![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 10
Eerste WereldoorlogEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Voorgeschiedenis, aanleiding en oorzaken; 2. Begin van de Eerste Wereldoorlog; 3. Verloop van de oorlog; 4. Manier van oorlogvoeren; 5. Pers en propanda; 5. De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog
De tegenstellingen tussen Groot-Brittannië en Duitsland kwamen voort uit de vlootkwestie. Londen hield vast aan het principe dat zijn vloot ten minste even sterk moest zijn als die van de sterkste twee mogendheden samen. De Duitse admiraal Von Tirpitz had, met de keizer, andere ideeën over deze zaak. Vanaf 1898 bouwden zij een imposante Hochseeflotte, die de Britten uitdaagde op hun beurt hun Royal Navy te voorzien van de geduchte Dreadnoughts (slagschepen), waardoor een fatale bewapeningwedloop ontstond. In 1912 voerde Lord Haldane, Brits minister van Oorlog, besprekingen in Potsdam. Duitsland wilde zijn vlootprogramma slechts inkrimpen als Groot-Brittannië de Triple Entente losliet. Hiertoe was Londen niet bereid en de relatie met Duitsland verkoelde aanzienlijk.
De Turkse overheersing van Macedonië was een doorn in het oog van de Groot-Servische Beweging. Met hulp van Rusland gingen Serven, Grieken en Bulgaren in 1912 in het offensief tegen Turkije (Eerste Balkanoorlog). Turkije werd verslagen, maar bij het verdelen van de buit bleken de bondgenoten het niet eens: een Tweede Balkanoorlog was nodig om te komen tot het Verdrag van Boekarest, waarbij Bulgarije zich met heel wat minder winst tevreden moest stellen. Rusland had zijn invloed in de Balkan flink verstevigd, zodat de Donaumonarchie en Duitsland zich geen enkele concessie aan Servië meer konden veroorloven. In 1912 en 1913 werden de banden tussen de verschillende partners nauwer aangehaald (Frankrijk/Rusland; Frankrijk/Groot-Brittannië; Duitsland/Oostenrijk-Hongarije).
Sinds 1913 werd de effectiviteit van de legers in vredestijd verhoogd, eerst bij de leden van de Triple Alliantie (de latere Centralen), daarna bij de Triple Entente (de latere Geallieerden). Zelfs het neutrale België voerde in 1913 de algemene dienstplicht in. Alleen Groot-Brittannië en Italië deden voorlopig niet mee. Deze bewapeningswedloop heeft bijgedragen tot het scheppen van een oorlogspsychose die bevorderlijk was voor de rechtvaardiging van de grote oorlogsuitgaven. In 1914 wilde niemand in Europa een ‘grote oorlog’, maar iedereen achtte een snelle diplomatieke overwinning, desnoods met militaire acties, vanzelfsprekend.
De Balkan vormde het 'kruitvat van Europa'. Hier streefden Oostenrijk-Hongarije en Rusland naar invloed. Toen de regering in Wenen, die kampte met nationalistische onrust onder haar Slavische onderdanen, in 1908 Bosnië-Hercegovina inlijfde (hoofdstad: Sarajevo) was dit tegen de zin van het kleine buurland Servië, dat zelf een oogje had op dit gebied. Er woonden immers veel Serviërs. Servië, de luis in de pels van Oostenrijk-Hongarije, wist zich gesteund door Rusland. Dit land droeg het panslavisme uit, een streven om alle Slaven van het Oostenrijkse en Turkse juk te bevrijden en te verenigen in een federatie onder leiding van Rusland. Het panslavisme was tegelijk ook een dekmantel voor het Russische streven naar beheersing van de Bosporus en de Dardanellen. Bondgenootschappen, bedoeld als garantie voor vrede, bleken in 1914 een rampzalige uitwerking te hebben. Toen het ene kruitvat (de Balkan) explodeerde, werden door dit noodlottige lontensysteem automatisch de andere (Elzas-Lotharingen; vlootbouw) geactiveerd. Zo lieten de meest geavanceerde industrielanden (Frankrijk, Duitsland, Engeland), die veel te verliezen hadden en dus gebaat waren bij vrede, zich in een fatale spiraal meetrekken door Rusland en Oostenrijk, twee mogendheden met regimes die op hun laatste benen liepen en daardoor onverantwoorde risico's durfden te nemen.
De moord op aartshertog-troonopvolger Frans Ferdinand en zijn echtgenote op 28 juni 1914 in Sarajevo door de Serviër Gavrilo Princip werd door Oostenrijk aangegrepen om met één slag zijn prestige in de Balkan te herstellen. De rechtstreekse medeplichtigheid van Servië aan de moord was niet bewezen, maar Oostenrijk-Hongarije stelde Servië en de Groot-Servische Beweging hiervoor aansprakelijk. Een maand later, op 23 juli, stuurde de Oostenrijkse keizer Frans Jozef I, na ruggespraak met keizer Wilhelm II, een ultimatum aan Servië. Hierin eiste de Donaumonarchie de bestraffing, onder haar controle, van de moordenaars. Servië stemde toe het conflict te onderwerpen aan het Permanente Hof van Arbitrage te Den Haag, maar weigerde een Oostenrijks onderzoek op Servische bodem. Oostenrijk verbrak daarop de onderhandelingen (25 juli) en op 28 juli verklaarde het Servië de oorlog. Op 29 juli mobiliseerde Rusland gedeeltelijk zijn troepen om Oostenrijk te intimideren en op 30 juli ging tsaar Nicolaas II over tot algemene mobilisatie en traden de militaire verdragen met Frankrijk en Groot-Brittannië in werking. Op 31 juli stuurde Duitsland ultimatums naar Rusland en naar Frankrijk. Van Rusland werd geëist dat het de mobilisatie zou stopzetten en aan Frankrijk werd gevraagd om zijn houding kenbaar te maken. Rusland antwoordde niet meer, zodat Duitsland op 1 augustus Rusland de oorlog verklaarde. Frankrijk antwoordde dat het zou handelen ‘naar eigen belang’ en ontving op 3 augustus de Duitse oorlogsverklaring.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |