![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
Introductie; 1. Geschiedenis; 2. Nederlandse molentypen; 3. Wieken en wiekvormen; 4. Inrichting; 5. Windmolencomplexen; 6. Folklore; 7. Windmolens in België
windmolen, algemene benaming voor elke door windkracht aangedreven molen, in tegenstelling tot de door stromend water aangedreven waterradmolens. Een forse molen kan bij voldoende wind een vermogen van 50 à 60 pk leveren, d.w.z. ca. 37 à 44 kW (mechanisch). Zie voor de omzetting in elektrische energie en voor moderne windmolens windturbine en windenergie. Een van de problemen bij windmolens is vanzelfsprekend dat de energiebron, de wind, niet steeds voorhanden is. Van oudsher is de molen echter wel voor het leveren van mechanische energie gebruikt.
De eerste windmolens in de Lage Landen (bestemd voor het malen van graan) werden waarschijnlijk in de 13de eeuw gebouwd. Na de korenmolens ontstonden, vermoedelijk op het einde van de 14de en in het begin van de 15de eeuw, de watermolens (poldermolens). Op het einde van de 16de eeuw ontstonden de houtzaagmolens, spoedig gevolgd door vele verschillende typen industriemolens. De draaibare kap op de koren- en watermolens was in het begin van de 16de eeuw ontstaan; in de tweede helft van de 16de eeuw verving men de oorspronkelijk binnen de kap aangebrachte krui-inrichting door een buitenkrui-inrichting, het staartwerk, waarmee kruien vanaf de begane grond mogelijk werd. Gedurende de 17de en 18de eeuw werden de molens verder geperfectioneerd; hun aantal in Nederland nam steeds toe; in 1850 bedroeg het ca. 9000. Door de toepassing van stoomkracht, verbrandingsmotor en elektromotor nam het aantal af; in 1900 waren er nog ruim 4000; in 1998 1035, waarvan 220 in de provincie Zuid-Holland.
De Nederlandse molentypen [met tussen rechte haakjes toegevoegd de belangrijkste Vlaamse benamingen]. Het oudste type korenmolen is de standerdmolen [staakmolen, houten molen]. Het eigenlijke lichaam bestaat uit een grote vierkante eikenhouten ‘kast’ [molenkas] waarin de malerij is ondergebracht. Dit houten huis rust op een zware verticale spil, de koningspil [staak, standaard, staander], en kan daaromheen draaien. Een onderstel van horizontale kruisbalken op gemetselde zgn. stiepen (funderingsblokken) [teerlingen] en dubbele, schuin staande schoren [afzetten] dragen en steunen de koningspil. Aan de achterzijde van de molen bevinden zich een trap en een zware staartbalk [staart]. Onder aan de trap is de kruias [kruihaspel] met het kruiwiel met behulp waarvan de molen met zijn wieken loodrecht op de windrichting kan worden gedraaid (gekruid). Als het onderstel door een planken dak [paraplu] is afgedekt tot een kleine bergplaats, spreekt men van een gesloten standerdmolen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |