![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 3
wijsbegeerteEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Algemeen; 2. Begripsbepaling en indeling; 3. Geschiedenis van de moderne wijsbegeerte
Vertrekkend uit de hegeliaanse positie is er een radicalisering van de wijsbegeerte in Duitsland (jong-hegelianen, Feuerbach, Marx, Engels, en later Nietzsche), zowel in godsdienstig als in maatschappelijk opzicht. Daarnaast blijft zich de filosofie binnen de universitaire kaders bewegen zonder veel belangrijke figuren op te leveren. Evenals in Duitsland blijft ook in de andere landen de filosofie zich geïsoleerd binnen het eigen taalgebied ontwikkelen; in Frankrijk ontstaat het positivisme door toedoen van Comte en later de wetenschapsfilosofie; in Engeland wordt de empiristische lijn voortgezet (John Stuart Mill), waarnaast een enigszins hegeliaans idealisme zich handhaaft. In Nederland oriënteert men zich meestal op Duitsland, maar ook op het Engelse empirisme (Opzoomer); in België oriënteert men zich op Frankrijk.
Op het einde van de 19de eeuw begint zich in Duitsland een nieuwe ontwikkeling af te tekenen, waarbij men weer teruggrijpt op de periode rond 1800 (vooral op Kant en later ook op Hegel). Het katholicisme manifesteert zich in de filosofie door een teruggrijpen op Thomas van Aquino (neothomisme). Naast deze vruchtbare herlevingen op grond van de traditie ontstaat er in de Angelsaksische filosofie een vernieuwing door het pragmatisme (Peirce, James, Dewey). De 20ste eeuw wordt dan vooral gekenmerkt door het ontbreken van een gemeenschappelijke wijsgerige achtergrond en door het bestaan van zeer uiteenlopende, vaak elkaar fel bestrijdende stromingen, zoals het neokantianisme (Cassirer, Hartmann); de fenomenologie (Brentano, Husserl, Scheler); de existentiefilosofie (Heidegger, Jaspers, Sartre); het neomarxisme en de dialectische filosofie (Bloch, Lukács, Marcuse, Habermas); het neopositivisme van de Wiener Kreis (Carnap, Popper) en van Wittgenstein, Russell, Ayer; de analytische filosofie (Moore, Wittgenstein, Ryle); het structuralisme (Lévi-Strauss, Foucault). Een van de belangrijkste twistpunten is, of de filosofie zich moet beperken tot logisch controleerbare, wetenschappelijk verifieerbare uitspraken, óf zich juist met levensproblemen en diepere, metafysische achtergronden moet bezighouden. Steeds meer is men er echter van overtuigd dat van de filosofie een kritische bezinning op de waarden van onze samenleving wordt gevraagd en op het functioneren van de wetenschappen daarin.
Ongetwijfeld was het postmodernisme aan het eind van de 20ste eeuw de meest spraakmakende stroming, ook al was de invloed ervan buiten de filosofie (in de geesteswetenschappen, de kunstwereld en religie) veel groter dan erbinnen. Postmodernisme was, kentheoretisch gezien, sceptisch (waarheid is niet echt bereikbaar) en ethisch-politiek een vorm van relativisme (waarden zijn uiteindelijk niet fundeerbaar, en daarmee verliezen ook normen aan kracht). Prominente Franse denkers, onder wie Foucault, Derrida en Baudrillard, en de Amerikaan Rorty hebben ieder op een eigen manier de teloorgang van waarheid en waarden als erkend filosofisch ideaal gediagnosticeerd. Lyotard benoemde dit afscheid van de Verlichtingsidealen, oftewel van de Moderniteit, vanuit de filosofie als 'postmodernisme' (Jencks deed het daarvoor binnen de architectuur, anderen binnen de letteren). Lyotard legde een waas van eenheid over uiteenlopend gedachtegoed. Waar kwam deze diagnose op neer? Vanuit het mensenverslindende geschiedenisverloop van de 20ste eeuw is scepsis geboden ten opzichte van de pretenties en geldingskracht van wetenschap en filosofie. Dit geldt vooral de aanspraken op waarheid, rationaliteit en het morele subject. Door de grote rol van tekst en gesproken woord in de westerse samenleving zijn, ongelukkig genoeg, quasi-vanzelfsprekendheden en inconsistenties 'ingedaald' in onze cultuur; zij zitten verstopt in overheersende begrippen, motto's, denkwijzen en zegswijzen. Deze dienen kritisch gedeconstrueerd te worden. In de afgelopen 20ste eeuw heeft bovendien een pragmatisch (op effect in plaats van op waarheid en theorie gericht), relativistisch modeldenken het roer overgenomen binnen alle kennisverwerving. Op het terrein van de samenleving hebben fascisme, nazisme en communisme en de atomaire militaire technologie het vertrouwen ondermijnd in het bestaan van universeel geldende, fundamentele menselijke waarden. Voorzover nog geldend of werkzaam ontberen deze een mondiale of zelfs brede basis. De esthetische dimensie van de cultuur onderging daarentegen een sterke opwaardering: verlies aan gelding van de 'inhoud' werd gecompenseerd door meer genieten van de 'vorm'. Heel wat hedendaagse filosofen tekenden tegen deze postmoderne diagnose verzet aan. Overtrokken relativisme en scepticisme bijten zichzelf nu eenmaal in de staart (relativisme zelf gerelativeerd). Aandacht voor het milieu was sinds 1971 toch een mondiaal erkend thema geworden. Armoede als verschil tussen 'noord' en 'zuid' ontmoette niet meer uitsluitend onverschilligheid in de ontwikkelde landen. Op kentheoretisch gebied heeft een gematigd-realistisch constructivisme de overhand gekregen in plaats van wanhoop aan alle geldige kennis (vruchtbare denkconstructies en modellen zijn wel voorlopig maar niet willekeurig). Vergelijkende zintuigfysiologie van insecten, dieren en mensen bood groeiend inzicht in de betrekkelijkheid van 's mensen waarnemeningsvermogen, maar navenante research over het brein leerde ook veel over de wonderlijke reikwijdte van ons centraal zenuwstelsel. Wijsgerige kenleer werd steeds constructivistischer. Filosofie, anders dan de gewone disciplines een metawetenschap, kreeg eind 20ste eeuw ook krachtige impulsen vanuit de samenleving en de opmars van de technologie. Vooral de medische en de biotechnologie dwongen een heroriëntatie in de ethiek af. De schaarste aan medische zorg en de vergrijzing forceerden een problematische selectie van patiënten. DNA-technologie dwong tot nadenken over 'voorttelen in het mensenpark' (Peter Sloterdijk). Foucaults kritische motto 'de mens is een moderne uitvinding' (hij doelde op de late 18de eeuw als start daarvan) werd steeds meer bewaarheid. Het Humaan Genoom Project in de genetica riep opnieuw antropologische vragen op over de veronderstelde uniekheid van de mens. Dat na beëindiging van de Koude Oorlog het er in de moderne wereld vreedzamer aan toe zou gaan, werd gelogenstraft door plotseling uitbarstende oorlogen, etnische zuivering en genocide in Afrika, de Balkan, het Midden-Oosten. Agressie en destructiviteit lijken dieper in het species mens te wortelen dan het 'grote verhaal' over beschaving en humanisme suggereerden.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |