![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigde Staten van Amerika |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 6 van 14
Verenigde Staten van AmerikaEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Bevolking; 2. Bestuur en samenleving; 3. Economie; 4. Geschiedenis tot WO II; 5. Geschiedenis na WO II; 6. De 21ste eeuw
Tijdens de expansie naar het westen stuitte men aanvankelijk slechts op enkele Indiaanse stammen, die taai maar vruchteloos verzet boden. Ten slotte echter botste men in het zuidwesten op een andere macht, Mexico, terwijl in het noordwesten het probleem van de afbakening van de grenzen met Canada zou opdoemen. Wat Mexico betreft, in 1821 had dit gebied zich losgemaakt van het Spaanse moederland en in het begin hadden de Mexicanen geen enkel bezwaar tegen de Amerikaanse kolonisten die bij drommen hun provincie Texas binnenstroomden. Maar op den duur werden de Amerikanen een staat in de staat en zo kwam het in 1833 tot een conflict dat uitmondde in de uitroeping van de republiek Texas in 1836. Het lag voor de hand dat de Verenigde Staten de nieuwe republiek zouden annexeren, maar ingewikkelde politieke manoeuvres leidden ertoe dat de annexatie pas in 1845 tot stand kwam. Toen leidde zij tot oorlog: in 1846 vielen de geprovoceerde Mexicanen het Amerikaanse grensleger aan, wat het begin betekende van een tweejarige strijd, die eindigde met een volledige Mexicaanse nederlaag (zelfs Mexico City werd bezet) en vervolgens tot de Vrede van Guadalupe Hidalgo (februari 1848), waarbij Mexico het hele gebied van wat nu New Mexico, Arizona en Californië is, afstond. De president die verantwoordelijk was voor deze krachtige imperialistische politiek, James Polk, wist in dezelfde tijd ook een afdoende regeling met Engeland te treffen inzake de grensafbakening met Canada. In het noordwesten werd door beide partijen wat toegegeven, zodat de 49ste breedtegraad de grens werd (Oregon-verdrag 1846). De oorlog met Mexico is het eerste grote voorbeeld van het Amerikaanse imperialisme. Er bleek uit dat de Verenigde Staten zich weliswaar tegenover de Oude Wereld isolationistisch opstelden, maar tegelijk naar het westen een ontembare expansie te zien gaven, die zelfs verder ging dan het eigen continent. Terwijl de Amerikanen de Atlantische Oceaan beschouwden als een barrière waarachter zij veilig waren, zagen zij de Grote Oceaan als een open weg naar de rijkdommen van Azië. Hun aandacht in die richting begon al vroeg. Al in 1784 was een Amerikaans schip de haven van Kanton binnengevaren en weldra waren de Verenigde Staten na Engeland de voornaamste handelsmacht in het Verre Oosten. Nadat Engeland in de Eerste Opiumoorlog de opening van China had afgedwongen, waren het de Amerikanen die in 1853 Japan dwongen havens voor de westerlingen open te stellen. Daarmee begon een betrokkenheid die onvoorstelbare gevolgen zou hebben, maar tegelijk onafwendbaar leek. Deze ontwikkeling werd echter in het midden van de 19de eeuw onderbroken door de strijd tussen het Noorden en het Zuiden.
De stichters van de Amerikaanse staat hadden zich ernstige zorgen gemaakt hoe zij hun federatie bij elkaar zouden kunnen houden. Met name in het Zuiden was sprake van een opstandige geest tegen het federale gezag en deze werd sterker naarmate de zuidelijke positie verzwakte. In het conflict dat uiteindelijk ontstond draaide alles om het probleem van de slavernij. Terwijl de Noordelijke Staten voor of ca. 1800 overgingen tot, meestal geleidelijke, afschaffing van het systeem, schoot het in het Zuiden juist diepe wortels door de opkomst van de katoenverbouw. In het Noorden deden ondertussen de abolitionisten van zich spreken, radicale tegenstanders van de slavernij, die langzamerhand steeds meer indruk begonnen te maken. Zo verscherpten zich de tegenstellingen. Maar de tegenstellingen zouden niet zo urgent zijn geworden, als niet de uitbreiding naar het westen zulke grote dilemma's had opgeroepen. Zoals gezegd werd aanvankelijk nog getracht een zeker evenwicht tussen Noord en Zuid te bewaren. De problemen werden echter steeds groter en alleen via compromissen in het Congres bleef de eenheid binnen de Unie gehandhaafd, zoals in het geval van de toelating tot de Unie van Californië in 1850. Californië lag ten dele in het Zuiden, maar slavernij zou verboden zijn. Als zoenoffer aan het Zuiden kwam een strenge wet op ontvluchte slaven, waarbij de federale macht kon worden ingeschakeld als slaven naar het noorden ontsnapten. Maar weldra bleek dat een noodoplossing. Ten gevolge van de nieuwe wet ontwaakte in het Noorden de sympathie voor de negers, het abolitionisme groeide plotseling snel. In 1852 verscheen het boek van Harriet Beecher Stowe Uncle Tom's cabin en dit maakte het hele probleem wereldkundig. Snel volgden de gebeurtenissen elkaar nu op. In 1854 kwam het voorstel de pioniers in het westen zelf te laten beslissen (Kansas-Nebraska-wet 1854), maar in de praktijk leidde dat tot felle gevechten tussen voor- en tegenstanders van de slavernij in Kansas (Bleeding Kansas). Het Hooggerechtshof verklaarde in 1857 dat slaven altijd en overal bezit bleven, ook als hun eigenaar ze meenam naar het Noorden. Het ging de noorderlingen niet in de eerste plaats om sympathie voor de neger; wat veeleer in het geding was, was de vrije toegang tot het westen voor de kleine boeren. Dat was zo’n groot belang dat er in deze jaren een algehele partijverschuiving plaatsvond. De Whigs, die ook aanhang hadden onder de rijke planters van het Zuiden, raakten zo verscheurd over deze zaak, dat hun partij letterlijk ten onder ging. Onder hun noordelijke aanhangers werd een nieuwe partij gesticht, die zich de Republikeinen noemde (zie Republican Party). In haar vaandel schreef deze partij de vrijheid van het westen. Niet de kolonisten zelf zouden daar moeten beslissen of ze slavernij wilden, maar het Congres. De gedachte aan een sterk centraal gezag was dus primair. De nieuwe partij was geheel regionaal, alleen in het Noorden vond ze aanhang. Maar dat bleek algauw voldoende. Immigratie had in de laatste jaren het Noorden driemaal zo sterk in bevolking gemaakt als het Zuiden, dat met zijn slavernijsysteem geen toevloed van blanken kende. In 1860 won de Republikeinse presidentskandidaat Abraham Lincoln de verkiezingen. Hoewel Lincoln geen abolitionist was, was zijn verkiezing voor het Zuiden aanleiding om zich af te scheiden. In april 1861 kwam het tot een gewapend treffen en daarmee begon de Burgeroorlog (zie Amerikaanse Burgeroorlog). De oorlog mondde uit in een overwinning voor het Noorden onder leiding van Lincoln (1865). Deze werd op 14 april 1865 in een schouwburg neergeschoten door een zuidelijke fanaticus. De Burgeroorlog was een strijd met als inzet het voortbestaan van de slavernij, maar tegelijk waren andere zaken in het spel. Tijdens de oorlog bevrijdde Lincoln de slaven per proclamatie, die op 1 januari 1863 van kracht werd (grondwettig bekrachtigd door het 13de amendement op de Grondwet, 1865). Maar voor Lincoln ging het in de strijd minstens zozeer om het behoud van de Unie, die immers het bewijs en de toetssteen van de democratie moest zijn. Met die Unie was dan ook het federale systeem in het geding; eens en voorgoed werd bewezen dat een staat niet zo maar de Unie kan verlaten. Economisch heeft de Burgeroorlog weer een andere betekenis gehad: het industriële, voor protectie geporteerde Noorden won van het agrarische, liberale Zuiden en na de oorlog begon dan ook de fabelachtige opbloei van de Amerikaanse industrie. Een laatste groot gevolg van de oorlog was de openstelling van het westen als vrij land voor de kolonisten (Homestead Act 1862).
In de periode 1865 tot 1877 vond op landelijk niveau het herstel van de Unie in Washington en op regionaal niveau het herstel van het door de oorlog geteisterde Zuiden plaats (zie Reconstruction). Het humanitaire elan dat de Republikeinen na de oorlog wel bezielde, zakte al spoedig weg. Zoals zo vaak na een oorlog moesten de idealen wijken voor de materiële belangen. De zucht naar expansie en winst ging meer en meer domineren. Geobsedeerd door hun industriële ontwikkeling konden de machthebbers zich niet langer bekommeren om het Zuiden; in 1877 trokken ze de laatste troepen daar terug en lieten het gebied aan zichzelf over en daarmee de negers aan de willekeur van de blanken. Weldra wisten de zuiderlingen door segregatie en ontneming van het kiesrecht de negers terug te voeren tot een staat van semi-slavernij, en het Noorden, zelf gevangen in materialisme en imperialisme met duidelijk racistische elementen, liet dat allemaal toe.
Zelden of nooit heeft een land zo’n snelle ontwikkeling doorgemaakt als de Verenigde Staten in de jaren tussen de Burgeroorlog en de Eerste Wereldoorlog. Het land werd in deze tijd vrijwel voortdurend geregeerd door Republikeinse politici die de nauwste banden hadden met de grote industrie. Alle faciliteiten konden de industriëlen krijgen, in een broeikas van protectie floreerden zij, van inkomstenbelasting hadden zij geen weet (pas het 16de amendement van 1913 zou de grondwettigheid daarvan erkennen) en door corruptie en afpersing verrijkten zij zich nog extra. Een kleine groep grootindustriëlen, ook wel de robber barons genoemd, beheerste het land (John D. Rockefeller, Edward H. Harriman, Leland Stanford, J.P. Morgan, Andrew Mellon, Andrew Carnegie, enz.). Zij maakten zichzelf en daarmee toch ook het land groot. Zij deden veel aan filantropie en stichtten musea en universiteiten. Belangrijk was de wetenschappelijke basis en begeleiding van de industriële groei, de ene uitvinding na de andere werd gedaan (Edison, Eastman, Bell, enz.). De namen van de uitvinders en van de captains of industry uit deze periode zijn in de geschiedenis van de Verenigde Staten ongetwijfeld belangrijker dan die van de grotendeels corrupte politici en presidenten uit dezelfde periode. De materiële opbloei ging gepaard met veel corruptie, die van tijd tot tijd leidde tot schandalen, waar steeds hoge ambtenaren en staatslieden bij betrokken waren. Een enkele hervorming kwam tot stand; in 1883 werd door de Pendleton Act het spoils system, dat rotatie van alle ambtenaren na elke verkiezing inhield, verzacht en dat was een grote verbetering. Maar in het algemeen was de toestand slecht. Doordat er geen controle was op het economische leven braken van tijd tot tijd ernstige crises uit, waarin alleen de sterksten zich konden handhaven (1873, 1893, 1907), maar ook dat behoorde bij het wereldbeeld, dat steeds meer, voor zover men er een diepere beschouwing op na hield, werd beheerst door het zgn. sociaal darwinisme, compleet met de ‘struggle for life’ en de ‘survival of the fittest’, nl. de rijken.
De industriële expansie vereiste veel arbeidskrachten en deze werden geput uit de voortdurende en in omvang toenemende stroom van immigranten. In 1800 woonden in de Verenigde Staten ruim 5 miljoen mensen, in 1860 31 miljoen, in 1880 50 miljoen, in 1900 75 miljoen, in 1920 105 miljoen. Er waren jaren dat er meer dan een miljoen mensen binnenkwamen (1907: 1 285 349). De eerste stroom van immigranten kwam uit West-Europa, in het midden van de 19de eeuw vooral uit Ierland, Duitsland en Scandinavië. In de jaren na 1885 begon de immigratie uit Zuid- en Oost-Europa, m.n. uit Rusland (vervolgde joden) en Italië. Een groot deel van de gelukzoekers vulde algauw de slums van de grote steden. Bovendien ontstond in het land een antivreemdelingensentiment, het zgn. ‘nativism’. In de laatste decennia van de eeuw vonden lynchpartijen plaats van Italianen en Chinezen en deze laatsten werden door de Wet van 1882 zelfs geheel geweerd. Met Japan kwam het in 1907 tot een afspraak de immigratie te stoppen. Een algehele inperking van de immigratie was pas mogelijk toen in de industrie een zekere verzadiging was bereikt. Bij de immigratiewetten van 1921 en 1924 werden quota opgesteld voor de verschillende nationaliteiten, waardoor een drastische beperking van de immigrantenstroom werd bereikt.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |