Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigde Staten van Amerika

Resultaten van Windows Live® Search

  • Verenigde Staten - Wikipedia

    De Verenigde Staten , officieel de Verenigde Staten van Amerika , afgekort VS ( Engels : United States of America , afgekort USA of US ), zijn een federatie van 50 Staten en het ...

  • VERENIGDE STATEN

    VERENIGDE STATEN ... Geografie Algemeen De Verenigde Staten van Amerika (officieel: United States of America), is een federale republiek in Noord-Amerika, en omvat het District of ...

  • amerika

    Vrij te bewerken en te becommentariëren pagina over amerika. ... A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z 0-9 Amerika De Verenigde Staten van Amerika, afgekort VS ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 8 van 14

Verenigde Staten van Amerika

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van de Verenigde Staten van AmerikaVlag en volkslied van de Verenigde Staten van Amerika
Artikeloverzicht

4.16 De tijd tussen de oorlogen

Nog eenmaal leek het of de goede oude tijd was teruggekeerd. De Republikeinen bleven tot 1933 aan de macht. Een schijnwelvaart leidde tot oppervlakkig optimisme. In het binnenland keerde men terug tot kras materialisme; in het buitenland hield men zich angstvallig afzijdig van de Volkenbond, maar nam men wel initiatieven tot verdragen die van ontwapening en vrede spraken. Het geestelijke klimaat in de jaren twintig, de roaring twenties, getuigde van onrust en onzekerheid. Voor het eerst werd een generatieconflict openbaar, onder de jongeren zich uitend in vrijgevochtenheid en protest, al was het nog op beperkte schaal. In 1929 barstte de zoveelste economische crisis los, de ernstigste die zich ooit in de geschiedenis van de westerse economieën heeft afgespeeld (zie crisis [economie]). In 1932 won de Democraat Franklin Delano Roosevelt de presidentsverkiezingen. Omringd door deskundigen waagde hij het de problemen met flair en visie aan te pakken (de New Deal). In 1936 herkozen, probeerde Roosevelt, met het oog op de internationale situatie, het volk mee te krijgen in een meer internationale politiek. Hij stuitte echter op een muur van verzet. Het isolationisme was zo sterk in deze jaren dat de president het land slechts stapje voor stapje ertoe kon brengen het Duitsland van Hitler te weerstaan. Pas de Japanse verrassingsaanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 bracht de Verenigde Staten in de oorlog.

4.17 De Tweede Wereldoorlog

Het land was in het geheel niet klaar voor de oorlog, maar wist in korte tijd een miljoenenleger op de been te brengen, alsmede een gigantische vloot en luchtvloot. Weldra vochten Amerikanen op alle fronten, landden in 1943 in Noord-Afrika en Italië, in 1944 in Normandië en hadden een beslissend aandeel aan de definitieve nederlaag van Duitsland (zie voor het verloop van de oorlog Tweede Wereldoorlog). Roosevelt, in 1940 en 1944 als president herkozen, hoopte de organisator van de vrede te worden, maar hij begreep dat hij Wilsons fouten moest vermijden. In de internationale organisatie, die hij evenzeer nastreefde en die nu de Verenigde Naties zou moeten heten, wilde hij een realistisch machtsoverwicht van de vier grote mogendheden aanvaarden. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en China moesten de vier politieagenten van de wereld worden in duidelijk afgebakende invloedssferen, maar tegelijk in nauwe samenwerking. Vlak voor het einde van de oorlog, op 12 april 1945, stierf Roosevelt.

5. Geschiedenis na WO II

5.1 1945–1960

Roosevelts opvolger, Harry S. Truman, was een geheel andere persoonlijkheid. Onder zijn bewind ontstond de breuk met de Sovjet-Unie. Het falen van de Russisch-Amerikaanse relatie leidde de zgn. Koude Oorlog in. De Sovjet-Unie wist Oost-Europa in haar greep te brengen, Duitsland was verdeeld en in het Westen boden de Amerikanen militaire en economische hulp (1947 Truman-doctrine, Marshallplan) en deden een Atlantisch bondgenootschap ontstaan. In het Verre Oosten traden de Amerikanen op als bezettende mogendheid in Japan, maar zij verloren China. De overwinning in 1949 van Mao Zedong en de nederlaag van Tjiang K’ai-sjek leidden in Amerika tot een traumatische reactie, want een eeuw lang had men geloofd in de speciale Amerikaans-Chinese vriendschap. Nu werd het land tot aartsvijand verklaard. In die geladen atmosfeer waren oorlogen tegen de ‘communistische duivel’ een haast noodzakelijke uitlaatklep (vgl. de Koreaanse Oorlog). Concluderend kan men stellen dat het optreden van de Verenigde Staten in de Tweede Wereldoorlog wel leidde tot de bevrijding van de wereld, maar dat het tevens een Amerikaanse zelfoverschatting in de hand werkte. Wat men gepresteerd had, was indrukwekkend, maar de gevolgtrekking dat men nu overal ter wereld regelend kon optreden, zou bittere gevolgen hebben. Ook hier gold weer dat de betrekkelijk jonge natie er nog niet in slaagde haar eigen identiteit en daarmee haar rol in de wereld te vinden. De voornaamste voorwaarde daarvoor, een binnenlandse consolidatie, was nog niet aanwezig.

Na de oorlog ontwikkelde zich in de Verenigde Staten in snel tempo een onvoorstelbare welvaart. Er waren weliswaar vergeten groepen, maar de grote meerderheid bereikte een peil van leven als nooit tevoren. Een economische en technische revolutie veranderde het land totaal. Onzekerheid en schrikreacties konden niet uitblijven. Mensen die in het snelle proces van verandering ontworteld raakten, volgden gemakkelijk extremistische leiders, zoals ca. 1950 Joseph McCarthy. Deze fervente anticommunist slaagde erin een hetze te bewerkstelligen tegen alles wat intellectueel en in zijn ogen links was. Maar het systeem bracht hem ook weer ten val. Uiterst rechtse en linkse agitatie hadden als het erop aankwam geen kans; de Amerikaanse politiek bleef bepaald door het midden. De Democratische coalitie, die door Roosevelt tot stand was gekomen (de steden, de etnische minderheden, de intellectuelen, de zwarten), bleef in de meerderheid. Dat bleek bij de herverkiezing van president Truman in 1948, tegen alle verwachting in. Wel zocht het kiezersvolk in 1952 heul bij de vaderlijke figuur van Eisenhower, die als Republikeins kandidaat optrad (in 1956 herkozen), maar gedurende bijna zijn gehele bewind bleef de meerderheid van het Congres Democratisch.

De jaren vijftig waren jaren van betrekkelijke rust. In de buitenlandse politiek beheerste John Foster Dulles als minister van Buitenlandse Zaken de situatie, strak vasthoudend aan zijn streven naar het tegengaan van expansie (containment) van de communistische wereld door middel van militaire bondgenootschappen. In het binnenland bleef de welvaart duren. Het enige lang verdrongen probleem dat toen aan de oppervlakte kwam, was dat van de relaties tussen de rassen. Oorzaken daarvan waren de veranderde mentaliteit ten gevolge van de oorlog tegen Hitlers racisme, de door de televisie bevorderde communicatie en niet het minst het ontwaken van de zwarte bevolking zelf. Zie voor de ontwikkelingen en gebeurtenissen inzake de relaties tussen de rassen segregatie [sociologie].

5.2 De crisis van de jaren zestig

Toen in 1961 president John F. Kennedy het roer in handen nam, leek het alsof de Verenigde Staten op de drempel stonden van een betere toekomst. Kennedy mocht onervaren zijn, hij bracht het land in beweging. Van de conflicten en fouten die hij meemaakte en beging (de Varkensbaai-invasie op Cuba, april 1961, was wel de ernstigste) leek hij te leren. Nadat het in oktober 1962 tot een zeer ernstig conflict was gekomen met de Sovjet-Unie, die raketten wilde opstellen op Cuba (zie Cuba § 5.5), volgde reeds in augustus 1963 de ondertekening van het verdrag met de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië over het verbod van bovengrondse kernproeven. Verzoening leek mogelijk. Maar tegelijk verstrikte Kennedy zich in de ingewikkelde situatie in Vietnam, waar op het einde van 1963 reeds 16 000 Amerikaanse ‘adviseurs’ aanwezig waren. De aandacht van de natie en de wereld was evenwel gevestigd op optimistischer zaken: het probleem van de zwarten in het zuiden leek oplosbaar, de sociale zorg werd uitgebreid, Amerika's technisch kunnen werd bewezen door succesvolle ruimtevaarten. De moord op Kennedy op 22 november 1963 in Dallas (Texas) veroorzaakte dan ook een schok in de hele wereld. Zijn opvolger, Lyndon B. Johnson, stelde zich tot taak Kennedy's werk voort te zetten. Op binnenlands terrein behaalde hij grote successen, zowel wat betreft de burgerrechtswetten als op sociaal gebied. Maar meer nog dan zijn voorganger raakte hij betrokken in het conflict in Vietnam (zie Vietnam § geschiedenis). Binnen enkele jaren had hij een Amerikaanse troepenmacht van een half miljoen man naar Zuidoost-Azië gestuurd. De oorlog in Vietnam werd een nachtmerrie, de voornaamste oorzaak van een snel groeiend gevoel van crisis in de Verenigde Staten zelf. Wat wezenlijk in het geding was, was Amerika's identiteit: moest het, kon het de rol van politieagent in de wereld spelen? Of was het veeleer geroepen om een voorbeeld te zijn en moest het dus eerst in eigen huis orde op zaken stellen? Johnson geloofde dat het allebei tegelijk mogelijk was, maar het verzet was te groot. Het probleem van de zwarte bevolking, de armoede in eigen land, de onrust onder de jeugd, die zich uitte in gewelddadig verzet op de universiteiten, en in het algemeen de toenemende geweld- en misdadigheid, waren tekenen aan de wand. Johnson, die in 1964 met een overweldigende meerderheid de presidentsverkiezingen had gewonnen, verspeelde het vertrouwen van het volk nadien zozeer dat hij in maart 1968 de beslissing nam zich niet herkiesbaar te stellen als president. In een felle verkiezingscampagne, waarin het geweld als voornaamste slachtoffer de Democratische leider Robert Kennedy eiste (vermoord te Los Angeles 5 juni 1968), slaagde ten slotte de Republikeinse kandidaat Richard M. Nixon erin met een minieme meerderheid te winnen van Hubert Humphrey.

5.3 De jaren zeventig

Nixon trachtte via een gematigd conservatieve koers te komen tot een kalmering van de hartstochten, een verzoening van de tegenstellingen. Daarbij beriep hij zich op de zgn. zwijgende meerderheid. In zekere zin slaagde deze opzet. De onrustige jeugd vluchtte in romantiek en mystiek en, voornaamste van al, de oorlog in Vietnam werd beperkt door het geleidelijk terugtrekken van Amerikaanse troepen uit Vietnam. In een diplomatiek spel van allure, waarin Nixons bekwame adviseur Henry Kissinger (sedert 1973 minister van Buitenlandse Zaken) een hoofdrol speelde, zochten de Verenigde Staten in 1971 toenadering tot de Volksrepubliek China (februari 1972: bezoek Nixon aan Peking) en vervolgens tot de Sovjet-Unie (mei 1972). Gesterkt door deze successen, maar ook, zoals later zou blijken, door manipulaties van ongehoorde omvang, won Nixon de presidentsverkiezingen van november 1972 met een overweldigende meerderheid van zijn Democratische opponent George McGovern. Als een laatste hoogtepunt in het Nixonbewind kan worden beschouwd de beëindiging van het Amerikaanse militaire ingrijpen in Vietnam, begin 1973; daarna ging het met het gezag van de regering snel bergafwaarts. Ongekende tegenslagen kreeg de regering nl. te verwerken toen bekend werd dat zij in Cambodja in het geheim bombardementen had laten uitvoeren zonder het Congres daarvan in kennis te stellen, maar vooral toen de Watergate-affaire, waarbij het Witte Huis betrokken was, aan het licht kwam. Nadat de justitiële commissie van het Huis van Afgevaardigden op 27 juli impeachment had aanbevolen en Nixon zelf door een opzienbarende verklaring op 5 augustus zijn betrokkenheid bij het schandaal had toegegeven, bleek zijn positie onhoudbaar te zijn geworden. Op 9 augustus 1974 trad hij af. Hij werd opgevolgd door vice-president Gerald Ford. Hij was een man van simpele, oprechte signatuur, en hij bleek de geschikte figuur om de nationale tegenstellingen te verzoenen. Hij voerde een zeer voorzichtige politiek, en onder zijn bewind kwam het land weer tot rust. In 1976 stond Ford kandidaat voor het presidentschap, maar met een zeer kleine meerderheid werd de Democraat James E. (Jimmy) Carter uit Georgia tot president gekozen. Carter zal evenmin als Ford de geschiedenis ingaan als een groot leider. Hij werd waarschijnlijk gekozen om de indruk van zuiverheid die hij maakte, en hij was ook vol goede bedoelingen. Maar hij miste elk charisma, was een piekerende, zorgvuldige bestuurder, die zijn volk niet bezielen kon en het Congres niet kon meekrijgen. Misschien zijn beste en belangrijkste werk lag op het gebied van de buitenlandse politiek. De verzoening van Israël en Egypte was zijn persoonlijke triomf (zie Camp David-akkoorden), ook al leidde ze niet tot een algehele vrede in het Midden-Oosten. Maar zijn aanzien en dat van de Verenigde Staten werden ernstig geschaad door de crisis in Iran, waar de pro-Amerikaanse regering van de sjah ten val kwam en een fundamentalistisch-islamitisch bewind van geestelijken het volk opzweepte tegen de Verenigde Staten. In november 1979 werden 52 Amerikaanse ambassadepersoneelsleden in Teheran door Iraniërs gegijzeld (zie ook Iran § 5.15). Het succes van hun vrijlating ruim een jaar later, precies op de dag van de inauguratie van de nieuwe president, de conservatieve Republikein, Ronald Reagan (20 januari 1981), straalde echter op de laatste af in plaats van op Carter en diens behoedzame diplomatie.

Vorige
... | | | | | | | | | | ... 
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum