Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigde Staten van Amerika

Resultaten van Windows Live® Search

  • Verenigde Staten - Wikipedia

    De Verenigde Staten, officieel de Verenigde Staten van Amerika, afgekort VS (Engels: United States of America, afgekort USA of US), zijn een federatie van 50 Staten en het district ...

  • VERENIGDE STATEN

    VERENIGDE STATEN ... Geografie Algemeen De Verenigde Staten van Amerika (officieel: United States of America), is een federale republiek in Noord-Amerika, en omvat het District of ...

  • in de Verenigde Staten van Amerika

    onze Amerikareis 2004 dag voor dag-----our America journey 2004 day by day. Lannoo's Reisgids Rocky Mountains Een ideale reisgids om je reisprogramma op maat ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 11 van 14

Verenigde Staten van Amerika

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van de Verenigde Staten van AmerikaVlag en volkslied van de Verenigde Staten van Amerika
Artikeloverzicht

6.2.5 Irak 2002-2004

Irak was een van de weinige landen die de aanvallen van 11 september 2001 niet veroordeelden, maar een directe betrokkenheid kon niet worden aangetoond. In januari 2002 kwalificeerde Bush in zijn State of the Union drie landen als de ‘As van het Kwaad’: Irak, Iran en Noord-Korea, en Bush liet weten eindelijk te willen afrekenen met de Iraakse leider Saddam Hussein. Dit voornemen leidde tot verhitte discussies binnen de regering over de vraag of Amerika zelfstandig tegen Irak zou optreden of alleen wanneer het een mandaat kreeg van de VN-Veiligheidsraad. Daarbij spraken minister van Defensie Donald Rumsfeld en Nationaal Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice zich uit voor eventuele unilaterale actie, terwijl minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell het belang van een internationale aanpak benadrukte. Ook de Britse premier Tony Blair, die zich als enige van de Europese bondgenoten bereid verklaarde de Verenigde Staten in zo’n actie te steunen, pleitte voor een brede coalitie.

In het najaar van 2002 diende Bush bij de Veiligheidsraad een nieuwe resolutie over Irak in, met de impliciete waarschuwing dat Irak bij niet-naleving zou worden aangevallen. Daarbij hielden de Verenigde Staten de optie open om dan eenzijdig op te treden. In november nam de VN-Veiligheidsraad unaniem resolutie 1441 aan. Overeenkomstig de resolutie liet Irak daarop de VN-inspecteurs weer toe en Irak publiceerde een rapport volgens welk het niet meer over massavernietigingswapens beschikte. De Amerikanen wezen dit als onjuist van de hand en stuurden troepen naar het Golfgebied als voorbereiding op een eventuele aanval op Irak. Op 27 januari 2003 brachten de VN-inspecteurs hun eerste rapport uit, waaruit bleek dat Irak veel vragen over zijn wapenarsenaal onbeantwoord liet, en op 5 februari presenteerde minister Powell Amerikaans bewijsmateriaal dat Irak nog altijd over massavernietigingswapens beschikte en banden met al-Qaida had. Een tweede VN-rapportage, op 14 februari, leverde echter weinig nieuw inzicht op. De oorlogsvoorbereiding leidde intussen tot grote verdeeldheid onder de bondgenoten van de Verenigde Staten, en over de vraag of voor een aanval een nieuwe VN-resolutie nodig was. Duitsland lieten weten tegen een aanval te zijn, en kreeg daarin nu bijval van Frankrijk; veel andere EU- en NAVO-landen betuigden steun aan een eventuele aanval.

Op 21 maart 2003 vielen ongeveer 100 000 Amerikaanse, Britse en Australische troepen onder bevel van generaal Tommy Franks Irak binnen. Een dag tevoren was begonnen met het bombarderen van doelen in Bagdad. Binnen de VN-Veiligheidsraad bleek geen overeenstemming mogelijk over een VN-mandaat voor de actie, die volgens de Amerikaanse president Bush en de Britse premier Blair echter werd gewettigd door resolutie 1441 van november 2002. Hoewel de VN-wapeninspecteurs onder leiding van Hans Blix geen overtuigend bewijs konden vinden voor de aanwezigheid van massavernietigingswapens, had minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in februari aanwijzingen gepresenteerd dat Irak aan chemische en kernwapens werkte en terroristen steunde. Veiligheidsraadsleden Frankrijk en Rusland waren niet overtuigd, en binnen de NAVO en de EU ontstond grote verdeeldheid over de kwestie; in Europa werd massaal betoogd tegen de aanval.

Na aanvankelijke tegenslagen (onder meer doordat het Turkse parlement geen grondaanval via Turkije toestond) trokken de coalitietroepen op 9 april 2003 Bagdad binnen, waar velen hen als bevrijders toejuichten. Op 1 mei verklaarde Bush dat de oorlog voorbij was. Ongeveer 400 man van de coalitietroepen waren gesneuveld. Veel kopstukken van het regime gaven zich over of werden opgepakt, maar Saddam Hussein bleek ontkomen; de Amerikanen zetten US$ 25 mln op zijn hoofd. Van de vermeende massavernietigingswapens werd geen spoor gevonden. Pas op 13 december 2003 werd Saddam Hussein nabij zijn geboortestad Tikrit gearresteerd na door iemand uit zijn nabije omgeving te zijn verraden.

Terwijl de hevige bombardementen veel burgerslachtoffers (schattingen spreken van 5500 doden) hadden geëist en grote schade hadden aangericht (ook aan de water- en stroomvoorziening), bleek de coalitie slecht voorbereid op herstel. In mei 2003 benoemde Bush diplomaat Paul Bremer III tot burgerlijke bewindvoerder. De VN-Veiligheidsraad gaf de coalitie een mandaat om het land voorlopig te besturen, en onder meer Italië, Japan, Nederland, Polen, Spanje, Turkije en Zuid-Korea stuurden vredestroepen.

De buitenlanders en hun Iraakse medestanders (vooral politie) werden echter het doelwit van toenemend geweld, waarvan de herkomst veelal onduidelijk bleef. De VN en het Rode Kruis trokken zich na bloedige aanslagen op hun hoofdkantoren grotendeels terug. De VS benoemden in juli 2003 een Iraakse regeringsraad en zegden toe in juni 2004 de macht te zullen overdragen aan een voorlopige regering. Op een donorconferentie in Madrid zegden veel landen financiële steun toe. De vaak lucratieve contracten voor de wederopbouw gingen echter vooral naar Amerikaanse bedrijven met connecties binnen de regering.

Begin april 2004 gaf minister van Buitenlandse Zaken Powell toe dat de bewijzen die hij in februari 2003 aan de hand van satellietfoto's, opnamen van onderschepte gesprekken en informatie van overgelopen Irakezen aan de VN-Veiligheidsraad had gepresenteerd om de Raad ervan te overtuigen dat Irak een gevaar voor de wereld was en een oorlog onvermijdelijk, ondeugdelijk waren. Zij waren gebaseerd op gebrekkige en foute inlichtingen. Nog steeds waren in Irak geen massavernietigingswapens aangetroffen.

De aanhouding van Saddam Hussein, eind 2003, kon niet voorkomen dat de oorlog gevaarlijk escaleerde. Bloedige aanslagen waren aan de orde van de dag, veelal nadrukkelijk gericht op het torpederen van politiek en economisch herstel: systematische aanslagen op politiebureaus en op nieuwe rekruten voor leger en politie, vernielingen van oliepijpleidingen en nutsvoorzieningen en het vermoorden van medewerkers daarvan. Ook werd het moreel van Amerika’s bondgenoten systematisch ondermijnd door gerichte aanslagen, ontvoeringen en onthoofdingen (voor de camera en via internet verspreid). Een tiental bondgenoten haakte af, zoals Spanje, nadat na de aanslagen in Madrid op 11 maart 2004 een andere regering was gekozen, of liet weten de missie niet te zullen verlengen, zoals Nederland.

Eind april 2004 barstte een schandaal los toen buitengewoon schokkende foto's werden gepubliceerd van Irakezen die in de Abu Ghraib-gevangenis nabij Bagdad werden vernederd en gemarteld door Amerikaanse militairen. De verantwoordelijke Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld kwam zwaar onder vuur te liggen. Democraten eisten zijn aftreden. Rumsfeld bood zijn 'diepste verontschuldigingen' aan voor de misdragingen, maar weigerde af te treden. President Bush, vice-president Cheney en adviseur nationale veiligheid Condoleezza Rice hielden hem de hand boven het hoofd. In de loop van 2005 werden negen Amerikaanse militairen bestraft; de veroordeelden kregen maximaal tien jaar gevangenisstraf. Ze waren allen militairen van lagere rang, die zeiden in opdracht van hun superieuren te hebben gehandeld. Het ministerie van Defensie ontkende dit. Geen enkele hogere militair of politicus zou opdracht hebben gegeven om gedetineerden te mishandelen. De veroordeelden zouden op eigen initiatief hebben gehandeld. Ze hadden hiertoe de kans gekregen omdat er indertijd te weinig leidinggevenden waren in Irak.

De Amerikanen probeerden hun eigen rol in de strijd terug te brengen door de Verenigde Naties en de NAVO meer te betrekken en het gezag geleidelijk over te dragen aan een Iraaks interim-bewind. Dat lukte ten dele; op 8 juni 2004 nam de VN-Veiligheidsraad een resolutie aan voor de instelling van een interim-regering, die in januari 2005 te houden verkiezingen moest voorbereiden, en de NAVO besloot zich te belasten met de training van Iraakse militairen en politie. Op 28 juni 2004, twee dagen eerder dan gepland om eventueel geweld vóór te zijn, droegen de Verenigde Staten de soevereiniteit over aan de Iraakse interim-regering, onder leiding van de uit ballingschap teruggekeerde Iyad Allawi. Vlak na de overdracht verliet civiel bestuurder Paul Bremer Irak en keerde terug naar de VS.

In het najaar van 2004 werd de opstandige stad Falluja grotendeels verwoest. Er werden tussen de 1000 en 1200 opstandelingen gedood. Het aantal burgerslachtoffers werd vele malen hoger geraamd, maar bleef onbekend; bij de aanval op Falluja wezen de Amerikanen hulp van het Rode Kruis af.

6.2.6 Noord-Korea

De strijd tegen het terrorisme werd verder gecompliceerd toen Noord-Korea in oktober 2002 bekendmaakte aan een kernbom te werken, in strijd met het verdrag uit 1994 waarbij de Verenigde Staten in ruil voor stopzetting van het nucleaire programma olie leverden. Washington zette die levering stop, waarop Noord-Korea aankondigde de productie van plutonium te hervatten en de VN-inspecteurs uitwees. De spanning liep verder op toen bleek dat Noord-Korea al over beschikte over een of meer kernwapens en over raketten die de Verenigde Staten zouden kunnen bereiken. In januari 2003 zegde Noord-Korea het Non-Proliferatieverdrag op. Het land weigerde multilaterale besprekingen en dreigde met een kernaanval op de VS (waartoe experts het technisch in staat achtten). In augustus 2003 stemde Noord-Korea toch in met besprekingen, waaraan ook Zuid-Korea, China en Japan deelnamen, in Peking, maar stelde daar eisen (veiligheidsgaranties en hulp, in ruil voor bevriezing van het kernwapenprogramma) die voor de VS onaanvaardbaar waren. Uiteindelijk werden in juni 2004 officieel besprekingen geopend, maar deze liepen vast op wederzijdse verwijten.

6.2.7 Syrië

Al vóór de invasie van Irak beschuldigde Amerika Syrië ervan wapens te leveren, zelf over chemische wapens te beschikken en terroristen te steunen. In april 2003 bezocht minister van Buitenlandse Zaken Powell Damascus, waar hem alle medewerking werd toegezegd. Maar in september volgden nieuwe dreigementen, terwijl het Congres economische sancties voorbereidde. Washington protesteerde niet toen Israël in oktober een Palestijns kamp in Syrië bombardeerde.

Op 11 mei 2004 kondigde president Bush sancties tegen Syrië af. Alle export naar Syrië, behalve die van voedsel en medicijnen, werd verboden omdat het land terroristen zou steunen en massavernietigingswapens zou bezitten. De maatregel volgde uit een voorstel van het Congres dat eind 2003 wet werd. Syrië veroordeelde de sancties als 'onrechtvaardig en ongerechtvaardigd'.

6.2.8 Iran

Minister Donald Rumsfeld van Defensie liet in mei 2003 weten dat de VS ook in Iran een ander bewind willen zien; de Amerikanen beschuldigden het land van steun aan terrorisme. Ook zou Iran in strijd met het Non-Proliferatieverdrag kernwapens ontwikkelen. Na zware druk van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) stemde Iran in oktober 2003 in met strengere en onaangekondigde controles van de nucleaire installaties in het land door inspecteurs van het IAEA. Toen Iran eind december 2003 werd getroffen door een zware aardbeving, boden de VS humanitaire hulp en ontstond enige toenadering. Toch bleef Iran aan verrijking van uranium werken. In november 2004 beloofde Teheran de Europese Unie het programma te zullen opschorten, maar volgens Washington ging Iran in het geheim door met de ontwikkeling van kernwapens.

6.2.9 Verhoudingen in het Congres

Bij de tussentijdse verkiezingen in november 2002 verloren de Democraten hun meerderheid van één zetel in de Senaat en vergrootten de Republikeinen hun meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, een uitslag die een duidelijke steun betekende voor het beleid van president Bush. Afgevaardigde Dick Gephardt trad daarop af als leider van de Democratische fractie in het Huis, en werd opgevolgd door Nancy Pelosi, de eerste vrouwelijke fractieleider.

De gelijktijdig met de presidentsverkiezingen gehouden verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden en voor 34 zetels van de Senaat brachten de Republikeinen in november 2004 winst: zij kregen ten minste 231 van de 435 zetels in het Huis van Afgevaardigden en 55 van de 100 zetels in de Senaat.

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum