Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar tuinarchitectuur

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

tuinarchitectuur

Encyclopedieartikel
Multimedia
Park bij kasteel Schönbrunn te WenenPark bij kasteel Schönbrunn te Wenen
Artikeloverzicht

Introductie

tuinarchitectuur, de kunst van het aanleggen van tuinen en parken waarbij niet wordt uitgegaan van utiliteitsoverwegingen, maar waarbij hoofdzakelijk esthetische uitgangspunten bepalend zijn. Men noemt deze tuinen en parken siertuinen of, als zij tot een bepaalde stijl gerekend worden, stijltuinen. Men gebruikt bij het ontwerpen architectonische principes, bijv. ruimte-indeling, relatie met de omgeving, perspectief, kleur, enz.

1. Geschiedenis

Grafschilderingen wijzen erop dat reeds in het oude Egypte, m.n. in het Nieuwe Rijk, tuinen bestonden; de vorm hield nauw verband met de bevloeiingswijzen, het waterreservoir en de irrigatiegoot. In Mesopotamië met zijn betere watervoorziening bestonden uitgestrekte bomentuinen en op terrassen aangelegde tuinen; van de aanleg van de vanuit de oudheid als een van de wereldwonderen bekende ‘hangende tuinen’ (op terrassen) van Babylon is vrijwel niets bewaard gebleven. Ook legden de Mesopotamiërs in hun tuinen vaak kunstmatige heuvels aan, bekroond door een tempeltje.

De Chinese tuinarchitectuur, waarover de eerste berichten in de 18de eeuw in Europa bekend werden en die toen vermoedelijk invloed hebben gehad op de in Engeland ontstane landschapstijl, is vanouds gericht op het tot stand brengen van een compositie die, door het natuurlijke landschap na te bootsen (door aanleg van heuvels, vijvers, rotspartijen, waartussendoor kronkelige paden liepen en die waren ‘aangekleed’ met houten paviljoentjes en bruggen), de macrokosmos symboliseerde. Deze vanuit China in de 8ste eeuw in Japan geïntroduceerde tuinvorm werd daar enigszins versoberd onder invloed van het zenboeddhisme (Japanse tuin). Bekende tuinen zijn die van Suzhou (China) en Kyoto (Japan).

De Griekse tuinarchitectuur richtte zich behalve op openbare terreinen om tempels ook op de aanleg van wandelparken rond gymnasia, waar o.m. de filosofen gelegenheid hadden disputen te houden (er schijnen weinig particuliere tuinen te zijn geweest). Het hellenisme bracht een grotere weelde en exotische elementen in de tuinaanleg, wat tevens zijn invloed deed gelden op de aanvankelijk simpele strak-geometrische vormen van de Romeinse tuinen, zoals die gebruikelijk waren bij huizen in Pompeji; bekend om zijn fraaie aanleg was de tuin van de Domus Aurea.

Als beginpunt van de tuinkunst in West-Europa worden in het algemeen de late middeleeuwen beschouwd. Gedurende die periode werden nutstuinen (moestuin, boomgaard) aangetroffen bij kloosters en kastelen; slechts in onderdelen (vijver, fontein, vormbomen, geknipte hagen, enz.) werd afgeweken van een louter functionele opzet. Van een geheel andere dan West-Europese invloed getuigen de tussen de 8ste en 15de eeuw in Spanje door de Moren aangelegde lusthoven en tuinen.

Tijdens de renaissance werden de tuinen evenals de gebouwen gecomponeerd op een stelsel van vierkanten die deels kweektuinen, deels siertuinen bevatten. De afzonderlijke vierkante hoven waren omgeven door hagen, loofgangen, enz. De renaissancetuinaanleg heeft zich vanuit Italië over West-Europa uitgebreid. De barokke tuinstijl, eveneens in Italië ontwikkeld, heeft tijdens de regering van Lodewijk XIV, door het werk van de tuinarchitect Le Nôtre, in Frankrijk zijn geacheveerde vorm gekregen. Navolgers, als de veel in Nederland werkende Daniel Marot, voerden ook buiten Frankrijk vele tuinen uit in de Le Nôtre-stijl (Franse tuin). Tijdens de barok was niet het vierkant, maar de rechthoek basisvorm bij het opstellen van de plannen. Het resultaat was een grotere perspectivische werking. In tegenstelling tot de voorgaande perioden werden de parken in de baroktijd opgezet in duidelijke samenhang met de gebouwen; de hoofdassen van gebouw en park vallen samen. Voorbeelden zijn o.a. de tuinen van het Belvédère te Wenen en van het Grote Paleis te Petrodvorets. In de rococoperiode, die vooral in Duitsland tot grote bloei is gekomen, werden de parken kleiner en ingewikkelder: in plaats van één hoofdas bevatte het tuinplan verschillende gelijkwaardige, van het gebouw uitstralende assen, en bovendien werden de tuinen overdadig gestoffeerd met beelden e.d.

De ‘kunstmatige’ symmetrisch monumentale parken werden ca. 1760 gevolgd door op de ‘natuur’ geïnspireerde parken. De landschapstijl kwam tot ontwikkeling in Engeland (Engelse tuin), vooral door het werk van Capability Brown en werd elders in Europa veelvuldig nagevolgd. Deze stijl is gebaseerd op het landschap van een meanderende rivier. Het park bestaat uit een langs vijvers gegroepeerd samenhangend systeem van weiden en boomgroepen. Kenmerkend zijn de steeds wisselende uitzichten. In de landschapstijl werden ook elementen uit de Chinese tuinarchitectuur verwerkt (Kew Gardens door W. Chambers). Deze stijl werd algemeen gebruikelijk, m.n. ook voor openbare parken; in Nederland was Jan David Zocher de bekendste vertegenwoordiger van deze stijl (Vondelpark te Amsterdam; verfraaiing tuin van paleis Soestdijk). De landschapstijl vroeg om grote terreinen en was daardoor eigenlijk ongeschikt voor het merendeel van de particuliere tuinen. In Engeland kwam midden 19de eeuw de cottage-tuin tot ontwikkeling. Deze bestond uit afzonderlijke, door hagen of muren omsloten ruimten (bloementuin, rozentuin, fruittuin, altijdgroene tuin, moestuin, enz.; een voorbeeld is de tuin van Sissinghurst), die in nauwe relatie stonden met de kamers van de woning. Gertrude Jekyll ontwikkelde in deze periode de uit vaste planten samengestelde borders.

De vernieuwingen in schilder- en bouwkunst in het begin van de 20ste eeuw vonden ook hun weerspiegeling in de tuinkunst, waar een op rechthoekige ruimten gebaseerde ‘zakelijke’ ontwerpwijze tot ontwikkeling kwam. Soberheid, evenwel gepaard gaande met grotere speelsheid, is kenmerkend voor de tuinkunst in Zweden en Denemarken, die een grote invloed op de tuinarchitectuur heeft gehad. Ook de veranderende maatschappelijke verhoudingen in het begin van de 20ste eeuw hebben in de tuinkunst hun neerslag gevonden. De sterk toegenomen vrije tijd deed de behoefte aan recreatieparken ontstaan, die geschikt zijn voor velerlei vormen van passieve, maar vooral ook actieve recreatie; de vormgeving van hedendaagse parken is in hoge mate functioneel. Het groeiend bewustzijn inzake de bedreiging van natuur en milieu komt in recente tijd tot uitdrukking in de toenemende belangstelling voor beplantingen met meer inheemse soorten.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum