Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Congo [Kinshasa]

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 6 van 7

Congo [Kinshasa]

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag van Congo [Kinshasa]Vlag van Congo [Kinshasa]
Artikeloverzicht

5.4 Sinds de onafhankelijkheid

In mei 1960 werden in Kongo wetgevende verkiezingen gehouden, waarbij de MNC als sterkste partij uit de bus kwam. Na enig touwtrekken tussen Lumumba en Kasavubu werd laatstgenoemde door het parlement tot president verkozen, terwijl Lumumba een regering samenstelde, waarin vertegenwoordigers van de meeste partijen waren opgenomen. De soevereiniteit werd op de voorziene datum overgedragen in aanwezigheid van koning Boudewijn en van vertegenwoordigers van de Belgische regering, bij welke gelegenheid Lumumba het Belgische koloniale bestuur fel hekelde. Toen op 6 juli de legermacht aan het muiten ging, werd de uittocht van de blanken, die reeds sedert 1959 aan de gang was, tot een massale vlucht, waartoe de Belgische regering een luchtbrug inrichtte onder bescherming van ca. 10 000 naar Kongo gezonden soldaten. De Kongolese regering bestempelde dit optreden als een aanslag op de onafhankelijkheid en diende daarvoor bij de Verenigde Naties een klacht in. Deze vervingen de Belgische troepen door een VN-strijdmacht, samengesteld uit contingenten van Afrikaanse en Aziatische landen en van Ierland en Zweden.

5.5 Afscheiding Katanga

Gebruikmakend van de algemene verwarring, riep de minister-president van Katanga, Moïse Tsjombe, op 11 juli de afscheiding van die provincie uit; hij bleef een politiek van samenwerking met België voeren. De anarchie werd bevorderd door onderlinge twisten in de centrale regering. Op 14 september voerde de stafchef van het leger, Joseph-Désiré Mobutu, een staatsgreep uit. Lumumba vluchtte uit Leopoldstad, werd op 1 december gearresteerd (wat aanleiding gaf tot de vorming van een tegenregering door A. Gizenga in de Oostprovincie) en werd in februari 1961 onder niet opgehelderde omstandigheden in Katanga vermoord, waarop de Sovjet-Unie en andere landen Gizenga's regering erkenden. Op een conferentie te Tananarive (thans Antananarivo) op Madagaskar in maart 1961 besloten Tsjombe en andere leiders tot het omzetten van Kongo in een confederatie van zelfstandige staten. Elk centraal gezag leek ten onder te gaan, maar nadat het parlement in juli Adoula tot minister-president had aangewezen, verzoende Gizenga zich met diens regering en ondernam de VN-troepenmacht in september 1961 en in januari 1963 acties, waardoor de afscheiding van Katanga ongedaan werd gemaakt. Pogingen van Tsjombe, die in juli 1964 Adoula opvolgde, om een algemene verzoening tot stand te brengen, faalden en hadden daarentegen een nieuwe opflakkering van opstanden in het oosten en noordoosten onder de Lumumbisten tot gevolg. Daarop rekruteerde Tsjombe blanke huursoldaten, die met succes een offensief tegen de rebellen inzetten. Teneinde talrijke in het opstandige gebied verblijvende blanken, die door de rebellen als gijzelaars werden vastgehouden en met uitmoording bedreigd waren, te ontzetten, volgde op 24 november 1964 een bevrijdingsactie in Stanleystad (thans Kisangani) en andere plaatsen door Belgische parachutisten, waarna de opstand verzwakte.

Het succes van Tsjombes beleid ten opzichte van de opstand en van enig economisch herstel verwekte echter steeds meer de naijver van Kasavubu, terwijl Tsjombe zelf het presidentschap ambieerde, waarvan de macht in de nieuw ontworpen grondwet aanzienlijk was uitgebreid. Tsjombe werd in oktober 1965 door Kasavubu ontslagen en Kimba tot minister-president benoemd, maar deze kon in het parlement geen meerderheid vinden.

5.6 Staatsgreep Mobutu

Daarop eigende Mobutu zich op 24 november 1965 door een nieuwe staatsgreep alle regeringsmachten toe, zette hij Kasavubu af en riep zichzelf tot president uit. Een nieuwe, op zijn initiatief opgestelde grondwet, waardoor het centraal gezag aanzienlijk, ten koste van de provinciale besturen, werd versterkt, werd in juni 1967 door een plebisciet, waarbij de vrouwen voor de eerste maal stemrecht genoten, goedgekeurd. De grondwet verbood de politieke partijen en maakte de Mouvement Populaire de la Révolution (MPR) tot de enig toegestane politieke groepering. Een aantal politieke tegenstanders werd na een schijnproces opgehangen (Pinksteren 1967). Later gingen echter blanke huurlingen, misnoegd over het achterwege blijven van betaling, in het oosten van Kongo aan het muiten en maakten zich, onder leiding van J. Schramme, meester van Bukavu, waar zij eerst op 5 november uit verdreven konden worden. De opstand van de huurlingen gaf weer aanleiding tot excessen tegen Europeanen, vnl. Belgen. De regering Mobutu streefde er tevens naar op economisch gebied meester in eigen land te worden. In 1966 werden de bestaande concessies van gronden en mijnen herzien, de Union Minière ‘gekongoliseerd’ en haar bedrijven in 1967 aan een Société Générale Congolaise des Minérales (Gécomines, later Gécamines) overgedragen.

In 1970 werden de eerste presidentsverkiezingen gehouden, waarbij Mobutu werd gekozen. Op 27 oktober 1971 werd de naam van het land officieel gewijzigd in Zaïre. De politiek van zaïrisering werd voortgezet en in 1973 werden alle buitenlandse ondernemingen genationaliseerd, een beleid dat enkele jaren later door de steeds verslechterende economische situatie alweer ongedaan gemaakt moest worden.

5.7 Groeiende oppositie tegen Mobutu

Het regime van Mobutu, dat krachtig gesteund werd door een aantal westerse industrielanden, stuitte evenwel op binnenlandse tegenstand en in 1977 deden guerrillatroepen van het Kongolese Nationale Bevrijdingsfront (FLNC) vanuit Angola een aanval in de provincie Shaba (het vroegere Katanga). De guerrillatroepen bestonden vnl. uit de ex-gendarmes van Tsjombe. Met steun van de Verenigde Staten, Frankrijk en België gelukte het Mobutu de opstandelingen te verdrijven. Uitvoerige zuiveringen in het overheidsapparaat en de legerleiding volgden. In mei 1978 trokken opnieuw FNLC-troepen de provincie Shaba binnen. Ook nu moesten buitenlandse mogendheden ingrijpen en pas na luchtlandingen van Franse en Belgische para's konden de opstandelingen verdreven worden en werd een Interafrikaanse troepenmacht in het gebied gestationeerd.

Het ingrijpen van de westerse landen werd met name in het Oostblok scherp gekritiseerd en in hetzelfde jaar verbrak Zaïre de betrekkingen met de Sovjet-Unie. Wel werden onder druk van de westerse landen en na het aanbieden van uitgebreide financiële en militaire hulp de betrekkingen met Angola weer aangeknoopt en werden verdragen gesloten met Ghana, Senegal en Zambia. De slechte economische situatie en de steeds weer opduikende geruchten over de slechte behandeling van politieke tegenstanders, de grootscheepse corruptie van Mobutu en zijn naaste medewerkers en familie deden de naam van het regime geen goed. In 1979 bleek de buitenlandse schuldenlast zo hoog opgelopen, dat het IMF moest ingrijpen en strenge voorwaarden moest stellen voor nieuwe financiële hulp.

Mobutus autocratische bewind bleef in binnen- en buitenland blootstaan aan groeiende kritiek, vanwege schendingen van mensenrechten, corruptie en economisch wanbeleid. Hij wist zich echter staande te houden door voortdurende reorganisaties van regering en partij en door behendig politiek laveren. In 1986 tekende Zaïre een grensverdrag met Zambia en een samenwerkingsovereenkomst met Angola. Met België kwam Mobutu op gespannen voet te staan, vooral na het bloedbad dat de presidentiële garde in 1990 onder studenten op de universiteit van Lubumbashi aanrichtte. België schortte zijn hulp op en zag af van kwijtschelding van oude schulden. Pas in 1992 vond een verzoening tussen beide landen plaats, die tot gevolg had dat de hulp weer werd hervat.

In 1991 kwam een Nationale Conferentie bijeen, waarin de oppositiepartijen, verenigd in de ‘Heilige Unie’, zich op een nieuwe grondwet gingen voorbereiden. Mobutu zag zich ten slotte na onlusten gedwongen de voorman van deze coalitie, Tshisekedi, tot premier te benoemen. De bevoegdheden tussen president en premier waren niet scherp afgebakend, zodat de bestuurlijke crisis voortduurde. In maart 1993 benoemde Mobutu Faustin Birindwa tot premier. Tshisekedi verwierp de benoeming onmiddellijk en weigerde zijn premierschap op te geven. Mobutu raakte door dit alles internationaal steeds meer geïsoleerd.

5.8 Vluchtelingen uit Rwanda

Met de toelating van politieke partijen in 1991 escaleerde de politieke verwarring. Een oplossing voor de politieke impasse leek in januari 1994 dichterbij gekomen door een overeenkomst tussen de presidentiële stroming (FPC) en de ‘Heilige Unie’, waarin de belangrijkste oppositiegroepen waren vertegenwoordigd. Onder de naam Hoge Raad van de Republiek-Overgangsparlement (HCR-PT) werden de twee rivaliserende, presidentiële en oppositionele politieke organen samengevoegd onder het voorzitterschap van mgr. Laurent Monsengwo, de aartsbisschop van Kisangani.

In juni 1994 koos de HCR-PT met een geringe meerderheid Leon Kengo wa Dondo tot premier. Kengo was de leider van de gematigde oppositiepartij URD, die in mei uit de oppositionele USOR was gezet. De tot de USOR behorende UDPS waarvan de partijleider, Etienne Tshisekedi, sinds 1992 in binnen- en buitenland als de wettige premier werd gezien, boycotte na de verkiezing van Kengo voor korte tijd de HCR-PT. De toevloed van meer dan een miljoen vluchtelingen uit het naburige Rwanda en de organisatie van hun opvang hadden de internationale rehabilitatie van president Mobutu tot gevolg. In de vluchtelingenkampen heersten anarchie en geweld, vooral veroorzaakt door de Hutu-moordeskaders die voor het nieuwe bewind in Rwanda waren gevlucht.

In mei 1995 maakte de regering bekend dat de parlements- en presidentsverkiezingen die voor juli waren gepland, voor onbepaalde tijd werden uitgesteld, o.m. omdat de nieuwe grondwet nog niet was goedgekeurd. Het uitstel wekte vooral verzet op in Shaba, waar velen een federale staat nastreefden. In juli werd mgr. Monsengwo afgezet als voorzitter van de HCR-PT en niet vervangen. Onderhandelingen over een regering van nationale eenheid liepen op niets uit. Premier Kengo kondigde een bezuinigingsprogramma af in een poging de inflatie van 8500% per jaar te bedwingen.

Zaïre en Rwanda kwamen in 1996 overeen Rwandese vluchtelingen te repatriëren. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR sprak zich uit tegen gedwongen repatriëring. Intussen probeerden de Rwandese Hutu-milities in samenwerking met Zaïrese Hutu’s hun positie te consolideren rond de vluchtelingenkampen in Zaïre, waarbij duizenden doden vielen en tienduizenden op de vlucht sloegen. Door de opmars van het rebellenleger onder leiding van Laurent-Désiré Kabila in Oost-Zaïre verloren de Hutu-milities hun greep op de Rwandese vluchtelingen en in november stroomden zo’n 600 000 Hutu’s uit de vluchtelingenkampen terug naar Rwanda. De Hutu-milities trokken het binnenland van Zaïre in.

Vorige
| | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum