![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search symfonie (v. Lat. symphonia, v. Gr. sumphoonia = samenstemming, overeenstemming, harmonie), een muziekterm met verschillende betekenissen: a. in de klassieke oudheid was het de term voor samenklank, speciaal de intervallenkwart, kwint en octaaf; b. de samenklanken in de muziek van de sferen (zie harmonie); c. in de middeleeuwen werden er muziekinstrumenten mee aangeduid als de draailier (symphonia aut organistrum), een trommel (een aan beide zijden met een vel bespannen hol hout) en in de 16de eeuw een eenkorig clavichord; d. in 1597 paste Giovanni Gabrieli de naam toe op het samengaan van instrumenten en zangstemmen (sacrae symphoniae). Na 1600 ging de naam over op instrumentale voorspelen en ritornellen en ging men deze ook gebruiken voor zelfstandige instrumentale stukken, bijv. de vier- en vijfstemmige Symphonie van Salomone Rossi in 1608. De symfonie in de tegenwoordige betekenis (eigenlijk een sonate voor orkest) is ontstaan uit de instrumentale sinfonia. Omstreeks 1740 werd aan de drie delen (snel-langzaam-snel) het menuet toegevoegd, oorspronkelijk tussen het tweede en het derde deel. Het was Joseph Haydn die in zijn twaalf Londense symfonieën de grote eenheid wist te bereiken door de thematische dialectiek. De laatste drie symfonieën van Wolfgang Amadeus Mozart, geschreven vóór Haydns Londense, vormen compositorisch-technisch en muzikaal een ideale eenheid, met als hoogtepunt de finale van de Jupitersymfonie K.V. 551. Terwijl Haydn aan het menuet al een sneller karakter had gegeven, waardoor het de Ländler naderde, verving Ludwig van Beethoven het door een snel scherzo (het derde deel van zijn eerste symfonie is getiteld Menuetto, maar is in wezen een scherzo). De belangrijke bijdrage van Beethoven tot de symfonie is de ontwikkeling en uitbreiding van de doorwerking (zie fuga, hoofdvorm; zie ook sonate), terwijl hij in de finale van de negende symfonie anticipeerde op het principe van de latere cyclische vorm en tevens het koor in de symfonie betrok. Hij breidde de instrumentatie uit met piccolo (Symfonieën V en IX) en trombone (V, VI, IX). Revolutionair op het terrein van de instrumentatie en door het gebruik van de idée fixe was Hector Berlioz. De lijn die van Berlioz uitging, loopt via Franz Liszt (Dantesymfonie met vrouwenkoor aan het slot, Faustsymfonie met mannenkoor als slot) en zijn symfonisch gedichten naar Richard Strauss; César Franck paste in zijn Symfonie in d het cyclisch principe consequent toe en stond wat harmonie betreft sterk onder invloed van Richard Wagner, evenals Anton Bruckner, die in zijn tien symfonieën nieuwe elementen aan de vorm toevoegde. Johannes Brahms sloot in zijn vier symfonieën meer bij Beethoven aan. Gustav Mahler maakte in zijn tien symfonieën gebruik van grote orkestrale en vocale middelen (achtste, Symphonie der Tausend) en trachtte de ontwikkelingslijnen van de 19de eeuw tot één grote symfonische eenheid te versmelten. Nationaal getint werd de symfonie bij Dvořák en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Deze lijn werd voortgezet door Rachmaninov, Prokofjev en Sjostakovitsj. Sibelius gaf aan zijn enigszins Bruckneriaanse symfonieën een nationaal Fins karakter. Albert Roussel verbond in zijn symfonieën de traditie van Berlioz en Franck met de nieuwe klank van het impressionisme en soms van het expressionisme. Uitgaande van een neo-impressionisme schiep Olivier Messiaen zijn grote tiendelige Turangalîla-symfonie, waarin ook vogelgeluiden een taak vervullen. Het grote symfonische apparaat werd verder gebruikt door o.a Vaughan Williams, Honegger, Ives, Hindemith en Karl Hartmann. In het begin van de 20ste eeuw manifesteerde zich ook een tendens naar een kleinere bezetting, te beginnen met de Kammersymphonie I op. 9 (1906) en II op. 38 (1939) van Arnold Schönberg. Naast de Simple symphony van Benjamin Britten en de Sinfonietta op. 52 van Albert Roussel, beide voor strijkorkest, verscheen de Sinfonietta (1926) van Leoš Janáček, opvallend door het gebruik van negen trompetten in C, drie in F en twee bastrompetten. Webern schreef zijn symfonie op. 21 (1928) voor kleine solistische bezetting op een twaalftoonreeks (zie twaalftoontechniek). Vertegenwoordigers van de neoclassicistische richting (zie neoclassicisme [muziek]) zijn Strawinsky met zijn Symphonie des psaumes (1930), Symphonie en ut (1940) en Symphonie en trois mouvements (1945), alsmede Prokofjev met zijn Symphonie classique op. 25 (1917). De vertegenwoordigers van de Nieuwe Muziek hebben het klassieke concept van de symfonie verlaten en vermijden veelal de benaming symfonie.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |