Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Wilhelmina [Nederland 1880-1962]

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Wilhelmina [Nederland 1880-1962]

Encyclopedieartikel
Multimedia
WilhelminaWilhelmina
Artikeloverzicht

Introductie

Wilhelmina [Nederland 1880-1962], voluit: Wilhelmina Helena Pauline Maria, koningin der Nederlanden ('s-Gravenhage 31 aug. 1880 – Het Loo 28 nov. 1962), koningin der Nederlanden, uit het Huis Oranje-Nassau, enig kind van Willem III en Emma van Waldeck-Pyrmont, werd door het overlijden van haar halfbroer Alexander op 21 juni 1884 troonopvolgster en door de dood van haar vader op 23 november 1890 koningin. Zolang zij minderjarig was, oefende haar moeder als regentes haar functies uit. Op 6 september 1898 werd zij ingehuldigd in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. De combinatie van het lieftallige prinsesje en de charmante Emma wist de monarchie een deel van de populariteit terug te geven die haar vader Willem III verbruid had. Zij trouwde 7 februari 1901 met hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. Uit dit weinig gelukkige huwelijk werd op 30 april 1909 hun dochter Juliana geboren. Zij regeerde een halve eeuw: op 4 september 1948 deed zij afstand.

In streng isolement voor de troon opgevoed, ontwikkelde Wilhelmina zich tot een dominerende persoonlijkheid met een onstuimig, zij het doorgaans beheerst temperament, grote wilskracht en humorloze ernst. Nuchtere zakelijkheid ging in haar samen met een romantisch mysticisme, dat vooral haar kijk op haar voorgeslacht tot heldenverering maakte.

Koningin

Regeringspolitiek

In diepe godsvrucht overtuigd van haar koningschap bij de gratie Gods, probeerde zij de grenzen die de Grondwet aan deze waardigheid stelde tot het uiterste te beproeven. Daardoor laat zich haar precieze invloed op de regeringspolitiek moeilijk vaststellen. Het staat wel vast dat zij regelmatig probeerde de politiek te beïnvloeden, desnoods door categorische weigering. Zoals in 1918, toen zij het door het kabinet gewenste ontslag van opperbevelhebber Snijders tegenhield, en in 1924, toen zij minister Van Karnebeek het aanknopen van diplomatieke betrekkingen met de Sovjet-Unie verbood. Zij wist dit tot 1942 te voorkomen. In de jaren twintig, toen op de defensie sterk bezuinigd werd, heeft zij enige malen aan aftreden gedacht. In het volgend decennium deed de onmacht van de achtereenvolgende kabinetten-Colijn tot het terugdringen van de massale werkloosheid haar hetzelfde overwegen. Sinds de opgang van Adolf Hitler in Duitsland leefde zij in de overtuiging dat een nieuwe wereldoorlog onvermijdelijk was en dat Nederland daarin betrokken zou worden. Buiten de ministers om liet zij zich door militaire attachés bij de Nederlandse ambassades op de hoogte houden van Hitlers oorlogsvoorbereidingen. In 1938–1939 verloor zij allengs alle vertrouwen in haar raadslieden én in luitenant-generaal Reynders, chef van de generale staf, later opperbevelhebber. Op haar aandringen werd deze in februari 1940 vervangen door generaal Henri Gerard Winkelman.

Londen

Na de Duitse inval op 10 mei 1940 verliet zij op 12 mei 1940 op advies van Winkelman met tegenzin het land. In Londen gevestigd, herstelde zij zich snel. Zonder parlement zag zij kans om meer invloed dan tevoren uit te oefenen. Verontwaardigd over het defaitistisch gedrag van minister-president Jan-Dirk de Geer, dreef zij diens ontslag door. Haar positie jegens het onder leiding van minister-president Gerbrandy gereconstrueerde kabinet werd door het wegvallen van de verantwoordelijkheid tegenover de Staten-Generaal aanzienlijk sterker dan zij in het vaderland ooit geweest was. Zij alleen bepaalde het krediet dat de Nederlandse regering bij de Britse genoot, terwijl zij door haar in radiotoespraken uitgedragen onwankelbaar geloof in de zege op de Duitsers de grote steunpilaar van het verzet werd. Geheel ten onrechte verkeerde Wilhelmina in de veronderstelling dat het gehele Nederlandse volk actief was in het verzet en dat de `hokjesgeest’ definitief tot het verleden behoorde.

Haar opvattingen

De inhoud die Wilhelmina in Londen aan het koningschap kon geven, lag in de lijn van haar opvattingen omtrent de monarchie. Zij wilde deze, bij het herstel ervan na de wereldoorlog, van haar ‘symboolfunctie’ – inherent aan de constitutionele monarchie – ontdoen. Naast een versobering van het koningschap (geen rijke paleizen of Prinsjesdag) wenste zij een versterking van de koninklijke macht, bijv. door het staatshoofd leider van de ministers te maken en persoonlijke invloed te geven op benoeming en ontslag van ministers. Dat dit een terugkeer naar 19de-eeuwse verhoudingen was en blijk gaf van minachting voor het parlement, leek haar niet te deren. Ook haar schoonzoon Prins Bernhard deelde haar ideeën.

Na haar terugkeer naar Nederland (13 maart 1945) maakte zich dan ook spoedig een gevoel van teleurstelling van haar meester, zoals blijkt uit haar autobiografisch werk Eenzaam, maar niet alleen (1959). Deze teleurstelling heeft vermoedelijk – naast bitterheid over de snelheid waarmee de band met Nederlands-Indië werd doorgesneden en het besef van ouderdomsgebreken – haar aftreden bevorderd.

UITG: De koningin sprak, Proclamaties en toespraken 40-45, d. M.G. Schenk en J.B.Th. Spaan (1945).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum