Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Strawinsky, Igor

Resultaten van Windows Live® Search

  • Combuijs - Muziek - Strawinsky, Igor

    Titel Opmerking Gecontroleerd; Igor Stravinsky: Classical Music Pages: 18-11-2006

  • Combuijs - Muziek - Strawinsky, Igor - Chamber music

    Nr Titel Kant Jaar Tijdsduur; Chamber music; 1: Preludium for Jazz ensemble: A: 1953: 1:26: 2: Concertino for twelve instruments: A: 1952: 6:20: 3: Octet for wind instruments: A ...

  • Stravinsky, Igor

    Strawinsky, Igor . Igor Feodorovitsj Strawinsky (geboren 17-6-1882 in Oranienbaum bij St. Petersburg, overleden 6-4-1971 in New York), Russisch componist.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Strawinsky, Igor

Encyclopedieartikel
Multimedia
Igor StrawinskyIgor Strawinsky
Artikeloverzicht

Introductie

Strawinsky, Igor, ook gespeld Stravinsky, voluit: Igor Feodorovitsj (Oranienbaum, bij St.-Petersburg, 5 [17, sedert 1900: 18] juni 1882 – New York 6 april 1971), Amerikaans componist van Russische afkomst.

1. Leven en werk van Strawinsky

Hoewel opgegroeid in een muzikaal gezin (zijn vader was een beroemd baszanger aan de opera van St.-Petersburg, zijn moeder een begaafd pianiste), studeerde Strawinsky aanvankelijk rechten. Een ontmoeting met Nikolaj Andrejevitsj Rimski-Korssakov tijdens een zomervakantie in Duitsland in 1902 bracht echter een beslissende wending, toen deze, na het zien van enkele composities, aanbood hem compositielessen te geven. Tot zijn dood in 1908 bleef Rimski Strawinsky's leermeester; onder zijn toezicht ontstonden o.m. de symfonie in Es op. 1 (1905–1907; herz. 1913) en het symfonisch gedicht Feu d'artifice (1908). Dit laatste werk trok de aandacht van de impresario Serge de Diaghilev, die hem opdracht gaf balletmuziek te schrijven voor zijn Ballets Russes. Met de première van dit ballet, L'oiseau de feu (1909–1910), te Parijs oogstte Strawinsky in 1910 zijn eerste wereldsucces, weldra gevolgd door dat van de beide andere, eveneens voor Diaghilev gecomponeerde balletten Petroesjka (1910–1911; herz. 1945–1947) en Le sacre du printemps (1911–1913; herz. 1947); de première van laatstgenoemd werk, op 29 mei 1913, veroorzaakte een der grootste schandalen uit de Parijse muziekgeschiedenis.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef Strawinsky in Zwitserland, waar de dirigent Ernest Ansermet zich voor zijn werk inzette. De Zwitserse dichter C.F. Ramuz leverde hem in deze jaren de teksten voor een aantal kleine muziektheatrale werken, w.o. Renard (1915–1916) en L'histoire du soldat (1918). De ontwikkelingen in Rusland na de revolutie van 1917 deden hem afzien van terugkeer naar zijn vaderland. In 1920 vestigde hij zich te Parijs. Een nieuw ballet voor Diaghilev, Pulcinella (1919–1920; herz. 1965), naar muziek van Pergolesi, luidt een tweede periode van nauwe samenwerking in met de Ballets Russes, waarin o.m. de opera buffa Mavra (1921–1922; herz. 1947; n. Poesjkin), het opera-oratorium Oedipus Rex (1926–1927; herz. 1948; J. Cocteau, n. Sophocles) en het ballet Apollon Musagète (1928) ontstonden.

In dezelfde jaren nam ook Strawinsky's carrière als dirigent en pianist in de uitvoering van eigen werk een aanvang. Zijn talrijke concertreizen brachten hem in 1924 o.a. in Amsterdam, waar hij bij het Concertgebouworkest Le sacre dirigeerde; in 1925 bezocht hij voor het eerst de Verenigde Staten, van waaruit hem in later jaren vele opdrachten bereikten. Een der belangrijkste hiervan is de Symphonie de psaumes voor koor en orkest (1930; herz. 1948), geschreven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Boston Symphony Orchestra. De politieke crisis van de jaren dertig in Europa vond een pendant in Strawinsky's persoonlijk leven. In de jaren 1938–1939 stierven kort achtereen zijn oudste dochter Ludmilla, zijn vrouw Katharina Nossenko, met wie hij sedert 1906 was gehuwd, en zijn moeder. Op uitnodiging van Harvard University reisde hij in 1939 opnieuw naar de Verenigde Staten om er een aantal voordrachten te houden over zijn werk. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog deed hem besluiten voorgoed in Amerika te blijven. In 1940 trouwde hij de Frans-Russische schilderes Vera de Bosset, met wie hij zich te Hollywood vestigde. Opvallend in zijn laatste periode is het grote aantal werken met min of meer religieuze strekking. Voorbeelden hiervan zijn de Mis (1944–1948), de Cantate (1951–1952), het Canticum sacrum ad honorem Sancti Marci nominis (1955), Threni (1957–1958), The flood (1961–1962), A sermon, a narrative and a prayer (1960–1961) en Abraham and Isaac (1962–1963). In 1951 kwam de componist terug in Europa om te Venetië de wereldpremière van zijn opera The rake's progress (1948–1951; Auden en Ch. Kallman) te dirigeren; in 1962 bezocht hij op uitnodiging van de Sovjet-Russische regering zijn geboorteland. Nog tot op hoge leeftijd actief, moest hij in 1967 ten gevolge van een serie hartaanvallen zijn werk opgeven.

2. Karakteristiek

Als componist behoort Strawinsky tot de veelzijdigste en fascinerendste figuren uit de muziekgeschiedenis van de 20ste eeuw. Begonnen in de stijl van de Russische laat-romantiek, zoals vertegenwoordigd door zijn leermeester Rimski-Korssakov en door Glazoenov, ontwikkelde hij reeds vanaf L'oiseau de feu een eigen, Russische muziek met gebruikmaking van volksmelodieën zonder tot een oppervlakkig folklorisme te geraken. Opvallend is hier ook de behandeling van het ritme, waarvan de motoriek, het ostinato, de onregelmatige periodenbouw en de polymetriek de belangrijkste kenmerken zijn. De tonaliteit blijft ondanks een toenemende complexiteit in de samenklank als basis gehandhaafd. In Le sacre bereikt deze ontwikkeling haar hoogtepunt. Jazz-invloeden doen zich kort daarop gelden in de werken die in Zwitserland ontstaan. Met Pulcinella wordt een geheel nieuwe periode ingeluid, waarin Strawinsky, na zich afgekeerd te hebben van zijn Russische verleden, aansluiting zoekt bij het muzikale verleden van West-Europa. De Weense klassieken, de barok, de renaissance en de 19de eeuw dienen beurtelings als het vertrekpunt voor de werken uit deze 'neoclassicistische' periode (1920–1951) (zie neoclassicisme). Strawinsky's aandacht richt zich daarbij vooral op de historische vormen en structuren en de daarmee verbonden luisterconventies, waarmee een dikwijls geestrijk spel wordt gespeeld. Kenmerkend is tevens zijn nieuwe toepassing van het verschijnsel tonaliteit, die is losgekoppeld van de traditionele functionele harmonieleer. De opera The rake's progress vormt het briljante sluitstuk en tevens de samenvatting van deze periode.

Vanaf dat ogenblik richt Strawinsky's belangstelling zich meer en meer op het twaalftoonsysteem (zie twaalftoontechniek), waarvan hij de karakteristieken geleidelijk aan in zijn werk integreert. Een aanknopingspunt hiervoor is reeds in zijn vroegere werk te vinden in het veelvuldig voorkomen van thema's die uit een ritmisch gevarieerde herhaling van een vast intervalpatroon zijn samengesteld. De diatoniek van deze patronen wordt gaandeweg chromatischer, totdat in Threni (klaagzangen van Jeremia voor soli, koor en orkest) de tonale schrijfwijze geheel is vervangen door het twaalftoonsysteem. Niettemin blijven in Strawinsky's twaalftoonreeksen steeds tonale relaties aanwezig als gevolg van een primair op de samenklank gericht componeren. Mede door zijn karakteristieke behandeling van het ritme en een kristalheldere instrumentatie blijft het werk in deze laatste periode niet minder typerend voor Strawinsky dan zijn composities van daarvoor.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Scherzo fantastique (1907–1908); Vier etudes (1918–1928; bew. van de Drie stukken voor strijkkwartet en de Etude voor pianola); Symphonies d'instruments à vent (1920; herz. 1945–1947); concert v. piano en harmonie-ork. (1923–1924); Capriccio v. piano en ork. (1928–1929; herz. 1949); vioolconcert (1931); Preludium voor jazzband (1936–1937; opnieuw geork. 1953); Concerto in Es 'Dumbarton Oaks' (1937–1938); Symphony in C (1939–1940); Danses concertantes (1941–1942); Circuspolka (1942); Four Norvegian moods (1942); Ode (1943); Scherzo à la Russe (v. ork., 1943–1944; v. jazzband, 1944)); Symphony in three movements (1942–1945); Ebony concerto (v. jazzband; 1945); Concerto in D v. strijkork. (1946); Greeting prelude (1955); Movements (v. piano en ork.; 1958–1959); Variations (1963–1964). – Ballet: Les noces (1914–1923); Le baiser de la fée (1928; herz. 1950; n. Tsjaikovsky); Jeu de cartes (1936); Scènes de ballet (1944); Orpheus (1947); Agon (1953–1957). – Kamermuziek: drie stukken voor strijkkwartet (1914); Ragtime (1918; voor 11 instr.); Three pieces for clarinet solo (1919); concertino v. strijkkwartet (1920); octet v. blazers (1922–1923; herz. 1952); Duo concertant (v. viool en piano; 1931–1932); Elegy v. altvioolsolo (1944); septet (1952–1953); Epitaphium (v. fluit, klarinet en harp; 1959); Double canon (v. strijkkwartet; 1959); Fanfare for a new theatre (v. 2 trompetten; 1964). – Pianomuziek: sonate in fis kl. t. (1903–1904); vier etudes (1908); Valse des fleurs (1914; voor 2 piano's); Three easy pieces (1914–1915; v. piano 4-h.); Five easy pieces (1916–1917; idem); Valse pour les enfants (1917); etude voor pianola (1917); Piano-rag-music (1919); Les cinq doigts (1921); Sonate (1924); Serenade en La (1925); concerto voor twee solopiano's (1931–1935); Tango (1940); Sonata for two pianos (1943–1944). – Opera: Le rossignol (1908–1909/1913–1914; I. Strawinsky en S. Mitusow, n. H.C. Andersen); Persephone, melodrama (1933–1934; A. Gide). – Zang en orkest: Faun et bergère (1906; cyclus voor mezzosopr. en ork.; A. Poesjkin); Zvezdoliki (1911; 2 tenoren, 2 bassen en ork.; K. Balmont); Pribaoutki (1914); Berceuses du chat (voor alt en drie klarinetten; 1915–1916); Babel (cantate voor mannenkoor, spreekstem en ork.; 1944); Mis voor koor en blazers (1948); Three songs from William Shakespeare (v. mezzosopraan, fluit, klarinet en altviool; 1953); In memoriam Dylan Thomas (voor tenor, strijkkwartet en vier trombones; 1954); Elegy for J.F.K. (voor bariton en drie klarinetten; 1964); Introïtus (voor mannenkoor en instr.; 1965); Requiem Canticles (voor soli, koor en orkest; 1965–1966). – Koor a cappella: Four Russian peasant songs (1914–1917; herz. 1954); Pater Noster (1926); Credo (1949; bew. v. Sinvol' verë, 1932; herz. 1964); Ave Maria (1949; bew. v. Bogoreditse Devo, 1934); Anthem (1962; T.S. Eliot). – Liederen: Pastorale (1907; vocalise m. piano; bew. v. hobo, eng. hoorn, klar. en fag. 1923); Deux melodies (1907–1908; S. Gorodetzky); Deux poèmes de Verlaine (1910); Two poems of Konstantin Balmont (1911); Trois poésies de la lyrique japonaise (1912–1913); Three little songs (Souvenir d'enfance; 1906; herz. 1913; pianopartij gearr. v. klein ork. 1929–1930); Berceuse (1917); The owl and the pussy-cat (1967). – Geschriften: Chronique de ma vie (1935–1936; 21962); Poétique musicale (1942); Conversations with Igor Strawinsky (1959; m. R. Craft); Memories and commentaries (1960; m. Idem); Expositions and developments (1962; m. Idem); Dialogues and a diary (1963; uitgebr. 1968; m. Idem); Themes and episodes (1966, 21967; m. Idem); Retrospectives and conclusions (1969; m. Idem); Themes and conclusions (1972).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum