Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigde Staten van Amerika

Resultaten van Windows Live® Search

  • Verenigde Staten - Wikipedia

    De Verenigde Staten, officieel de Verenigde Staten van Amerika, afgekort VS (Engels: United States of America, afgekort USA of US), zijn een federatie van 50 Staten en het district ...

  • VERENIGDE STATEN

    VERENIGDE STATEN ... Geografie Algemeen De Verenigde Staten van Amerika (officieel: United States of America), is een federale republiek in Noord-Amerika, en omvat het District of ...

  • in de Verenigde Staten van Amerika

    onze Amerikareis 2004 dag voor dag-----our America journey 2004 day by day. Lannoo's Reisgids Rocky Mountains Een ideale reisgids om je reisprogramma op maat ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 13 van 14

Verenigde Staten van Amerika

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van de Verenigde Staten van AmerikaVlag en volkslied van de Verenigde Staten van Amerika
Artikeloverzicht

6.4.1 Benoemingen

George W. Bush werd op 20 januari 2005 geïnaugureerd voor zijn tweede termijn als president. Dick Cheney bleef vice-president, maar minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell trad af. Officieel stapte hij op om meer tijd aan zijn familie te besteden. Er werd echter alom aangenomen dat hij in werkelijkheid vertrok omdat hij slecht overweg kon met de 'haviken' in en rondom het kabinet, zoals Donald Rumsfeld, die minister van Defensie bleef. Voormalig veiligheidsadviseur Condoleezza Rice volgde Powell op. Zij kondigde na haar beëdiging aan dat de Verenigde Staten meer wilden samenwerken met het buitenland. De eerste regering-Bush was vaak verweten dat zij zich te weinig gelegen liet liggen aan de Verenigde Naties en de buitenlandse bondgenoten. Ook wilden de Verenigde Staten wereldwijd despotisme gaan bestrijden, want onderdrukking en wanhoop zouden de belangrijkste voedingsbodems van het internationale terrorisme zijn.

Alberto Gonzales werd minister van Justitie. Hij volgde John Ashcroft op, die kampte met gezondheidsproblemen. Gonzales was tijdens Bush' eerste ambtstermijn juridisch adviseur van het Witte Huis. Tom Ridge trad 'om persoonlijke redenen' af als minister van Binnenlandse Veiligheid. Hij werd opgevolgd door Michael Chertoff. Na de terreuraanslagen in 2001 had hij als hoofd van de afdeling strafzaken van het ministerie van Justitie geadviseerd om de burgerrechten in de Verenigde Staten in te perken. John Snow werd minister van Financiën en de uit Cuba afkomstige Carlos Gutierrez minister van Handel.

John Roberts trad op 29 september 2005 aan als voorzitter van het Hooggerechtshof. Hij volgde William Rehnquist op, die op 3 september 2005 was overleden. De door president Bush voorgedragen Roberts was voormalig cassatieadvocaat en rechter. Hij stond bekend als gematigd conservatief.

President Bush stelde op 17 februari 2005 John Negroponte aan als eerste centrale directeur van alle Amerikaanse inlichtingendiensten. De functie werd gecreëerd op aanraden van de 11 septembercommissie, die onderzocht waarom de inlichtingendiensten de terreuraanslagen op 11 september 2001 niet hadden voorzien. Een van haar conclusies was dat de inlichtingendiensten onderling langs elkaar heen werkten. De centrale directeur moest hier verandering in brengen. Tevens werd de National Security Service opgericht, een inlichtingendienst binnen de FBI. Deze doet binnenlands onderzoek naar activiteiten die de openbare veiligheid mogelijk in gevaar brengen en probeert informatie van Justitie, spionagediensten en contraterroristische diensten met elkaar in verband te brengen.

De commissie-Silberman-Robb deed onderzoek naar het falen van de inlichtingendiensten in de aanloop naar de aanval op Irak, in maart 2003. Ze beweerden toen dat Irak over massavernietigingswapens beschikte, iets dat later niet waar bleek te zijn. Op 31 maart 2005 publiceerde de commissie een rapport, waarin ook zij concludeerde dat de inlichtingendiensten gebrekkig samenwerkten. Op haar aanraden werd de National Clandestine Service opgericht. Deze organisatie valt onder verantwoordelijkheid van de CIA en coördineert de activiteiten van de spionnen van alle Amerikaanse inlichtingendiensten.

6.4.2 Poltieke schandalen

De regering- Bush werd in 2005 in verlegenheid gebracht door de zaak Valerie Plame, door de pers aangeduid als 'Plamegate'. De zaak gaat terug tot 2002, toen diplomaat Joseph Wilson in opdracht van het Witte Huis naar Niger reisde. Hij moest onderzoeken of de Iraakse dictator Saddam Hussein geprobeerd had daar grondstoffen voor massavernietigingswapens te kopen. Wilson constateerde dat hiervan geen sprake was. Maar omdat het Witte Huis het publiek hierna toch van het tegendeel probeerde te overtuigen, publiceerde Wilson in juli 2003 een spraakmakend artikel, waarin hij stelde dat de regering-Bush moedwillig leugens verkondigde. Niet lang hierna onthulden diverse kranten en tijdschriften dat Wilsons echtgenote, Valerie Plame, als geheim agent voor de CIA werkte. De bladen baseerden zich op anonieme bronnen binnen het Witte Huis. Alom werd aangenomen dat deze bronnen zich via Plame wilden wreken op Wilson. Met hun openbaring suggereerden ze dat Wilsons bezoek aan Niger niet meer was dan een snoepreisje, dat zijn vrouw voor hem had geregeld. Het openbaar maken van de identiteit van geheim agenten is in de Verenigde Staten strafbaar. Toen in oktober 2005 uit justitieel onderzoek bleek dat Lewis Libby een van de anonieme bronnen was, moest hij dan ook aftreden. Als stafchef van vice-president Cheney en veiligheidsadviseur van president Bush was hij een van de meest invloedrijke mensen van de Verenigde Staten.

Plamegate was niet het enige schandaal dat de Republikeinse Partij in verlegenheid bracht. In de zomer van 2005 werd de meest invloedrijke Republikeinse lobbyist, Jack Abramoff, gearresteerd. Hij zou mensen tegen betaling in contact hebben gebracht met zijn relaties rondom de president, maar ook Indianenstammen hebben opgelicht. En Tom DeLay, leider van de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden, zou verkiezingscampagnes van Republikeinse politici hebben laten sponsoren door Texaanse bedrijven. Dit is in Texas verboden. DeLay trad in september af.

6.4.3 Irak 2005-2006

Volgens onderzoek van de krant Wall Street Journal, uitgevoerd in oktober 2005, was 53 procent van de Amerikanen tegen de oorlog in Irak. In maart 2003 was 77 procent nog voor. De verandering van de publieke opinie hing samen met de 2000ste Amerikaanse dode in Irak, die in oktober 2005 viel. Maar er ontstond ook weerzin omdat de oorlog de Amerikaanse staat gemiddeld 6 miljard dollar per maand kostte en veel langer duurde dan aanvankelijk was verwacht. Verder rees de vraag of de Amerikaanse aanwezigheid in Irak wel zin had, want de binnenlandse spanningen namen er in 2005 alleen maar toe. En menig Amerikaan voelde zich bedrogen, omdat het kabinet in 2003 stellig had beweerd dat Irak over massavernietigingswapens beschikte, hetgeen uiteindelijk niet waar bleek te zijn.

President Bush verscheen in 2005 regelmatig op tv om zijn Irak-beleid te verdedigen. Hij zei dat de Iraakse dictator Saddam Hussein zeker geprobeerd zou hebben om massavernietigingswapens te bemachtigen, als de coalitietroepen hem niet hadden verdreven. En die coalitietroepen moesten voorlopig nog in Irak blijven, omdat het land anders een vrijhaven voor terroristen zou worden. Democratische Congresleden zeiden hierop dat extremistische organisaties als al-Qaida pas na de Amerikaans-Britse invasie actief waren geworden in Irak. Ze eisten dat Bush aangaf wanneer Amerika zijn troepen terugtrekt. Met steun van het Congres besloot de president echter dat ze blijven tot Irak zijn eigen binnenlandse veiligheid kan bewaken.

6.4.4 Vervoer en marteling van gevangenen

In de loop van 2005 verschenen in de media berichten over mishandelingen door Amerikaanse militairen in gevangenissen buiten de Verenigde Staten, onder meer in Afghanistan en de Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay op Cuba, waar zo'n vijfhonderd terreurverdachten sinds 2002 vastzitten zonder te zijn veroordeeld. In juni 2005 kwam ook de CIA in opspraak. Mensenrechtenorganisaties beweerden dat de inlichtingendienst terreurverdachten liet ondervragen in landen die martelen, zoals Pakistan, Syrië en Egypte. Op 2 november 2005 meldde de Washington Post dat de CIA kopstukken van het internationale terrorisme vasthield en mishandelde in geheime detentiecentra in Thailand, Afghanistan en Oost-Europa. Medewerkers van de CIA zouden dit tegenover het dagblad hebben verklaard. Hierna spraken regeringen van enkele West-Europese landen het vermoeden uit dat de CIA vliegvelden op hun grondgebied gebruikte voor geheime vluchten, mogelijk voor het vervoer van deze terreurverdachten.

Minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice sprak op 7 november 2005 te Brussel met de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de NAVO-lidstaten. Rice gaf toe dat de CIA terreurverdachten per vliegtuig van het ene naar het andere ondervragingscentrum vervoerde, maar of de geheime detentiecentra werkelijk bestonden, liet ze in het midden. Ze ontkende dat de Amerikaanse regering instemde met marteling.

De Europese ministers accepteerden deze verklaring, maar de Amerikaanse Republikeinse senator John McCain vond het betoog van Rice te vrijblijvend. Op zijn aandringen riep het Congres op 15 december 2005 op tot een wettelijk verbod op hardhandige, inhumane en vernederende behandeling van gedetineerden in Amerikaanse gevangenissen en ondervragingscentra buiten de Verenigde Staten. President Bush dreigde aanvankelijk zijn veto uit te spreken over zo'n verbod. Hij dacht dat de kans op terroristische aanslagen in de Verenigde Staten zou toenemen als gearresteerde terreurverdachten niet langer gedwongen konden worden om hun geheimen prijs te geven. Maar eind december 2005 stemde hij toch met het voorstel in, omdat onder dwang afgelegde bekentenissen volgens deskundigen onbetrouwbaar zijn.

6.4.5 De orkaan Katrina

Eind augustus 2005 verliet het overgrote deel van de inwoners van New Orleans de stad, op de vlucht voor de orkaan Katrina. De orkaan kwam op 29 augustus vanaf de Golf van Mexico aan land. Hij viel in categorie 4 op de schaal van Shaffir-Simpson, met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur. De ravage in New Orleans viel aanvankelijk mee. Wel was er veel schade aan olie-installaties. De olieproductie viel hierdoor terug tot het niveau van 1943. Maar toen een dag na de orkaan dijken van het meer Pontchartrain doorbraken, ontstonden veel grotere problemen. Ca. 80 procent van New Orleans liep onder water, op sommige plaatsen stond het water 7 meter hoog. De naar schatting 100 000 mensen die nog in de stad aanwezig waren, vluchtten naar daken en viaducten. Omdat hulp uitbleef, zaten ze daar dagenlang zonder eten of drinken. Alle winkels waren verwoest of gesloten en werden op grote schaal geplunderd. Ondertussen maakten straatbendes de stad onveilig, omdat het politieapparaat slecht functioneerde. De gemeente had al voor de orkaan het stadion Superdome opengesteld als schuilplaats voor burgers. Voor de ca. tienduizend mensen aldaar was de situatie niet veel beter. De orkaan had een deel van het dak weggeblazen. Tevens bestond er gebrek aan sanitaire voorzieningen, drinkwater, voedsel en medicijnen.

Pas enkele dagen na de ramp kwam het leger naar New Orleans om mensen in veiligheid te brengen. Vanaf 7 september werden de 10 000 mensen die toen nog in de stad waren, op last van burgemeester Ray Nagin gedwongen geëvacueerd. New Orleans zat nog altijd zonder elektriciteit, telefoon, voedsel en drinkwater. De overstroming had tonnen chemisch vervuild slib verspreid en hele wijken waren verwoest.

Half oktober 2005 werd het laatste water weggepompt. Het grootste deel van de stad was eind december echter nog onbewoonbaar. 80 procent van de inwoners was nog niet teruggekeerd. Er waren inmiddels ruim 1300 doden geborgen, het merendeel in de kustgebieden van de staten Louisiana, waar New Orleans in ligt, en Mississippi. Onder hen waren ca. 200 patiënten van ziekenhuizen en verpleeghuizen, die niet waren geëvacueerd. Er werden nog ca. 3000 mensen vermist.

Ondertussen analyseerden de media en de politiek wat er precies was misgegaan. De mensen die New Orleans niet tijdig waren ontvlucht, bleken vrijwel allemaal Afro-Amerikanen en ouderen te zijn, die het geld niet hadden om weg te gaan. Van de bevolking van New Orleans was overigens 70 procent zwart. Een derde leefde onder de armoedegrens. In de hele Verenigde Staten was dat in 2005 12,7 procent.

De federale overheid had de ernst van de situatie pas laat ingezien en bovendien stroef samengewerkt met de lokale overheden. President Bush bood hiervoor zijn excuses aan. Daar kwam bij dat de federale rampenbestrijdingsdienst slecht functioneerde door onkundig leiderschap. Directeur Michael Brown trad daarom af. De federale politiek werd verder verweten dat ze sinds 2001 veel aandacht had besteed aan terrorismebestrijding, maar weinig oog had voor andere bedreigingen van de veiligheid. En doordat ook milieubescherming geen prioriteit had, hadden projectontwikkelaars de kans gekregen natte natuurgebieden rondom New Orleans in cultuur te brengen. Deze hadden hierdoor hun temperende werking op stormen verloren en konden minder overtollig water absorberen of afvoeren. Ook New Orleans zelf trof blaam. De stad had al jaren eerder geld van de federale overheid gekregen voor dijkverzwaring. Dit was echter aan andere doelen besteed.

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum