![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Congo [Kinshasa] |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 7 van 7
Congo [Kinshasa]Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
President Mobutu verbleef van augustus tot december 1996 in het buitenland voor medische behandeling. Tijdens zijn afwezigheid was in Kinshasa een machtsvacuüm ontstaan, waarin premier Kengo en de legerleiding tegenstrijdige orders gaven. Grote delen van het land, zoals Shaba en Kasai onttrokken zich al langer aan het centrale gezag en in 1996 voegden zich de provincies Noord- en Zuid-Kivu daarbij. Het gedemoraliseerde en slecht betaalde regeringsleger bood nauwelijks tegenstand aan de rebellen, maar zaaide op zijn terugtocht wel dood en verderf onder de burgerbevolking. Rebellenleider Kabila streefde niet naar een afscheiding van Oost-Zaïre, maar naar een machtsovername in Kinshasa. In april 1997 benoemde Mobutu Etienne Tshisekedi tot premier. Na een week werd hij vervangen door generaal Bolongo. Nadat Kabila’s Alliance des Forces Démocratiques de Libération (AFDL) Lubumbashi, de hoofdstad van Shaba en de tweede stad van Zaïre, had veroverd, stelde zij Mobutu het ultimatum binnen drie dagen het land te verlaten. Toen de president het ultimatum naast zich neerlegde, hervatten de rebellen hun offensief en veroverden Kananga, de hoofdstad van de provincie West-Kasai, en Kolwezi, een mijnstad in Shaba. Op 17 mei trokken de troepen van Kabila de hoofdstad Kinshasa binnen, een dag nadat Mobutu via Togo naar Marokko was gevlucht, waar hij in november 1997 overleed. Kabila riep zichzelf tot president uit en maakte bekend dat Zaïre voortaan de Democratische Republiek Congo zou heten. Het nieuwe bewind werd door een groot aantal landen, waaronder de Verenigde Staten, erkend.
Als belangrijkste prioriteiten van zijn regering noemde Kabila het herstel van de infrastructuur, de oprichting van centra voor de modernisering van de landbouw en de elektrificatie van het hele land. Hij slaagde erin zijn belangrijkste rivalen uit teschakelen. In april 1997 gaf Kabila onder zware druk van de Verenigde Naties toestemming de laatste Hutu-vluchtelingen, enkele honderdduizenden, te repatriëren. Volgens verschillende internationale organisaties werden er zo'n 150 000 Hutu-vluchtelingen vermist. Opnieuw was er grote internationale pressie nodig om Kabila te laten instemmen met de komst van een VN-onderzoekscommissie, die de beschuldigingen van systematische slachtingen onder Hutu-vluchtelingen moest onderzoeken. Het werk van de commissie werd stelselmatig onmogelijk gemaakt. In april 1998 besloot VN-secretaris generaal Kofi Annan het VN-onderzoeksteam terug te trekken uit Congo. Dezelfde maand verklaarde de Congolese autoriteiten de VN-mensenrechtenrapporteur Roberto Garreton tot persona non grata, nadat de VN-mensenrechtencommissie het bewind van Kaliba had veroordeeld voor ernstige schendingen van de mensenrechten. In het rapport van de commissie werd melding gemaakt van massale slachtpartijen van Hutu-vluchtelingen door troepen van Kabila en het Rwandese leger. Het aanvankelijke optimisme van het buitenland over het nieuwe bewind had inmiddels plaatsgemaakt voor argwaan en wantrouwen tegen de nieuwe machthebbers en ook in Congo zelf groeide de oppositie. Verschillende politieke opposanten van Kabila werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen wegens opruiing en het overtreden van het verbod op partijpolitieke activiteiten en demonstraties. De aanwezigheid van buitenlandse troepen in Congo en de dominantie van de Tutsi binnen de AFDL waren veel Congolezen een doorn in het oog. Kabila bouwde de Tutsi-vertegenwoordiging in de regering geleidelijk af en in juni 1998, kort na de derde regeringshervorming binnen een jaar, besloot hij per decreet dat alle buitenlandse troepen het land dienden te verlaten. Kort daarop brak er in het oosten van Congo een rebellie uit tegen het bewind van Kabila. De opstandelingen, o.a. Banyamulenge (Congolese Tutsi), verenigden zich in het RCD (Rassemblement Congolais pour la Démocratie) en openden met militaire steun uit Oeganda en Rwanda twee fronten. Pas na interventie van Angolese en Zimbabwaanse troepen aan de kant van Kabila werd de opmars van de rebellen gestuit. Later stuurden ook Namibië en Tsjaad troepen om Kabila te steunen. De buitenlandse inmenging forceerde echter geen beslissing en ook besprekingen tussen de partijen leidden in 1998 niet tot een oplossing. De (vermeende) betrokkenheid van Rwanda leidde in augustus in het hele land tot een heksenjacht op Rwandezen, met name Tutsi. In februari 1999 ontbond Kabila zijn regering en stelde voor de vierde keer in twee jaar een nieuwe ministersploeg samen. In zijn nieuwe regering van Nationale Redding werd opnieuw zijn neef Gaëtan Karudji minister van Binnenlandse Zaken en zijn vertrouweling Abdoulaye Yerodia de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Opmerkelijk was de benoeming van Bemba Saolona, oud Mobutu-aanhanger en de vader van MLC-rebellenleider Jean-Pierre Bemba, tot minister van Economische Zaken. In april 1999 besloot Kabila de regerende AFDL te ontbinden en de politieke macht over te hevelen naar volkscomités op dorpsniveau, de zogenaamde Comité du Pouvoir Populaire (CPP). In 1999 werden opnieuw journalisten, oppositieleden, ambtenaren en politici gearresteerd. Maar ook werden verschillende in 1998 gearresteerde en veroordeelde politici weer vrijgelaten, onder wie UDPS-leiders Mathieu Kalele en François Kabanda, voorts oppositieleider Joseph Olenghankoy. Hun vrijlating was één van de voorwaarden die de oppositie in Kinshasa gesteld had voor eventuele deelname aan een door Kabila aangekondigd nationaal debat over de politieke toekomst van het land, dat echter wegens boycot door de oppositie geen doorgang vond. In 1999 bleef ongeveer eenderde van het land onder controle van de rebellen. Eind 1998 mengde een nieuwe rebellenbeweging zich in de strijd: de Mouvement de Libération du Congo (MLC) onder leiding van Jean-Pierre Bemba, zoon van oud-Mobutu-aanhanger Bemba Saolona, die sinds maart 1999 deel uitmaakte van de regering van Kabila. De MLC had de provincie Equateur als basis en ontwikkelde goede banden met Oeganda. Onenigheid over de politieke en militaire koers van de RCD leidde tot spanningen binnen de leiding. Half februari verliet vice-president Arthur Ngoma de RCD uit onvrede met de militaire rol van Oeganda en Rwanda en op 16 mei werd RCD-voorman Ernest Wamba dia Wamba in Goma afgezet als leider. Hij vertrok met zijn aanhang naar Kisangani waarmee een splitsing binnen de RCD een feit was. De nieuwe leider van het RCD in Goma, Emile Ilunga, werd gesteund door Rwanda terwijl Wamba dia Wamba zich verzekerde van Oegandese steun. De gespannen relaties en soms openlijke vijandigheid tussen de twee RCD-facties onderling en de RCD en de MLC waren indicatief voor de toenemende onenigheid tussen bondgenoten Oeganda en Rwanda over het voeren van de oorlog. Nadat Rwandese en Oegandese troepen in augustus in Kisangani met elkaar slaags waren geraakt, sloten president Museveni van Oeganda en vice-president Kagame van Rwanda een akkoord. Hierin werd, naast een onmiddellijke wapenstilstand, vastgelegd dat leiders van beide RCD-facties het RCD in de toekomst mogen vertegenwoordigen. In juli 1999 leidden onderhandelingen in Lusaka tot de ondertekening van een vredesakkoord tussen Angola, Congo, Namibië, Rwanda, Oeganda en Zimbabwe. Aan de ondertekening, onder toezicht van de Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), ging een diplomatiek offensief van Zuid-Afrika vooraf. De RCD weigerde in eerste instantie te ondertekenen maar plaatste op 31 augustus alsnog de vereiste handtekeningen onder het verdrag dat voorzag in een onmiddellijk staakt-het-vuren, het vertrek van buitenlandse troepen, ontwapening van gewapende groepen, de integratie van de RCD- en MLC-troepen in een nieuw Congolees leger en het sturen van een VN-vredesmacht. In de loop van 1999 bouwden alle buitenlandse mogendheden met uitzondering van Rwanda en Zimbabwe hun militaire aanwezigheid in Congo af. Ondanks het staakt-het-vuren ging de strijd tussen het regeringsleger en zijn bondgenoten en de door Rwanda en Oeganda gesteunde rebellengroepen door. De gevechten concentreerden zich in de provincie Kasai in Centraal-Congo, de provincie Ituri aan de grens met Oeganda en de Kivu-regio in Oost-Congo. Het meeste geweld speelde zich echter af ruim achter de frontlinies in de door rebellengroepen gecontroleerde gebieden. Duizenden mensen vonden bij aanhoudend geweld de dood en honderdduizenden sloegen op de vlucht of raakten ontheemd.
De uitvoering van het Lusaka-akkoord verliep in 2000 moeizaam. Milities werden niet ontwapend, buitenlandse troepen werden mondjesmaat teruggetrokken en het geweld hield aan. De komst van de VN-missie MONUC, die diende toe te zien op de wapenstilstand, werd door president Laurent-Désiré Kabila actief tegengewerkt. Rwanda en Oeganda, voorheen bondgenoten, voerden in mei en juni gevechten in Congo. Het nationale politieke debat dat volgens het Lusaka-akkoord gevoerd zou moeten worden, mislukte. In plaats daarvan vormde president Kabila zelf een parlement. De leden werden door Kabila benoemd of door een regeringscommissie geselecteerd. Etnische Hema en Lendu waren in 1999 slaags geraakt in de oostelijke provincie Ituri, voornamelijk door een conflict over graasrechten. Oegandese regeringstroepen en de door hen gesteunde rebellen van RCD-ML (vnl. Banyamulenge-Tutsi) raakten betrokken. In 2001 werd het conflict bijgelegd, nadat ca. 7000 burgers waren omgekomen en tienduizenden op de vlucht waren geslagen. Jean-Pierre Bemba, leider van een andere door Oeganda gesteunde rebellenclub, de MLC, bemiddelde bij de beëindiging van de strijd. Laurent-Désiré Kabila werd in januari 2001 vermoord door een van zijn lijfwachten. Zijn zoon Joseph Kabila volgde hem op. Deze liet weten ernst te willen maken met de uitvoering van het Lusaka-akkoord. Hij ontbond het parlement en hief het verbod op politieke activiteit op. Tevens erkende hij de door de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid benoemde oud-president van Botswana, Quett Masire, als bemiddelaar bij de uitvoering van het Lusaka-akkoord. In februari maakten strijdende partijen een aanvang met de terugtrekking van troepen achter het front, en in maart arriveerden de eerste troepen van MONUC. Ondanks het staakt-het-vuren werd er in 2002 vooral in Oost-Congo nog hevig gevochten. Desondanks werden in het Zuid-Afrikaanse Sun City gesprekken gevoerd over nationale verzoening tussen regering, de belangrijkste rebellengroepen RCD en MLC, en diverse niet-strijdende groeperingen. Er werd geen algemene overeenstemming bereikt. Dat gebeurde wel later, met een akkoord dat in december 2002 in Pretoria werd ondertekend door de regering, MLC en RCD. Het akkoord omvatte de vorming van een overgangsregering die verkiezingen diende voor te bereiden, en een regering met Kabila als president en vier vice-presidenten. De vice-presidenten vertegenwoordigden de regering, de RCD, de MLC en de niet-gewapende oppositie. Het akkoord was mogelijk geworden nadat Kabila overeenstemming had bereikt met Oeganda en Rwanda over terugtrekking van hun troepen uit Congo. Later trok ook Burundi zich terug, gevolgd door Kabila's bondgenoten Angola, Namibië en Zimbabwe. De VN-troepenmacht MONUC werd uitgebreid tot bijna 9000 militairen, en in 2004 tot 16 000. In april 2003 werd in het Zuid-Afrikaanse Sun City een akkoord bereikt tussen regering en rebellen over de vorming van een overgangsregering en een nieuwe, voorlopige grondwet. Er zou ook een nieuw nationaal leger gevormd worden, waarin leden van de rebellenbewegingen zouden worden opgenomen. Het conflict tussen Hema en Lendu laaide in 2003 weer in alle hevigheid op. Vooral om de stad Bunia in Ituri werd fel gevochten; de stad werd ingenomen door de door Hema gedomineerde rebellenbeweging UPC. In augustus werd een nieuw akkoord bereikt tussen Hema- en Lendumilities. De VN-Veiligheidsraad had in mei besloten tot het sturen van een interventiemacht naar Bunia, die geleid werd door Frankrijk. Kort daarop werd het mandaat van MONUC versterkt en verlengd. De VN verrichtte ook onderzoek naar illegale exploitatie van grondstoffen in Congo. Om het vredesproces niet te verstoren werd een deel van het rapport niet openbaar gemaakt, hetgeen wees op betrokkenheid van de strijdende partijen bij de illegale handel. Regeringstroepen in het oosten raakten in 2004 onderling slaags door conflicten tussen Kinshasagetrouwen en voormalige strijders van de RCD-Goma die in het leger waren opgenomen. De stad Bukavu werd in juni enige tijd ingenomen door de RCD-Goma. Volgens Kinshasa zat Rwanda achter de muiterij. In het gebied waren ook nog Hutumilities actief, de aartsvijanden van de vooral uit Tutsi bestaande RCD-Goma. Veel inwoners van de stad waren gevlucht; 150 Tutsi onder hen werden in augustus in een vluchtelingenkamp in Burundi vermoord. Het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag besloot in 2004 onderzoek te gaan doen naar genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Congo. De Congolese regering was bereid samen te werken met het Strafhof. UPC-leider Thomas Lubanga werd in 2006 als eerste uitgeleverd aan het hof; hij werd onder meer verdacht van verantwoordelijkheid voor de moord op negen VN-militairen uit Bangladesh in 2005. In december 2005 stemde een ruime meerderheid van de kiesgerechtigden in met een nieuwe grondwet. De constitutie diende de weg vrij te maken naar vrije verkiezingen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |