Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Tsjechische muziekEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Tsjechische muziek, overzicht van de kunstmuziek en volksmuziek uit Tsjechië.
In de middeleeuwen deed zich in Bohemen sterke Duitse en Oostenrijkse invloed gelden. In de 18de eeuw emigreerden Boheemse kunstenaars zoals Koželuh en Kramář (Krommer) naar Wenen, de familie Benda naar Berlijn en Gotha, en Johann Stamitz met zijn zonen Karl en Anton, F.X. Richter en A. Filtz naar Mannheim (de zgn. Mannheimers); A. Reicha verbleef lange tijd in Londen, terwijl de pianovirtuoos J. Dussek Europa doortrok. In de klassieke tijd deden zich de invloed van Haydn en Mozart gelden; melodieën van Mozart werden zelfs tot volksliederen. Vermelding verdient de op volksliederen geïnspireerde Tsjechische Mis voor Kerstmis van Jan Jakub Ryba; hij was een der eerste componisten van het Boheemse kunstlied. Nauw verband houdend met de politieke situatie verliep de ontwikkeling van de Tsjechische muziek in de 19de eeuw in twee fasen: de nationale wedergeboorte in de eerste helft van de eeuw en de bloeitijd van de nationale toonkunst in de tweede helft. In 1826 zag de eerste Tsjechische opera Dráteník (= De ketellapper) van František Škroup het licht. In 1834 schreef Škroup het Singspiel Fidlovačka, waarin het lied Kde domov můj? (= Waar is mijn thuis?), dat tot Tsjechische nationale hymne werd. De schakel tussen Mozart en de beginnende romantiek vormt het werk van Vaclav Tomášek (Tomaschek), wiens kleine pianostukken vooruitlopen op de lyrische klavierstukken van Schubert, Mendelssohn, Chopin en Smetana. De eigenlijke vader van de nationale Tsjechische toonkunst is Bedřich Smetana. Antonín Dvořák, de tweede grote meester, onderging meer dan Smetana de invloed van de Duitse romantiek, maar stelde deze in dienst van zijn streven een nationale Tsjechische muziek te scheppen. Z. Fibich, J.B. Förster en V. Novák zetten in meer of minder sterke mate de nationale lijn voort. Alois Hába experimenteerde met kwarttonen. Josef Suk bezon zich weer op het nationale element, evenals Léoš Janáček, die zijn melodiek geheel baseerde op de toonval van de Moravische taal. Op de volksmuziek inspireerden zich ook K. Horký (opera Jan Hus, 1944–1948), P. Bořkovec (opera De satyr, première 1942) en Jan Kunc in zijn koorwerken. Internationaal bekend werd Bohuslav Martinu. De volgende generatie, o.a. L. Bárta, J. Hanuš en I. Řezáč, trachtte tot een synthese met de moderne muziek te komen. De muziek van P. Kotík is sterk experimenteel. Voorts verdienen nog vermelding: J. Rychlik, M. Kabeláč, V. Dobiáš, V. Sommer, M. Kopelent, L. Fišer, J. Klusák en L. Kupkovič.
De Boheemse volksliederen zijn beïnvloed door de instrumentale muziek, daar elk dorp een eigen dorpskapel bezat, en hebben een sterk danskarakter, in tegenstelling tot de liederen van Zuid-Moravië. De melodieën zijn meestal in driedelige maat, diatonisch (meestal in het majeurtoongeslacht, soms in een kerktoonsoort) en bestaan veelal uit vier maal vier maten. Elke streek heeft eigen melodieën en dansen. Het danslied wordt veelal door meisjes met metaalachtig timbre gezongen. Karakteristieke instrumenten zijn o.a. de dude (herdersfluit), de gaida (doedelzak), de klarinet en de viool. Populaire dansen zijn de polka, de furiant en de rejdovačka (2/4-maat).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |