Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
IJsland (officieel: Lýðveldið Ísland), republiek op het gelijknamige eiland in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, dat geografisch tot Europa wordt gerekend; 103 000 vierkante kilometer (1998 reëel) (incl. de omliggende eilanden) met 304 367 (2008 schatting) inwoners; 3 personen per vierkante kilometer (2008 schatting). De hoofdstad is Reykjavík. Nationale feestdag is 17 juni (Onafhankelijkheidsdag, 1944). Munteenheid is de IJslandse kroon (ikr), onderverdeeld in 100 aurar. De internetlandcode (TLD) is is. IJsland was tot 1944 bestuurlijk verbonden met Denemarken. Veehouderij, visserij en visverwerking zijn de belangrijkste economische sectoren van het welvarende land. IJsland is lid van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), dat samen met de landen van de Europese Unie de zogeheten Europese Economische Ruimte vormt.
Het gehele eiland bestaat uit een gemiddeld 400–800 m hoog plateau, waarop zich een aantal schilden, tafelvormige verheffingen en vulkanische kegels bevindt. Slechts ca. 7% van de oppervlakte bestaat uit laagland. Het vrijwel onbewoonde centrale deel van de hoogvlakte bestaat vnl. uit lava- en gletsjervelden (ca. 11 500 km2). Van deze laatste is de Vatna-Jökull in Oost-IJsland de belangrijkste; hij vormt een ijskap van ca. 8400 km2 en zendt naar vele richtingen gletsjertongen uit. Aan de voet heeft het smeltwater, vooral in het zuiden, grote massa's gletsjerpuin opgehoopt (zgn. sandr), doorstroomd door talloze riviertjes met sterk veranderlijke loop. De vulkaankegel Öræfa-Jökull (2119 m hoog) in dit massief is het hoogste punt van IJsland. Kleinere ijskappen worden gevormd door de Hofs-Jökull, Lang-Jökull, Myrdals-Jökull, Godalands-Jökull, Eyriks-Jökull en Glama-Jökull. De zuidkust is weinig geleed, de noordkust is door fjorden diep ingesneden (Skjálfandi; Eyjafjörður, Skagafjörður), evenals het grote schiereiland in het noordwesten (Isafjörður). De lengte van de totale kustlijn bedraagt 5950 km. In geologisch opzicht behoort IJsland noch tot Europa noch tot Groenland, maar wordt het beschouwd als een zich boven zeeniveau verheffend deel van de Midden-Atlantische Rug. Het bestaat bijna geheel uit basische plateaubasalten, die in een oudere en een jongere groep zijn te onderscheiden. De oudere omvat vrijwel de gehele ondergrond van het plateau en bestaat uit een opeenvolging van lagen basalt, afgewisseld met dunne lagen vulkanische as en lateritische verweringsproducten, hetgeen wijst op talrijke lava-uitvloeiingen. Blijkens de aangetroffen plantenresten dateren deze lagen uit het vroeg-Tertiair (Eoceen) met een gemiddelde jaartemperatuur van minstens 9°C (thans aldaar 2 °C). De jongere groep omvat gesteenten uit het Plioceen tot recent en bestaat uit geconsolideerde vulkaanas, mariene schelplagen en lava. Daartussen komen ook glaciale afzettingen voor. Door het asymmetrisch opgebouwde eiland loopt van zuidwest naar noordoost de 40–100 km brede, halfweg en-échelon versprongen Centrale Slenk. Deze bevat talrijke openstaande, oppervlakkige rekbreuken (IJsl.: gjár), alsook verreweg de meeste jongere ‘centrale’ en spleeterupties. In tegenstelling tot het westelijke en middengedeelte, dat typisch een oceanisch eiland vormt, bezit het kleinere oostdeel een continentaal substratum. Seismisch is bewezen dat de complexe slenk vrij ondiep is met slechts ca. 1 km verticaal verzet en minder dan 2 km laterale verbreding (aanzienlijk minder dan de zijwaartse spreiding van de oceaanbodem aan weerszijden van de Reykjanes Rug). Vulkanisme is op IJsland in verschillende vormen sterk ontwikkeld, en wel: a. in de vorm van ca. 25 schildvulkanen, meestal uitgedoofd (zgn. dyngjur); b. in de vorm van grotere en kleine stratovulkanen, waarvan de Hekla de belangrijkste nog werkende vulkaan is (uitbarsting in 2000); c. als spleeteruptie (o.a. de 30 km lange Laki-spleet, 1783); d. als slijkvulkanen en fumarolen. Ook onder de zeespiegel hebben vaak vulkanische uitbarstingen plaats, evenals onder de gletsjers, waarbij de gloeiende lava zich een weg door het ijs boort. Het aantal vulkaanuitbarstingen is in de loop der historie zeer groot geweest. In de jaren 1964–1965 ontstond door onderzeese vulkanische uitbarstingen ten zuiden van IJsland het nieuwe eiland Surtsey. Bij een spleeteruptie in jan. 1973 op het eiland Heimaey (grootste eiland van de groep Vestmannaeyjar, ca. 15 km ten zuiden van IJsland) ontstond een nieuwe, ruim 200 m hoge vulkaan. In 1996 en 1998 vonden er grote vulkaanuitbarstingen plaats onder de Vatna-Jökull-gletsjer. De talrijke solfataren, fumarolen en spuitende heetwaterbronnen (geiser) vormen een begeleidend verschijnsel van het vulkanisme; de grootste hiervan is de Stóri Geysir (‘grote spuiter’), ca. 80 km ten noordoosten van Reykjavík. De vulkaan Hekla kwam eind februari 2000 tot uitbarsting. De vulkaan bevindt zich in een dunbevolkt gebied zodat de uitbarsting geen grote schade aanrichtte. Bij de vorige eruptie, in 1991, werd er over bijna heel Europa vulkanische as verspreid. Op 21 juni 2000 veroorzaakten zware aardschokken schade in de regio rond Reykjavík. Het aantal rivieren en meren is groot, maar door het doorlatende karakter van de grond is de waterstand zeer ongelijk; ze zijn grotendeels onbevaarbaar. De langste rivier is de Thjórsá (230 km), de waterrijkste de Ölfusá. Watervallen zijn talrijk (Gullfoss, 31 m; Dettifoss 44 m). Van de vele meren is Thingvallavatn (82 km2, 114 m diep) het grootste; Mývatn (38 km2, 4,5 m diep) is een van de mooiste. De wijde baaien aan de westkust, Faxaflói en Breiðafjörður, alsmede enige brede fjorden aan de noordkust ontstonden vermoedelijk door verzakking, dit in tegenstelling tot de vele smalle fjorden van het noordwestelijke schiereiland en een aantal in het oosten (uitstekende havens), die in hoofdzaak gevolgen van erosie zijn.
De zomers zijn koel en de winters relatief mild als gevolg van de invloed van de Golfstroom en de iets koelere Groenlandstroom. Wolken, mist en neerslag (op veel plaatsen in het zuiden meer dan 2000 mm per jaar, op de gletsjers tot 6000 mm, in het noorden tussen 300 en 500 mm) komen het hele jaar door voor. De warmste maand is juli (aan de kust 9–11 °C), de koudste januari (in het zuiden 0 °C, in het noorden en oosten -2 °C tot -6 °C). Het absolute maximum is 30 °C, het absolute minimum -38 °C. De gemiddelde jaartemperatuur in Reykjavík is 4,3 °C, op Vestmannaeyjar ca. 6 °C. Op 29 april 2007 werd in het noordoosten van IJsland een recordtemperatuur gemeten van 23 graden Celsius. De gemiddelde waarde in april lag op 5 graden. Aangenomen werd dat deze temperatuur samenhing met de opwarming van de aarde.
IJsland heeft, dankzij de Golfstroom, van alle arctische landen de meeste zomerwarmte en de flora telt dan ook ruim 450 hogere planten. Vele arctisch-alpine soorten komen nabij de sneeuwgrens (865 m) op geheel IJsland voor, zoals Loiseleuria procumbens, Dryas octopetala, Bartsia alpina, Salix herbacea, Juncus trifidus, Saxifraga stellaris, Silene acaulis; opvallend is dit vooral bij soorten die overigens slechts een zeer beperkt areaal hebben, zoals Gentiana tenella en Carex microglochin. Merkwaardig is dat vele arctische tot subarctische (niet tevens alpine) soorten op IJsland juist veel sporadischer zijn dan in Scandinavië, bijv. Zweedse kornoelje, Phyllodoce coerulea, Diapensia lapponica, uitzonderingen hierop zijn de op IJsland algemene Cassiope hypnoides en Gentiana detonsa. Het relatief zachte klimaat maakt ook aan een aantal relatief zuidelijke soorten het leven mogelijk, zoals bosaardbei, muurpeper en aan een reeks water- en moerasplanten in de omgeving van de warme bronnen. De subarctische berk Betula tortuosa komt op geheel IJsland voor en deze berk bereikt alleen in het zuidoosten een hoogte van enkele meters; elders is slechts sprake van struweel, mede bestaande uit wilde lijsterbes, Salix lanata en S. phylicifolia, tot ca. 450 m zeehoogte. Overigens bestaat de vegetatie uit subarctische heiden (met struikheide, bosbessoorten en berendruif), schrale graslanden, moerassen en sneeuwdalvegetaties. In uitgestrekte gebieden in het binnenland groeien slechts mossen en lichenen. Langs de kust komt zoutvegetatie voor met o.a. Engels gras, Mertensia maritima, en de subarctische Puccinellia coarctata (doch zonder Juncus gerardii).
© 1993-2009 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2009 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |