![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigde Staten van Amerika |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 14
Verenigde Staten van AmerikaEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Bevolking; 2. Bestuur en samenleving; 3. Economie; 4. Geschiedenis tot WO II; 5. Geschiedenis na WO II; 6. De 21ste eeuw
De Verenigde Staten kennen sedert de onafhankelijkheid een tweepartijenstelsel. De huidige twee partijen, de Republikeinen (Republican Party, symbool: de olifant) en de Democraten (Democratic Party, symbool: de ezel) stammen van vóór de Burgeroorlog. Sedertdien hebben zij het politieke leven gedomineerd. Iedere president sedert 1860 is gekozen als kandidaat van één van beide partijen. Ook bij de keuze van de gouverneurs en van de vertegenwoordigende organen in de staten geven deze partijen de toon aan. Wel stellen bijvoorbeeld de Socialist Party, de Socialist Labor Party of de Prohibition Party bij allerlei verkiezingen ook kandidaten, maar in de praktijk is het vrijwel onmogelijk om gekozen te worden zonder de steun van één van beide partijen. De Amerikaanse communisten, verenigd in de Socialist Workers Party, spelen geen rol van betekenis. Op nationaal niveau zijn beide partijen evenwel niet veel meer dan losse, voortdurend veranderende electorale coalities, die om de vier jaar met veel moeite geactiveerd moeten worden om zich eensgezind achter een presidentskandidaat te scharen. Op het niveau van de federale staten en lager vertonen de partijen meer samenhang, maar zij verschillen in een aantal opzichten aanzienlijk van bijvoorbeeld de grote politieke partijen in Europa. Zo kennen zij bijv. bijna geen betalende leden en worden partijbijeenkomsten, zo zij al belegd worden, door weinig mensen bezocht. Ook doen de partijen niet aan voorlichtings- of vormingswerk en ontbreekt een beginselprogramma. Er is geen partijbureaucratie en zowel op nationaal niveau als op dat van de staten beschikken de partijen slechts over een kleine staf van betaalde krachten. De partijorganisaties zijn er vnl. om bij verkiezingen kandidaten te steunen en dat maakt dat hun activiteiten heel tijdelijk zijn. Beide partijen hebben weliswaar een nationaal comité waarin één man en één vrouw uit ieder van de vijftig staten zitting hebben, maar dit comité heeft zeer beperkte bevoegdheden, evenals de nationale voorzitter die door het comité wordt aangewezen. De voorzitter is geen partijleider in de Europese betekenis van het woord. Is de partij op nationaal niveau aan de macht, dan bepaalt het Witte Huis de partijlijn. Is zij in de oppositie dan hebben invloedrijke leden van het Congres of gouverneurs het voor het zeggen. De structurele en ideologische zwakte van beide partijen heeft haar weerslag in het Congres, waar de scheidslijnen veelvuldig dwars door de partijen lopen. Vertegenwoordigers van minderheden vormen stemblokken ongeacht hun partijachtergrond. De activiteiten van lobbyisten, van belangengroepen hebben meer invloed dan de partijdiscipline. Na de tussentijdse verkiezingen van november 2004 was de verdeling van de 435 zetels in het Huis van Afgevaardigden: 232 voor de Republikeinen, 202 voor de Democraten en 1 onafhankelijk. Van de 100 zetels in de Senaat waren er 44 voor de Democratic Party en 55 voor de Republican Party (1 overig).
In 1886 werd door een man van Nederlandse afkomst, Samuel Gompers, de vakcentrale American Federation of Labor (AFL) opgericht. De organisatie fuseerde in 1955 met de Congress of Industrial Organizations, eerder (in 1938) afgesplitst van de AFL. Uit de fusie ontstond de AFL-CIO. Werknemers van een bedrijf zijn allemaal of geen van allen georganiseerd (‘closed shop’). In oude bedrijfstakken als de auto-industrie (UAW) en de transportsector (Teamsters) nemen vakbonden nog steeds een sterke positie in, maar als gevolg van de opkomst van nieuwe bedrijvigheid vooral in de dienstensector neemt de organisatiegraad landelijk gestaag af.
De economie berust in hoge mate op de vrije markt en het particuliere ondernemerschap, waarbij de overheid een beperktere rol speelt dan in de Europese markteconomieën. Wel is er streng toezicht op marktwerking, ter voorkoming van monopoliepraktijken (anti-trust wetgeving). Openbare nutsbedrijven als spoorwegen, elektriciteitsbedrijven, telefoon e.d. zijn grotendeels in particuliere handen. Het personenvervoer per trein wordt echter verzorgd door een overheidsbedrijf, Amtrack. Bovendien heeft de overheid een beslissende stem in de hoogte van de tarieven die de nutsbedrijven aan hun klanten berekenen. Het centrale bankwezen is in van 1913 in de overheidssfeer getrokken (zie Federal Reserve System). Verder beïnvloedt de overheid het economisch leven door belastingheffing, en wetgeving op het gebied van onder meer arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid, milieu en consumentenbescherming. Als gevolg van een combinatie van factoren zijn de Verenigde Staten het welvarendste land ter wereld geworden. De enorme uitgestrektheid, de vele mogelijkheden voor de landbouw, de aanwezigheid van vrijwel alle belangrijke delfstoffen en een ondernemende en vindingrijke bevolking, die juist naar het land was gekomen om zich materieel te verbeteren, hebben het land tot de machtigste economische natie ter wereld gemaakt. Met een bevolking die circa 4,5% van de wereldbevolking uitmaakt en een oppervlakte van 7% van het wereldoppervlak, nemen de Verenigde Staten ruim 30% van het mondiale bbp voor hun rekening. Tegenwoordig is de Amerikaanse economie is bij uitstek een diensteneconomie; ruim 71% van de productie betreft dienstverlening. De industrie is goed voor ruim 27%, de landbouw nog maar voor 1,3% (2002). Na de recessie van 1982 kende de Amerikaanse economie bijna twee decennia van vrijwel ononderbroken expansie met een gemiddelde jaarlijkse groei van rond de 3%. Een complex van factoren lag hieraan ten grondslag. Onder president Ronald Reagan (1981-1989) werden de belastingen fors verlaagd terwijl tegelijk de inflatie werd teruggedrongen door restrictief beleid van de Federal Reserve. Dit leidde aanvankelijk tot een diepe inzinking, waaruit de economie zich echter snel herstelde toen de rente omlaag ging terwijl ook de olieprijs daalde. Wel liep het financieringstekort van de overheid sterk op. In het begin van de jaren 1990 deed zich opnieuw een lichte recessie voor, maar onder president Bill Clinton (1993-2001) trad herstel in en groeide de economie zo snel dat ook het financieringstekort wegsmolt; de werkloosheid daalde in 2000 tot onder de 4%, het laagste niveau sinds de jaren 1960. Ditmaal werd de economie aangejaagd door een snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën en diensten op het gebied van computers en informatica. De euforie (men sprak van de ‘Nieuwe Economie’ waarin de productiviteitsgroei op een blijvend hoog peil zou liggen en recessies waren uitgebannen) leidde echter tot excessieve stijging van de beurskoersen, wat in 2000 uitliep op een crash. In 2001 kwam een eind aan de hoogconjunctuur. De gevolgen van overinvestering en hoog opgelopen schulden crisis werden nog versterkt door een vertrouwenscrisis als gevolg van de aanvallen van 11 september en een reeks grote faillissementen (onder meer van energiegigant Enron, in december 2001) en boekhoudschandalen. Veel grote bedrijven bleken net als Enron systematisch te hoge winsten te hebben gerapporteerd. Een echte recessie bleef echter uit doordat de Federal Reserve de rente fors verlaagde, de consumptieve bestedingen bleven groeien en de woningmarkt op peil bleef. In verband met de sterk verhoogde uitgaven aan veiligheid, en de door president Bush in 2001 en 2003 doorgevoerde belastingverlagingen, liep ook het financieringstekort weer sterk op terwijl de dollar onder druk kwam te staan.
Het grootste probleem van de landbouw is overproductie. De overheid steunt de boeren met inkomenssteun en exportsubsidies. In het kader van de Doha-ronde van de WTO dringen de Verenigde Staten aan op reductie van handelsbeperkingen en subsidies voor agrarische producten ten behoeve van een eerlijker concurrentie op de wereldmarkt. Hierover bestaat echter grote onenigheid met de EU. De Verenigde Staten zijn reeds lange tijd de grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld, een positie die zij in de jaren tachtig nog verder konden uitbreiden. Middelgrote en grote landbouwbedrijven overheersen; verregaande mechanisatie en toepassing van de nieuwste landbouwmethoden zijn voor deze bedrijven kenmerkend. De klimatologische en fysisch-geografische omstandigheden hebben verschillende landbouwzones doen ontstaan. De noordoostelijke staten en de gebieden om de Grote Meren behoren tot de zuivelzone, de dairy belt. De oostkust kent vele tuinbouw, fruitteelt en pluimveehouderij. Ten zuiden van de dairy belt worden de voor de veehouderij zo belangrijke gewassen maïs en sojabonen in de corn soy belt verbouwd. De grote katoenplantages in de eens zo beroemde cotton belt, die in het zuiden van de Atlantische Oceaan tot diep in Texas liep, hebben nu grotendeels plaatsgemaakt voor gemengde agrarische bedrijven, maar als gevolg van de betere landbouwmethoden is de opbrengst van de nog bestaande katoencultures hoger dan vroeger. Aan de kust van Florida en Texas worden citrusvruchten, suikerriet en rijst verbouwd. Het Midden-Westen is de graanschuur, bekend onder de naam de wheat belt. Californië heeft uitgebreide groente- en fruitkwekerijen, terwijl ook de wijnbouw daar van grote betekenis is. Het enigszins vochtige noordoosten heeft gemengde bedrijven, terwijl de fruitteelt daar ook een belangrijke rol speelt. Ook in de veehouderij zijn de Verenigde Staten de grootste producent ter wereld, maar een aantal veehouderijproducten moet ingevoerd worden. Rundveehouderij vindt plaats in Texas, Iowa, Nebraska, Kansas, Missouri, Oklahoma en Wisconsin. In het westen wordt de veehouderij op extensieve wijze bedreven. In het zuiden en het westen wordt vnl. slachtvee gehouden, in het noorden en noordoosten en bij de grote steden melkvee. De varkenshouderij wordt vnl. in het noorden bedreven. Van grote betekenis is de pluimveehouderij (kippen en kalkoenen), die in Californië, New England, North Carolina en Georgia is geconcentreerd. Ca. 30% van het oppervlak van het land is met bossen bedekt, waarmee de Verenigde Staten na de Russische Federatie en Brazilië tot de bosrijkste landen ter wereld behoren. Tweederde daarvan kan commercieel geëxploiteerd worden; circa driekwart daarvan in privébezit. De houtindustrie bezit aanzienlijke bosarealen en spant zich ook in voor de uitbreiding daarvan. De commerciële bosbouw vindt vnl. plaats in de grote naaldwouden van Noord-Californië, Washington en Oregon, waar ook de grootste zagerijen ter wereld zijn, die vnl. voor de papierindustrie werken en in de gemengde bossen van het zuidoosten. Een derde belangrijk bosgebied is de Rocky Mountains. De Verenigde Staten beschikken over rijke visgronden in de Atlantische Oceaan (kabeljauw, makreel, haring en tong), in de Grote Oceaan, voor de kust van Alaska (tonijn, sardines, haring en kabeljauw) en in de binnenwateren. De Fishery Conservation and Management Act van 1976 heeft een zone van 200 mijl vanuit de kust verboden verklaard voor buitenlandse vissers. De helft van de totale vangst wordt geëxporteerd.
De Verenigde Staten zijn een van de aan bodemschatten rijkste en tevens belangrijkste mijnbouwlanden ter wereld. In de winning van magnesium, fosfaat en molybdeen nemen zij de eerste plaats in; in de winning van aardgas, aardolie, lood, koper, goud en steenkool een tweede plaats. Over het algemeen is de mijnbouw sterk gemechaniseerd. De Verenigde Staten hebben de grootste steenkoolvoorraad ter wereld (ruim 200 miljard ton SKE). Het zwaartepunt van de winning ligt in Pennsylvania. Verder wordt in de Rocky Mountains steenkool gewonnen. Er is een bewezen aardoliereserve bedraagt slechts circa 2% van de wereldreserve aan aardolie, en bevindt zich voornamelijk in Alaska. De aardoliewinning is te klein om de binnenlandse behoefte te dekken; ruim de helft van het gebruik moet geïmporteerd worden. De belangrijkste aardgasvoorraden liggen in Texas en Louisiana. IJzerertswinning, vnl. in het noorden en in de Appalachen, Utah, Nevada en Zuid-Californië, is, ondanks de vijfde plaats op de wereldlijst van ijzerertsproducerende landen, niet meer voldoende om de binnenlandse vraag te dekken. Dit geldt ook voor de winning van kopererts die plaatsvindt in Arizona, Utah, New Mexico, Nevada en Montana, waar ook goud en zilver gedolven worden. Bauxiet wordt vnl. in Arkansas en Georgia gevonden, maar niet voldoende om aan de vraag van de aluminiumindustrie te voldoen (Amerika is de grootste aluminiumproducent van de wereld). Uraniumerts komt voor in de Rocky Mountains. Het energieverbruik per hoofd van de bevolking is in de Verenigde Staten bijna vier keer zo hoog als het wereldgemiddelde. De energievoorziening geschiedt vnl. door warmtekrachtcentrales, waarvan circa 90% wordt gevoed door aardolie, aardgas en steenkool. Kernenergie voorziet in circa 7% van het totale energieaanbod maar als gevolg van de hoge kosten en veiligheidszorgen zijn er sinds het ongeval in de kerncentrale bij Harrisburg, Pennsylvania, in 1979, geen kerncentrales meer gebouwd. Waterkrachtcentrales, zoals die in de Tennessee River, leveren eveneens een aandeel aan de energievoorziening. Wind- en zonne-energie zijn in opkomst.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |