![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 3
Verenigde NatiesEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Ontstaan; 2. Doeleinden en beginselen; 3. Organisatie; 4. Van 1945 tot 1990; 5. Jaren negentig; 6. Na 2000
Sinds de eerste VN-milieuconferentie in 1972 in Stockholm heeft de internationale milieuproblematiek geleidelijk aan meer aandacht gekregen binnen de VN. Een mijlpaal was de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) in 1992 in Rio de Janeiro, waar het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ centraal stond. Net als op veel andere terreinen is ook hier het verwijt dat de multilaterale besluitvorming veel te traag gaat, gelet op de ernst van de problemen.
Aan het begin van de jaren negentig – met het einde van de Koude Oorlog en met de Iraakse bezetting van Koeweit - raakte de rol van de VN bij de zorg voor de internationale vrede en veiligheid in een stroomversnelling. Die rol was tot dan hoofdzakelijk beperkt gebleven tot ‘peacekeeping’, het opzetten van VN-vredesoperaties (waarnemersmissies en lichtbewapende VN-vredesmachten) die binnen zeer beperkte richtlijnen moesten opereren. Sinds 1945 hebben de VN tientallen van dit soort operaties uitgevoerd, vooral na 1988. De peacekeeping-operaties van de VN zijn onderscheiden met de Nobelprijs voor de vrede. De toename na 1988 was een gevolg van de actievere bemoeienis van de Veiligheidsraad (door de verbeterde betrekkingen tussen de VS en Rusland) met een groot aantal regionale conflictsituaties (Iran, Irak, Afghanistan, Namibië, Cyprus, de Westelijke Sahara, Nicaragua, Cambodja) en een dynamische uitbreiding van de doctrine van peacekeeping. VN-vredesoperaties kregen steeds meer het karakter van gemengde militaire, civiele en politie-operaties. Ze waren niet altijd even succesvol. De vredesoperaties van de VN in het door burgeroorlog verscheurde Bosnië-Hercegovina liep in 1995 uit op een mislukking, met als dramatisch dieptepunt de val van de moslimenclave Srebrenica. Pas nadat de militaire taken van de VN in Bosnië door NAVO-troepen werden overgenomen en de Verenigde Staten zich nadrukkelijk met de oorlog begonnen te bemoeien, kon een vredesakkoord (zie akkoorden van Dayton) worden afgedwongen. De VN kregen niettemin een steeds groter takenpakket, o.a. in de sfeer van de mensenrechten, bij het toezicht op verkiezingen, bij de ontwapening en demobilisatie en de terugkeer in de samenleving van voormalige guerrilla- en legereenheden, en ook in de bestuurlijke sfeer (Cambodja).
Maar de belangrijkste ontwikkeling deed zich voor in de rol die de Veiligheidsraad speelde na de Iraakse bezetting van Koeweit, in augustus 1990. Voor het eerst in de geschiedenis van de VN maakte de Raad toen serieus gebruik van al zijn bevoegdheden krachtens hoofdstuk VII van het VN-Handvest. In de verschillende stadia van de Golfcrisis stelde hij achtereenvolgens een alomvattend handelsembargo in en besloot hij tot militair optreden tegen de Iraakse aanwezigheid in het buurland. In de nasleep van de Golfoorlog (zie Tweede Golfoorlog) gaf hij het sein tot een humanitaire hulpoperatie na de onderdrukking van de opstand van de Koerden in Noord-Irak en legde hij Irak dwingend een reeks bestandsvoorwaarden op, waarbij de Iraakse regering zich een actieve inmenging in binnenlandse aangelegenheden moest laten welgevallen. Deze toepassing van dwangmaatregelen over een breed front was mogelijk dankzij een ongekende unanimiteit onder de leden van de Raad.
Tegelijkertijd rezen er ook twijfels over de toepassing van het systeem van collectieve veiligheid (de effectiviteit van economische sancties, het militaire verloop van de oorlog, de rol van de Veiligheidsraad, enz.), over de dominante positie van de Verenigde Staten en over de samenstelling van en het vetorecht in de Raad. Zo drongen velen aan op toetreding tot de Raad van landen als Japan, Duitsland, India, Brazilië en Egypte als permanent lid, al dan niet met vetorecht. Dat nam echter niet weg dat de Veiligheidsraad na de Golfoorlog steeds meer opschoof naar het centrum van de internationale besluitvorming. Daarmee werd ook steeds meer een beroep gedaan op het VN-instrumentarium voor collectieve veiligheid. In zijn bemoeienissen met de kwestie-Libië (over de uitlevering van Libiërs, verdacht van het neerhalen van burgervliegtuigen) en de situatie in het voormalige Joegoslavië besloot de Raad opnieuw tot (economische en diplomatieke) strafmaatregelen, inclusief een wapenembargo. Anderzijds raakten de VN steeds meer betrokken bij andere regionale conflictsituaties, reden waarom de Veiligheidsraad begin 1992 aandrong op een versterking van de mogelijkheden voor preventieve diplomatie, ‘peacemaking’ en ‘peacekeeping’. Tegelijkertijd groeide ook de twijfel over de effectiviteit van de doctrine van peacekeeping, die immers de instemming en blijvende medewerking van alle partijen in het conflict veronderstelt. Onder invloed van met name de situatie in Somalië, Cambodja en Bosnië-Hercegovina ontstond ook een debat over de wenselijkheid van ‘humanitaire interventie’, het gewapenderhand ingrijpen in een conflictsituatie om humanitaire redenen. In zijn verklaring van 31 januari 1992 effende de Veiligheidsraad de weg voor een actievere bemoeienis met internationale politieke vraagstukken in de toekomst: aan de ene kant door de strijd tegen de verspreiding van wapens voor massavernietiging en tegen het internationaal terrorisme op te voeren als een zorg voor collectieve veiligheid, aan de andere kant door ook niet-militaire bronnen van stabiliteit (op economisch, sociaal, humanitair en ecologisch gebied) aan te merken als bedreigingen voor de vrede en veiligheid. Zie ook Joegoslavië-tribunaal.
In 2001 kregen de VN en hun secretaris–generaal Kofi Annan samen de Nobelprijs voor de vrede toegekend. In het najaar van 2003 trok Kofi Annan de aandacht met zijn pleidooien voor een ‘radicale hervorming’ van de VN. Tegen de achtergrond van de oorlog tegen Irak, waarbij de Veiligheidsraad, in strijd met de afspraken in het VN-Handvest, door de coalitie werd gepasseerd, stelde hij de grondslagen voor het gebruik van geweld in VN-verband ter discussie. Annan riep de lidstaten op zich te bezinnen op de vraag hoe artikel 51 uit het VN-Handvest over het recht op zelfverdediging zich verhoudt tot het concept van de preventieve aanval, zoals door de regering-Bush toegepast bij de aanval op Irak. Hij vroeg in november 2003 een panel van eminente personen nog voor de zomer van 2004 met aanbevelingen te komen over de vraag hoe de VN zich in de toekomst onder deze omstandigheden zouden moeten opstellen – uit vrees dat bij het uitblijven van een reactie de relevantie en het voortbestaan van de VN in gevaar zouden komen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |