![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Congo [Kinshasa] |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 5 van 7
Congo [Kinshasa]Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
Centrale Bank is de ‘Banque du Congo’. Er zijn een tiental handelsbanken en een ontwikkelingsbank: de Société Financière de Développement (SOFIDE).
Van groot belang is het spoorwegnet (5138 km), dat als aanvulling op het uitgestrekte waterwegennet werd aangelegd en geëxploiteerd wordt door de Société Nationale de Chemins de Fer Zaïrois (SNCZ). Het wegennet is groot (145 000 km) maar merendeels onverhard (ca. 85%) en in slechte staat. Waterwegen met een (bevaarbare) lengte van 13 700 km vormen de belangrijkste transportroutes. Belangrijkste rivier is de Congorivier, die over ca. 1600 km bevaarbaar is. Matadi, Boma en Banana zijn de grootste havens. Internationale luchthavens zijn er in Kinshasa (Ndjili), Lubumbashi (Luano), Goma, Bukavu en Kisangani. Daarnaast beschikt het land over een groot aantal kleinere luchthavens, die gebruikt worden door de nationale luchtvaartmaatschappij.
Voor de komst van de Europeanen bevonden zich op het grondgebied van het huidige Congo enige koninkrijken, waarvan die van de Kongo, de Kuba en de Luba de bekendste waren. De monding van de Congorivier werd in 1482 ontdekt door de Portugees Diego Cão, die haar voor zijn land in bezit nam. De Portugezen stelden tot in de 19de eeuw belang in het inheemse koninkrijk Kongo, dat aan de benedenloop van de stroom, merendeels op thans Angolees gebied, was gelegen. Eerst in de 19de eeuw begon de verkenning van het binnenland vanuit de Afrikaanse oostkust en de Boven-Nijl. In 1832 ontdekten de Portugezen Monteiro en Gamitto de Lualaba, in 1857 de Britten Burton en Speke het Tanganyikameer; de streek ten westen daarvan werd in 1866 vv. door Livingstone verkend, terwijl Schweinfurt in 1870 de Uele, en Cameron in 1875 de bovenlopen van de Lomami en de Kasai ontdekten. Beslissend was de tocht van Stanley, die vanaf oktober 1876 de Lualaba afvoer en in augustus 1877 de monding van de Congorivier bereikte.
Door de ontdekkingen werd de belangstelling voor het gebied in Europa gewekt, m.n. van de Belgische koning Leopold II, die in de daaropvolgende jaren expedities financierde en uiteindelijk de Onafhankelijke Kongostaat stichtte, die hij als zijn persoonlijk eigendom bestuurde (zie België § 8.10).
In 1908 werd de Onafhankelijke Kongostaat officieel een kolonie van België: Belgisch Kongo. In het begin van de Eerste Wereldoorlog openden de Duitsers op beperkte schaal vijandelijkheden. Kongolese troepen namen daarop deel aan de verovering van de Duitse kolonies Kameroen (1915–1916) en Oost-Afrika (1916–1917). De jaren twintig waren een periode van grote vooruitgang van de kolonie. De inheemse bevolking werd door de overheid tot een progressiever landbouw gebracht, terwijl van Belgische zijde de aanleg van plantages voor de cultuur van rubber, katoen, koffie en palmbomen, alsook de mijnbouw sterke impulsen kregen. Een net van spoor- en straatwegen kwam tot stand. De economische crisis van de jaren dertig onderbrak die economische opgang, maar niet het sociale en culturele werk, nl. de opening van ziekenhuizen en scholen, waarvoor van begin af aan de missie en zending zich hadden ingespannen. Een sterke trek naar de steden, vnl. Leopoldstad (thans Kinshasa) en Elisabethstad (thans Lubumbashi), begon zich af te tekenen, die de patriarchale samenhang van de inheemse gemeenschappen van weleer ondermijnde. Na de capitulatie van het Belgische leger in de Tweede Wereldoorlog (28 mei 1940) bleef Kongo, onder verantwoordelijkheid van gouverneur-generaal Ryckmans en de minister van Koloniën De Vleeschauwer, aan de zijde van de geallieerden, aan wie het o.a. door levering van grondstoffen kostbare steun verleende. Eenheden van het koloniale leger werden ingezet tegen de Italianen in Ethiopië in de lente van 1941. De oorlog had in de kolonie de welvaart aanzienlijk verhoogd, niet alleen onder de blanke bevolking, die door immigratie na 1945 snel toenam, maar ook onder de inheemsen. Bij dezen had dit o.a. tot gevolg dat het schoolbezoek, ook voor voortgezet onderwijs, toenam, hetgeen een kleine intellectuele en maatschappelijke bovenlaag van inlanders deed ontstaan, die een zeker politiek bewustzijn ging ontwikkelen en o.a. onder de indruk van de liberalisatie van de koloniale verhoudingen in Frankrijk op staatkundige medezeggenschap aandrong. Daaraan werd enigszins tegemoet gekomen door een bestuurshervorming, die in 1957 de benoeming van inheemsen in de adviesraden op verschillend niveau mogelijk maakte en verkozen gemeenteraden in de grotere centra instelde. Naar aanleiding daarvan organiseerden zich politieke partijen, die merendeels op stamverwantschap steunden, o.a. de Abako, onder leiding van Joseph Kasavubu en de MNC (Mouvement National Congolais) onder leiding van Patrice Lumumba, die spoedig volledige onafhankelijkheid eisten. Nadat onlusten te Leopoldstad waren uitgebroken op 4 januari 1959, stelde de Belgische regering verkiezingen, successievelijk voor gemeente-, gewestelijke, provinciale en nationale raden in een nabij, en de onafhankelijkheid in een verwijderd vooruitzicht. Maar de situatie verslechterde; een rondetafelconferentie te Brussel (20 januari – 20 februari 1960) willigde vrijwel alle eisen van de Kongolese afgevaardigden in en besloot tot onafhankelijkheid van de Belgisch Kongo per 30 juni 1960, wat door de wetgevende Kamers werd goedgekeurd.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |