![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Wolf, Hugo, officieel: Hugo Philipp Jakob (Windischgrätz [thans Slovenj Gradec, Slovenië] 13 maart 1860 – Wenen 22 febr. 1903), Oostenrijks componist, kreeg reeds op vierjarige leeftijd piano- en vioolles en begon, geïmponeerd door Beethoven, in 1875 te componeren (een pianosonate, variaties en liederen). Van 1875 tot 1877 studeerde hij aan het conservatorium te Wenen, waar hij bevriend raakte met Gustav Mahler. In Wenen werd Wolf een enthousiast aanhanger van Wagner, die hij in 1875 ontmoette. Begin 1884 werd hij aangesteld als muziekrecensent aan het Wiener Salonblatt. Met fanatieke heftigheid viel hij daarin alles en iedereen in het Weense muziekleven aan waarmee hij het niet eens was, hetgeen hem vele vijanden bezorgde. Hij beschikte over een groot talent zich in woorden uit te drukken, naar omstandigheden humoristisch, satirisch, bijtend of dithyrambisch. Als fervent Wagner-aanhanger koos hij partij tegen Brahms, wiens werk hij vernietigend beoordeelde. Na de dood van zijn vader in 1887 en zijn vertrek bij het Salonblatt in datzelfde jaar begon zijn meest creatieve periode: tussen 1888 en 1891 ontstond het grootste gedeelte van zijn liederenoeuvre, de 53 Mörike-liederen, de 20 Eichendorff-liederen, de 51 Goethe-liederen, het Spanisches Liederbuch (Heyse en Geibel), Alte Weisen (6 liederen op teksten van G. Keller) en het eerste deel van het Italienisches Liederbuch (Heyse; dl. 2 kwam in 1896). Daarna leek zijn inspiratie gedoofd. Wolf vertrok – na een breuk met de Weense Wagnervereniging, die zich zeer voor zijn liederen had ingezet – naar Zuid-Duitsland en maakte enkele reizen naar Berlijn, waar hij nieuwe vrienden vond en relaties aanknoopte. Hij componeerde in deze tijd slechts toneelmuziek, instrumenteerde verschillende liederen en bewerkte andere voor koor (o.a. Der Feuerreiter, 1892). Ook werkte hij zijn strijkkwartet uit 1887 om tot Italienische Serenade voor klein orkest (1892). In 1895 kwam de opera Der Corregidor (tekst van Rosa Mayreder, naar Pedro de Alarcón) tot stand. Teleurstelling over het geringe succes van dit werk deed zijn psychische gesteldheid geen goed. Toen Mahler, die directeur van de Weense Staatsopera was geworden, Der Corregidor niet op het repertoire nam, openbaarde zich bij Wolf krankzinnigheid die steeds verergerde. In 1898 werd hij definitief opgenomen in de Landesirrenanstalt in Wenen. Nog kort voor zijn ineenstorting had de stichting van de Hugo Wolf-vereniging in Wenen en Berlijn hem een bewijs van zijn inmiddels groeiende faam gegeven. Wolfs betekenis ligt in zijn liederen; daar toont hij zich een unieke verschijning, die, hoewel aanvankelijk sterk onder invloed van de liedkunst van Franz Schubert en Robert Schumann, in zijn rijpe jaren een geheel eigen stijl ontwikkelde. Als nauwelijks een andere meester van het lied was de componist volkomen met de dichters vergroeid. Met evenveel literaire smaak als intuïtief aanvoelingsvermogen doorgrondde hij de verzen die hij wilde verklanken en vaak overtreft hij het werk van de dichters door intensiteit van expressie. Zijn minutieuze en subtiele psychologie, de frappante geserreerdheid van zijn beste liederen getuigen van een mentaliteit die ongeschikt is voor het toneel. Zijn enige opera is dan ook, ondanks muzikale schoonheden, geen repertoirestuk geworden. Zijn woonhuis in Perchtoldsdorf bij Wenen is Wolf-museum. In 1956 werd in Wenen de Internationale Hugo Wolf-Gesellschaft opgericht; in 1960 werd begonnen met de uitgave van zijn volledige werk (inclusief brieven). WERK: (behalve de genoemde): 6 Lieder für eine Frauenstimme (1888); 6 Gedichte von v. Scheffel, Mörike, Goethe und Kerner (1888); 3 Gedichte von R. Reinick (1897); 3 Gesänge aus Ibsen's ‘Das Fest auf Solhaug’ (1897); 4 Gedichte nach Heine, Shakespeare und Lord Byron (1897); 3 Gedichte von Michelangelo (1898); 12 Lieder aus der Jugendzeit (1877–1878, uitg. d. F. Foli); 40 niet gepubliceerde liederen uit 1876–1890; in: Nachgelassene Werke, uitg. d. R. Haas en H. Schultz (1936–1937). – Opera: Manuel Venegas (1897; onvolt.). – Koorwrk.: 6 Geistliche Lieder nach Gedichten von Eichendorff (1881; gem. koor); Christnacht (1886–1889; soli, koor en orkest; Aug. von Platen); Elfenlied (1889–1891; sopr., vr. koor en ork.; Shakespeare); Morgenhymnus (1897; gem. koor en ork.); Dem Vaterland (1898; mannenkoor en ork.). – Toneelmuziek: Das Fest auf Solhaug (1890–1891; Ibsen). – Orkest: Penthesilea (1883–1885; symfonisch gedicht n. Kleist). – Kamermuziek: Strijkkwartet d kl. t. (1884); Rondo capriccioso in Bes gr. t. voor piano op. 15 (1876); Schlummerlied voor piano (als Wiegenlied nr. 1, in: Aus der Kinderzeit, 1878). Verscheidene liederen zijn door Wolf zelf georkestreerd en 4 Mörike-liederen en 10 geestelijke liederen uit het Spanisches Liederbuch zijn door hem bewerkt voor zangstem en orgel. UITG: Hugo Wolfs Musikalische Kritiken, d. R. Batka en H. Werner (1911); The music criticism of H. Wolf, d. H. Pleasants (1980).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |