ook de Restauratie toonde deze voorliefde: kerken werden imitaties van Romeinse basilica's, voorzien van een klassiek tempelfront (Notre-Dame-de-Lorette, Parijs, 1823–1836; St-Vincent-de-Paul, Parijs, 1824–1844; Église de la Madeleine, Parijs, imitatie van een Korintische tempel, tijdens de Restauratie voltooid) en de door Napoleon begonnen Arc de Triomphe werd voltooid (1836). In Nederland was de in 1845 door Zocher gebouwde Beurs te Amsterdam een verlaat voorbeeld van een door het empire beïnvloed classicisme en hetzelfde valt te zeggen van het door Tieleman Franciscus Suys gebouwde tempelfront voor de Mozes-en-Aäronkerk aldaar (1837–1841). Een speciale vorm van neoclassicisme werd nog het néogrec, in Nederland o.a. toegepast door Zocher; een typisch voorbeeld biedt het als de fameuze ‘winkel van Sinkel’ in 1835 gebouwde huis Oudegracht 158 te Utrecht, met zijn gietijzeren kariatiden en in het interieur een zaal met classicistisch stucwerk. Het neoclassicisme werd in België toegepast door architecten als Pierre Bruno Bourla (voormalige schouwburg in Antwerpen) en Lodewijk Joseph Adriaan Roelandt (universiteitsgebouwen in Gent). Ook het industriedorp Le Grand Hornu is neoclassicistisch opgevat.

Voorts valt de neorenaissance te vermelden; een belangrijk meester van deze richting was de Italiaan Gaetano Koch, de schepper van o.a. de Piazza dell'Esedra te Rome. In Nederland bouwde Cornelis Outshoorn in deze stijl. Petrus Josephus Hubertus Cuypers was bij tijd en wijle aanhanger van deze richting, getuige zijn Centraal Station (1889) en het Rijksmuseum (1885), beide te Amsterdam. Zelfs presteerde hij het om in het Brabantse Oudenbosch de Romeinse Sint-Pieter met koepel en al op verkleinde schaal na te bouwen (1865). Gewoonlijk echter ging de neorenaissancistische richting in Nederland uit van de overdadig gedecoreerde stijl van de vroege 17de eeuw. De vele herenhuizen en villa's in deze stijl bepalen het beeld van een groot deel van de laat-19de- en vroeg-20ste-eeuwse straten en singels. Een beroemd voorbeeld van de neorenaissance in België is de St.-Hubertusgalerij te Brussel (door Jan Pieter Cluysenaar). In een Vlaamse variant van de neorenaissance ontwierp Hendrik Jozef Frans Beyaert o.a. de gebouwen van de Nationale Bank in Brussel en Antwerpen.

Een – vaak wat eenvoudige – vorm van neobarok vindt men in Nederland in de zgn. waterstaatskerken, met als hoogtepunt de St.-Nicolaaskerk te Amsterdam (1887, door A. Bleys). Buiten Nederland is de weelderige Opéra in Parijs een voorbeeld (voltooid 1875, architect Charles Garnier).

Parallel aan het neoclassicisme ontwikkelde zich vanaf het midden van de 18de eeuw in Groot-Brittannië de neogotiek (Eng.: Gothic revival). Onder invloed van de vroege romantiek ontwierp men aldaar niet slechts kunstmatige ruïnes (Edgehill, 1746), maar spoedig daarop ook complete gebouwen (Strawberry Hill, door Sir Horace Walpole, 1753–1776; Fonthill Abbey, door William Beckford, 1796). Behalve door de romantiek werd de nieuwe voorliefde voor de gotische stijl ook bevorderd door het feit dat men na de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen talrijke kerken die in dat tijdperk zwaar geleden hadden, te restaureren kreeg: dit bracht de architecten in contact met de bouwprincipes en -methoden van hun middeleeuwse voorgangers. In Keulen werd begonnen met de voltooiing van de middeleeuwse dom. In Frankrijk waren vooral Chateaubriand en Victor Hugo de voorvechters van het nieuwe ideaal; een van de eerste neogotische bouwwerken was de Ste-Clotilde te Parijs (begonnen 1846). De meest gezaghebbende figuur evenwel van de Franse neogotiek, tevens haar theoreticus, werd Viollet-le-Duc, een rol die in Groot-Brittannië werd vervuld door vader en zoon Pugin en later door Sir Gilbert Scott. Vanaf 1836 verrees te Londen het parlementsgebouw naar plannen van A. Pugin en Ch. Barry. In België was baron Jean-Baptiste Béthune de promotor van de neogotische stijl, daarin door talrijke architecten gevolgd, o.a. Joseph Philippe Poelaert, Jozef Schadde, L. Cloquet en Joris Helleputte. In Nederland, waar al onder koning Willem II, onder Engelse invloed, enkele schuchtere pogingen waren gewaagd (Gotische Zaal en Willemskerk, Den Haag, 1840; Nederlandse Hervormde kerk, Zeist, 1843; paleis, later raadhuis, Tilburg, 1847–1849), werd J.K. Alberdingk Thijm de inspirator van de Amsterdamse en mgr. G.W. van Heukelum van de Utrechtse School van de – katholiek georiënteerde – neogotiek. De voornaamste bouwmeester van de eerste werd Cuypers, met als ruggensteun de veelzijdige Victor de Stuers, van de tweede richting de architect Alfred Tepe en de beeldhouwer Friedrich Mengelberg. Cuypers en zijn richting lieten zich, op een vrije wijze, inspireren door de Franse gotiek, de Utrechtse richting volgde getrouwer vooral Duitse voorbeelden. Beide scholen trachtten de beeldende kunsten te integreren in het architectonische concept. Zowel de architectonische als de handwerksproducten van de neogotiek zijn lange tijd als artistiek onbelangrijk beschouwd. In de tweede helft van de 20ste eeuw kwam het besef dat zij wel degelijk esthetische waarde kunnen bezitten. Dit kwam o.m. tot uiting door het feit dat in 1974 een aantal neogotische kerken op de monumentenlijst werd geplaatst.

Vermeld zij tot slot de Neobyzantijnse architectuur, die weinig toepassing vond. Haar voornaamste product is de tussen 1895 en 1903 door J.F. Bentley gebouwde Westminster Cathedral te Londen.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum