![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigde Staten van Amerika |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 10 van 14
Verenigde Staten van AmerikaEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Bevolking; 2. Bestuur en samenleving; 3. Economie; 4. Geschiedenis tot WO II; 5. Geschiedenis na WO II; 6. De 21ste eeuw
De verkiezingen van november 2000 gingen tussen de Democratische vice-president Al Gore en de Republikeinse gouverneur George W. Bush van Texas. In hun strijd voor het presidentsschap werden Gore en Bush terzijde gestaan door respectievelijk senator Joseph Lieberman van Connecticut en door Dick Cheney, de voormalig minister van Defensie onder zijn vader George Bush. De verkiezingsstrijd draaide inhoudelijk vooral om Bush’ belofte van belastingverlaging, terwijl Gore voorrang gaf aan schuldaflossing en het veiligstellen van de oudedagsvoorziening. Doordat in de staat Florida, waarvan de uitslag beslissend was voor het winnen van de verkiezingen, Al Gore slechts enkele honderden stemmen minder leek te hebben dan George Bush, werd besloten tot hertelling. Maar de eerste hertellingen gaven geen uitsluitsel, en na een reeks rechtszaken over hertellingen, wees het federale Hooggerechtshof een laatste hertelling af, waardoor Bush officieel winnaar werd; Al Gore erkende zijn nederlaag. Bij verschillende onderzoeken in 2001 bleek uiteindelijk dat de zege van George Bush inderdaad terecht was. Om een situatie als deze in de toekomst te voorkomen, presenteerden twee ex-presidenten, Jimmy Carter en Gerald Ford, in augustus 2001 een plan tot hervorming van de verkiezingsprocedures. In oktober 2002 bereikte het Congres overeenstemming over hervorming en modernisering van het verkiezingsstelsel om problemen als tijdens de presidentverkiezingen van 2000 in Florida te voorkomen. Het systeem zou pas na 2004 operationeel zijn. De bittere juridische strijd om de uitslag (en het feit dat Gore in totaal meer stemmen had gekregen) leidde tot een verscherping van de tegenstellingen tussen beide grote partijen en betekende dat de nieuwe president een zwak mandaat zou hebben. In de Senaat hadden beide partijen nu evenveel zetels, terwijl de kleine Republikeinse meerderheid in het Huis verder slonk en zelfs toen de Republikeinse senator James Jeffords van Vermont in mei 2001 uit protest tegen de weinig verzoenende opstelling van de nieuwe regering opstapte. Bij de Congresverkiezingen in november 2002 verloren de Democraten hun meerderheid van één zetel in de Senaat en vergrootten de Republikeinen hun meerderheid in het Huis.
De nieuwe president wees de gerespecteerde voormalig generaal en chef-staf Colin Powell aan als minister van Buitenlandse Zaken en politicologe Condoleezza Rice als Nationale Veiligheidsadviseur. Donald Rumsfeld werd minister van Defensie, een post die hij ook al onder president Ford had vervuld. Bush koos John Ashcroft, een conservatieve ex-senator van Missouri, als minister van Justitie, terwijl Paul O’Neill, topman van aluminiumconcern Alcoa, de post Financiën kreeg. In februari 2001 presenteerde Bush zijn plan voor een belastingverlichting van $ 1600 miljard over tien jaar, door onder meer een sterke verlaging van de toptarieven in de inkomstenbelasting en de successierechten. De plannen kregen veel kritiek, omdat zij ten koste zouden gaan van het onder Clinton gerealiseerde begrotingsevenwicht en de vermindering van de staatsschuld, maar de regering wees op de noodzaak de afzwakkende economie een impuls te geven. In mei werd een aangepast plan aangenomen, dat voorzag in een belastingverlaging van $ 1350 miljard. Ook op andere terreinen rekende de nieuwe regering af met de erfenis van de Democraten. Een aantal onder Clinton ingevoerde milieuwetten werd ingetrokken. De regering besloot steun aan internationale hulporganisaties te staken indien deze abortus in hun pakket hadden. Bush’ energiewet, die onder meer voorzag in belastingfaciliteiten voor de sector en toestemming voor omstreden olieboringen in een natuurreservaat in Alaska, kreeg brede steun in het Congres, evenals de onderwijswet, die hogere eisen stelde aan de kwaliteit van openbare scholen. De staat Californië werd begin 2001 getroffen door herhaalde stroomstoringen als gevolg van achtergebleven investeringen in opwekkingscapaciteit, die in verband werden gebracht met een ondoordachte deregulering van de sector. Ook elders deden zich tekorten voor. De stroomtarieven stegen met tientallen procenten. In het buitenland maakte de regering-Bush zich in de eerste helft van 2001 niet zeer geliefd. In maart liet Bush weten geen heil te zien in het ook door de VS getekende Kyoto-protocol uit 1997 ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. In mei bevestigde hij de Amerikaanse intentie een ‘ruimteschild’, een raketafweersysteem in de ruimte, te bouwen, en distantieerde hij zich van het ABM-verdrag uit 1972, dat dergelijke systemen verbood. Diezelfde maand blokkeerde het Huis opnieuw de achterstallige contributies aan de Verenigde Naties, nadat het Amerikaanse lid van de VN-mensenrechtencommissie was weggestemd. In december 2001 nam de Senaat ten een afgezwakte versie aan van een amendement van het Huis tegen deelname aan het Internationaal Strafhof ter vervolging van oorlogsmisdadigers in Den Haag (het oprichtingsverdrag daartoe was in december 2000 door president Clinton getekend.) In mei 2002 trok de regering zich officieel terug uit het verdrag. Ook weigerden de Verenigde Staten het mandaat van de VN-vredesmacht in Bosnië te verlengen zolang deelnemende militairen onder jurisdictie van het Strafhof zouden vallen. Daarop besloot de Veiligheidsraad deelnemers aan VN-vredesmissies tijdelijke immuniteit te verlenen, zoals ook bleek te zijn bedongen voor Europese deelnemers aan de VN-operaties in Afghanistan. In oktober 2002 besloot de EU de mogelijkheid te bieden dat Amerikaanse verdachten in de Verenigde Staten zelf zouden worden berecht, indien het om het personen op officiële missies ging. In juli 2001 dwarsboomden de VS een VN-plan om de handel in kleine wapens aan te pakken, en verwierp de regering een ontwerpprotocol voor de naleving van de in 1972 gesloten conventie tegen biologische wapens.
In de morgen van 11 september 2001 boorde een Boeing-767 van American Airlines, met 92 inzittenden, zich in de noordtoren van het World Trade Center in Lower Manhattan in New York; 16 minuten later vloog een Boeing-757 van United Airlines, met 65 personen aan boord, tegen de zuidtoren. Terwijl duizenden mensen in paniek de brandende gebouwen ontvluchtten, kwam om 9.40 uur een Boeing-757 van American Airlines, met 64 mensen aan boord, neer op het Pentagon, het ministerie van Defensie, in Washington. Tegen half elf stortte in New York de zuidtoren in, enkele minuten later de noordtoren, duizenden mensen (onder wie honderden toegesnelde hulpverleners) verpletterend. Tegelijk stortte nabij Pittsburgh, Pennsylvania, een Boeing-757 van United Airlines, met 44 inzittenden, neer. Later bleek dat alle toestellen waren gekaapt voor zelfmoordacties, waarbij een kaper het vliegtuig bestuurde. Bij de vierde actie, mogelijk gericht op het Witte Huis, hadden (zo bleek uit telefoongesprekken met passagiers) enkele inzittenden de kapers overmeesterd. President Bush, op bezoek in Florida, keerde, na een kort verblijf op een luchtmachtbasis, terug naar Washington, waar hij de natie toesprak en beloofde de verantwoordelijken te zullen opsporen en straffen. In eerste instantie dachten velen aan een wraakactie van Irak, maar de meeste van de 19 kapers konden snel worden geïdentificeerd en bleken banden te onderhouden met het al-Qaida-netwerk van de Saoediër Osama bin Laden, die ook betrokken was geweest bij de bloedige aanslagen op Amerikaanse ambassades in Afrika, in 1998, en die in Afghanistan verbleef. Terwijl in New York naar overlevenden werd gezocht en voorzichtig begonnen werd met puinruimen, werden in de VS en in verschillende Europese landen honderden verdachten gearresteerd, waarmee vermoedelijk andere terroristische acties werden voorkomen. Uiteindelijk bleken in New York ongeveer 2800 slachtoffers te zijn gevallen (veel minder dan aanvankelijk werd gevreesd) en in Washington 189. Na 11 september werd de toon van de buitenlandse politiek bepaald door de noodzaak een wereldbrede coalitie tegen het internationale terrorisme op te bouwen, en werden oude geschillen bijgelegd. Vooral de verhouding met Rusland verbeterde sterk. Rusland en enkele Centraal-Aziatische voormalige sovjetrepublieken nabij Afghanistan steunden de geallieerde actie. Maar ondanks een persoonlijke top van Bush met president Vladimir Poetin, in Texas in november 2001, kon geen overeenstemming worden bereikt over het ABM-verdrag (waarover de VS de Russen in augustus een ultimatum hadden gesteld), en in december zegde Bush alsnog eenzijdig het verdrag op. In mei 2002 tekenden hij en president Poetin in Moskou een nieuw verdrag dat voorzag in reductie van de wederzijdse aantallen kernkoppen met twee derde over een periode van tien jaar; in Rome bevestigden de leiders van de NAVO-landen daarop een nieuw ‘partnerschap’ met Rusland. Op 11 december 2001 werd de eerste verdachte van de aanvallen van 11 september aangeklaagd, de zgn. ‘twintigste kaper’, die vóór 11 september na een tip was aangehouden. In oktober had het Congres de regering speciale bevoegdheden verleend om het terrorisme te bestrijden. In de Verenigde Staten en daarbuiten werden vele verdachten van gepleegde of geplande aanslagen gearresteerd, onder wie een Amerikaan met banden met al-Qaida die een aanval met een ‘vuile bom’ op Washington zou voorbereiden. Er was echter veel kritiek op het falen van de FBI en de CIA, vooral toen bleek dat er waarschuwingen waren ontvangen voor de aanslagen op 11 september 2001. President Bush besloot daarop tot een ingrijpende reorganisatie van het veiligheidsapparaat, en de instelling van een overkoepelend ministerie van Binnenlandse Veiligheid. De 9/11-commissie, die de aanslagen van 2001 moest onderzoeken, bracht in juli 2004 een rapport uit dat uiterst kritisch was over de regering. Zo had Bush bij zijn aantrede in 2001 de waarschuwingen van zijn voorganger, Clinton, genegeerd, hadden de inlichtingendiensten langs elkaar heen gewerkt en had vice-president Cheney ten onrechte naar Saddam Hussein gewezen. De commissie adviseerde een Nationale Directeur Inlichtingen te benoemen om de inspanningen op dit gebied te bundelen, waartoe de CIA zou moeten worden opgesplitst. Bush nam het voorstel over, dat ondanks bedenkingen van veel Republikeinen in december 2004 door het Congres werd aanvaard.
Vrijwel direct na de aanslagen van 11 september 2001 ondernamen Bush en minister Colin Powell van Buitenlandse Zaken een diplomatiek offensief om internationale steun te verwerven voor militaire actie tegen de daders en landen die hun onderdak boden. De meeste landen, ook Pakistan, dat diplomatieke betrekkingen onderhield met het Talibanbewind in Afghanistan, schaarden zich achter de VS, en de VN-Veiligheidsraad nam een resolutie aan die sancties mogelijk maakte tegen landen die terroristen steunden. De NAVO-landen verplichtten zich, overeenkomstig artikel 5 van het handvest, tot steun aan de aangevallen bondgenoot. Het Talibanregime weigerde Bin Laden uit te leveren, maar terwijl de VS, met steun van vooral Groot-Brittannië, zich opmaakten voor een militaire actie en veel Afghanen het land ontvluchtten, liet Bush weten geen snelle, massale tegenaanval te zullen ondernemen. Pas op 7 oktober 2001 werd begonnen met luchtaanvallen op strategische doelen (operatie-Enduring Freedom). Enkele weken later werden ook Amerikaanse en Britse commando-eenheden ingezet. Verschillende andere NAVO-landen leverden ondersteunende troepen en materieel. Op 13 november 2001 trok de Noordelijke Alliantie Kabul binnen en sloegen de Talibantroepen op de vlucht. Op andere plaatsen werd fel weerstand geboden, vooral in Kandahar, waar Talibanleider Mohammed Omar zetelde. Op 7 december kwam het regime ten val, maar bleek Omar verdwenen. Twee dagen eerder was overeenstemming bereikt tussen vertegenwoordigers van verschillende Afghaanse groeperingen over de instelling van een interimregering, met als president de Pathaanse leider Hamid Karzai. De Europese Unie besloot een vredesmacht in het land te stationeren. In december 2001 viel ook het al-Qaida-bolwerk in de bergen van Tora Bora, nabij Jalalabad, maar Bin Laden werd niet gevonden en bleek eind 2002 nog in leven te zijn. Een andere leider van het netwerk, Abu Zubaydah, werd in 2002 in Pakistan opgepakt en aan de Verenigde Staten uitgeleverd. Op 1 maart 2003 arresteerde de Pakistaanse politie nummer drie van het terreurnetwerk al-Qaida, Khaled Sheikh Mohammed en in 2004 volgden in Jemen de arrestatie van nog twee al-Qaida-kopstukken, Abdul Rauf Nassib en de Egyptenaar Sayyed Imam Sherif. Toch bleven al-Qaida en de Taliban actief in Afghanistan. Gevangen strijders werden overgebracht naar een speciaal ingericht kamp bij de Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay op Cuba. De detentie van circa 600 strijders uit Afghanistan op de basis Guantánamo Bay (waar volgens het Rode Kruis enkele tientallen zelfmoord pleegden) en het voornemen van geheime berechting gaf aanleiding tot kritiek omdat deze in strijd zou zijn met het internationale oorlogsrecht. Enkele Britten en een Australiër onder hen kregen op aandringen van hun regeringen juridische bijstand. In december 2003 bepaalden twee beroepshoven dat de gevangenen ten onrechte werden uitgesloten van hun grondwettelijke rechten; eerder had het Hooggerechtshof aangekondigd zich over de zaak te zullen buigen. Pas in de loop van het jaar 2004 werd een aantal verdachten vrijgelaten en werden enkele Britten, Fransen, Russen, een Spanjaard en een Saoediër aan de autoriteiten van hun vaderland overgedragen. In juni van dat jaar besliste het Hooggerechtshof dat de gedetineerden een beroep konden doen op de normale Amerikaanse rechtsgang. In augustus mochten de gevangenen voor het eerst met journalisten praten. In december 2004 zou de eerste verdachte worden voorgeleid, maar dit werd afgelast nadat een federale rechter in Washington had bepaald dat de procedure in strijd was met de Conventies van Genève. De verdrijving van de Taliban en al-Qaida uit Afghanistan werd in oktober 2004 weliswaar bekroond met de vrije verkiezing van Hamid Karzai tot president, maar grote delen van het land bleven onveilig; Osama bin Laden bleef onvindbaar en zond af en toe een boodschap uit, onder meer vlak voor de Amerikaanse verkiezingen.
De noodzaak een draagvlak te bouwen in de Arabische wereld zette de relatie met Israël op scherp. Premier Ariel Sharon werd onder zware druk gezet om escalatie van het conflict te voorkomen, en Bush sprak zich openlijk uit voor een Palestijnse staat. Toen in december het geweld steeds verder uit de hand liep, liet Bush echter weten toch begrip te hebben voor het harde optreden van Sharon, die daarop rechtstreeks de oorlog verklaarde aan de Palestijnse Autoriteit van Arafat. In maart 2002 steunden de Verenigde Staten een VN-resolutie waarin voorzien werd in een Palestijnse staat. Premier Sharon had echter geen animo voor hernieuwde vredesonderhandelingen en vergeleek de terroristische acties van het Palestijnse verzet met die van al-Qaida. In juni 2002 sprak Bush zijn steun uit voor Sharons eis dat eerst Arafat van het toneel moest verdwijnen. Tezamen met de VN, de EU en Rusland lanceerden de VS eind april 2003 een nieuwe ‘routekaart’ naar vrede, die door Israël en de nieuwe Palestijnse regering van Mahmoud Abbas werd geaccepteerd. Israël weigerde echter nederzettingen te ontruimen en ging door met de bouw van een omstreden muur, veelal dwars door Palestijns land. Na een gesprek met Abbas veroordeelde Bush de muur, om later tegenover Sharon zijn bezwaren weer terug te nemen. Een staakt-het-vuren van Hamas en andere extremistische groepen hield geen stand en in september trad Abbas af. Bij wijze van sanctie werden de Amerikaanse garanties voor Israëlische leningen voor nieuwe nederzettingen iets verlaagd. Maar Sharons aankondiging, in december, eenzijdig grenzen te zullen vaststellen wanneer het Palestijnse geweld niet binnen enkele maanden zou ophouden, werd in Washington met instemming begroet. Op 14 april 2004 sprak president Bush in een brief zijn steun uit voor het plan van premier Sharon om alle 21 Israëlische nederzettingen in de Gazastrook te ontruimen, en in ruil daarvoor de grote verstedelijkte nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te behouden. Ook zei Bush dat de Palestijnen die in 1948 hun land ontvluchtten, en hun nazaten, nooit mogen terugkeren. Deze koerswijziging van Bush stond lijnrecht tegenover het tot dan toe door de Amerikanen ingenomen standpunt dat de Israëlische nederzettingenpolitiek een obstakel voor vrede was, en was strijdig met de door de Verenigde Staten, de Verenigde Naties, de Europese Unie en Rusland opgestelde routekaart naar vrede. Het plan van Sharon had zowel in Israël als in de Palestijnse gebieden al voor grote beroering gezorgd. Sharons eigen partij, Likud, hield op 2 mei een referendum over het plan. Dit liep uit op een zware nederlaag voor Sharon: 59,9% stemde tegen. Na de dood van Arafat, in november 2004, zei Bush dat nieuw Palestijns leiderschap de kans op vrede verhoogde; hij ging niet in op de oproep van de Britse premier Blair om een internationale conferentie te beleggen, maar zei wel dat de VS zich ervoor inzetten in 2008 een Palestijnse staat te vestigen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |