![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 3
wijsbegeerteEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Algemeen; 2. Begripsbepaling en indeling; 3. Geschiedenis van de moderne wijsbegeerte
Een exact beginpunt van de moderne wijsbegeerte is niet vast te stellen omdat over het begin van de eerste periode, de renaissance, zeer uiteenlopende opvattingen bestaan. Filosofisch gezien kan men Nicolaas van Cusa (15de eeuw) als de eerste grote vertegenwoordiger van de moderne wijsbegeerte beschouwen. Met Giordano Bruno eindigt de renaissancefilosofie, waarna vanaf ca. 1600 de tijd van de grote systemen begint (o.a. Descartes, Spinoza, Leibniz). Deze gaat over in de Verlichting, die men soms al in de 17de eeuw laat beginnen, maar die in elk geval de 18de eeuw bestrijkt. Omstreeks 1800 begint daarnaast de ontwikkeling van het Duitse idealisme (van Kant tot Hegel). De 19de eeuw is enerzijds gekenmerkt door een voortgaan op de periode rond 1800, anderzijds door een gescheiden ontwikkeling in de verschillende landen (vooral Duitsland, Engeland en Frankrijk). In de 20ste eeuw herkrijgt de wijsbegeerte vanaf de periode tussen de twee wereldoorlogen haar internationaal karakter en beleeft zij een grote bloei in enkele stromingen als existentialisme en neopositivisme. Uitgesproken vruchtbare perioden in de moderne wijsbegeerte zijn derhalve: de eerste helft van de 17de eeuw, de tijd rond 1800 en de tijd rond 1930.
Met het losmaken van de wijsbegeerte uit de theologie gingen gepaard a. een teruggrijpen op de Griekse filosofie, naar vorm en inhoud, en b. een bemoeienis met (natuur)wetenschappelijke problemen. Zo kan men binnen de renaissance resp. een humanistische en een natuurwetenschappelijke stroming onderscheiden. Beide beginnen in Italië in de 15de eeuw, met als voornaamste centra Florence en Padua en met als belangrijkste filosofen: Nicolaas van Cusa (Duitser, maar vooral in Italië werkend), Ficinus, Pico della Mirandola, Pomponazzi en Valla. Een van de belangrijkste thema's was de plaats van de mens in de kosmos, waarbij vooral de onderlinge samenhang van individu en totaliteit werd benadrukt. Hoogtepunt én afsluiting van deze Italiaanse periode is ten tijde van Bruno (16de eeuw). In het overige West-Europa begon de renaissancefilosofie pas in de 16de eeuw, met een enigszins andersoortige thematiek: daar lag de nadruk veel meer op concrete levensproblemen dan op natuurfilosofische en metafysische speculaties (Erasmus, Lips, Montaigne). Ook werd getracht de filosofie weer voor theologische systeembouw te gebruiken (Melanchthon, Suarez).
Toen de betekenis van de nieuwe natuurwetenschap goed doordrong, ontstond voor de filosofen de behoefte deze in verbinding te brengen met de wijsbegeerte, en het natuurwetenschappelijk onderzoek van een wijsgerig fundament te voorzien. Dit gebeurde vooral bij Descartes (in de continentale filosofie daarom meestal geldend als ‘de vader van de moderne wijsbegeerte’) en bij Francis Bacon (in Engeland als het begin der moderne wijsbegeerte beschouwd). Richtte de aandacht van deze filosofen zich vooral op de methode, latere 17de-eeuwse filosofen hebben getracht de wereld in één omvattende visie te begrijpen. Hierbij zijn twee verschillende tendensen waar te nemen: een materialistische en een spiritualistische, resp. vertegenwoordigd door Gassendi en Hobbes, en door Spinoza, Geulincx, Malebranche en Blaise Pascal. Hierbij werden onderzoekingen naar de grondslagen van de moraal en de inrichting van de staat betrokken. In Engeland bleef de empiristische traditie zich sterk ontwikkelen (Locke, Berkeley) naast het continentale rationalisme (Bayle). Leibniz trachtte een synthese te vormen van empirisme en rationalisme, waarbij hij een al te rationele scepsis en een te ver doorgevoerd empirisme bestreed. Zijn totaalvisie blijft echter fragmentarisch.
Hoofdkenmerk van deze periode is het vertrouwen in de mogelijkheden van de mens en vooral van zijn rede. Alles wat onredelijk is, kan en moet worden afgeschaft. Autoriteitsgeloof, vooral op het terrein van godsdienst en moraal, wordt fel bestreden. In Engeland begint de Verlichting met moraalfilosofie (Shaftesbury, Bentham, Mandeville) en met redelijk verantwoorde godsdienst (Toland, Cherbury). In Frankrijk trekt men scherpere consequenties, die leiden tot materialisme en atheïsme. Het filosoferen wordt er niet zozeer door enkele beroemde grote figuren beheerst, maar gebeurt in min of meer vaste groepen, waarvan die om de Encyclopédie de bekendste was (Diderot, d'Alembert, Holbach). In Duitsland ten slotte komt de Verlichting vooral tot uiting in geheel redelijk-systematisch opgebouwde filosofie (Wolff). Als tegenstroom begint in deze periode de romantiek (Herder, Rousseau). Aan het eindpunt van de Verlichting staan als baanbrekers van de huidige wijsbegeerte Hume en Kant.
In Kants filosofie komen alle lijnen van de voorafgaande filosofische richtingen samen. Zijn filosofie vormt een synthese van empirisme, rationalisme, materialisme en spiritualisme, evenals van romantiek en Verlichtingsfilosofie. In zijn voetspoor heeft het Duitse idealisme (Fichte, Schelling, Novalis, Hölderlin, Hegel, Schopenhauer, Schleiermacher) deze synthese op ongekende wijze uitgebouwd, in nauwe samenhang met de gehele culturele opbloei in Duitsland in deze tijd (Goethe, Schiller). Kant onderwierp het gehele gebruik van de rede aan een kritisch onderzoek, waarbij hij constateerde dat alle kennis berust op zintuiglijke waarneming en denken en niet verder reikt dan de ervaringswereld. Dit dualisme van waarneming en verstand willen de filosofen na hem tot één fundament herleiden. In zo'n poging ziet Hegel ziet de totale wereld als de verschijningsvorm van de Geest die zich in een dialectisch proces manifesteert. Hegels filosofie is zo de meestomvattende visie, waarna alleen nog onderdelen hiervan voor uitbouw en kritiek vatbaar zijn.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |