![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search neoclassicisme [muziek]Encyclopedieartikel
neoclassicisme [muziek], aanduiding voor a. een streven naar compositorische helderheid en intellectuele distantie bij de componist en b. diens gebruik van modellen en technieken uit reeds bestaande en gecanoniseerde muziek. De muzikale esthetiek die aan het neoclassicisme ten grondslag ligt, behelst de idee dat muziek door niets anders dan zichzelf gemotiveerd wordt. Als muziekhistorische term wordt het neoclassicisme gewoonlijk verbonden met de periode tussen de twee wereldoorlogen, en dan vooral met de figuur van Strawinsky, wiens tweede stijlperiode (ca. 1920-1951) als `neoclassicistisch’ wordt omschreven (men doelt hierbij vooral op de tweede betekenis van de term). De antecedenten van het neoclassicisme reiken echter veel verder terug. Feitelijk vindt het zijn oorsprong in het 19de-eeuwse denkbeeld van bepaalde intrinsieke, oftewel `klassieke’, waarden die zouden zijn belichaamd in de meesterwerken uit vroegere perioden (Palestrina, Bach, Haydn, Mozart en Beethoven). Rond de eeuwwisseling werd door menigeen een terugkeer naar deze waarden bepleit, vnl. als reactie op de invloed van Richard Wagner, die overigens nog tot ver in de 20ste eeuw doelwit van neoclassicistische polemieken is gebleven (Strawinsky, Poétique musicale, 1942). In dezelfde periode kwam ook het onderzoek naar vroegere uitvoeringspraktijken en oude instrumenten op gang (Wanda Landowska, Arnold Dolmetsch). In sommige neoclassicistische composities heeft dit onderzoek duidelijke sporen nagelaten (klavecimbelconcerten van De Falla en Poulenc). Zowel in Duitsland als in Frankrijk zijn het merkwaardig genoeg literatoren geweest die het muzikale neoclassicisme als zodanig hebben geannonceerd. Thomas Mann voorspelde in 1911 `eine neue Klassizität’ in de muziek en Jean Cocteau publiceerde zeven jaar later zijn geschrift Le coq et l'arlequin, waarin hij het classicisme van de componist Erik Satie als basis voor de muzikale toekomst aanprees. De componist Ferruccio Busoni sprak in 1920 van `eine junge Klassizität’. De belangrijkste vertegenwoordigers van het neoclassicisme zijn: de Parijse Groupe des Six, Hindemith (vooral in diens werken uit de periode 1922-1930), Prokofjev (Klassieke Symfonie, 1917), Malipiero en Casella. Maar ook bij componisten die doorgaans niet of in mindere mate als neoclassicist gekenmerkt worden, zoals Debussy, Schönberg en Busoni, vindt men bovengenoemde neoclassicistische elementen terug. De invloed van het neoclassicisme is, ook na de Tweede Wereldoorlog, groot geweest. Vooral in de Verenigde Staten heeft het wortel geschoten. Deze ontwikkeling moet worden toegeschreven aan de rol van de Parijse pedagoge Nadia Boulanger, die tal van Amerikaanse componisten (o.a. Aaron Copland, Elliott Carter en Walter Piston) heeft opgeleid. In Nederland heeft vooral de stilistische invloed van Strawinsky zich sterk doen gelden. Voor componisten als Louis Andriessen, Tristan Keuris, Geert van Keulen en Theo Loevendie, bleef zijn muziek een bron van inspiratie.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |