![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Stockhausen, KarlheinzEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Stockhausen, Karlheinz (Mödrath, bij Keulen, 22 aug. 1928 – Kürten-Kettenberg 5 dec. 2007), Duits componist, als zodanig een van de grote vernieuwers van de tweede helft van de 20ste eeuw.
Stockhausen studeerde aan de Keulse Musikhochschule bij H.O. Schmidt-Neuhaus (piano), H. Schroeder (theorie) en Frank Martin (compositie); tevens volgde hij colleges muziekwetenschap, filosofie en filologie aan de Keulse universiteit. Na een bezoek aan de internationale zomercursus in Darmstadt zette hij zijn studie in Parijs voort. In 1952 volgde hij de compositieklas van Messiaen en werkte hij bij Pierre Schaeffer in diens studio voor musique concrète. In 1953, terug in Keulen, werd hij vaste medewerker aan de studio voor elektronische muziek van de WDR, waarvan hij tussen 1962 en 1973 de artistieke leiding had. Van 1957 tot 1974 leidde hij jaarlijks, met uitzondering van 1964 en 1965, de zomercursussen in Darmstadt. In 1963 richtte hij de Kölner Kurse für neue Musik op, die hij tot 1968 zelf leidde. Voordrachten en concerten van eigen werk brachten hem over de gehele wereld. Als ‘visiting professor’ voor compositie doceerde hij in 1965 aan de Universiteit van Pennsylvania en in het seizoen 1966/1967 aan de Universiteit van Californië te Davis. Met een door hemzelf geformeerd ensemble, de Gruppe Stockhausen (1964–1971), ging hij jaarlijks op tournee om zijn elektro-instrumentale werken ten gehore te brengen. Van 1971 tot 1977 was hij leraar compositie aan de Keulse Musikhochschule. Stockhausen woonde en werkte in het bij Keulen gelegen Kürten, samen met een groep hem toegewijde musici, onder wie zijn zonen Markus (trompet; geb. 1957), Simon (saxofoon; geb. 1967) en zijn dochter Majella (piano; geb. 1961). Sinds 1971 gaf hij zijn werk in eigen beheer uit (Stockhausen-Verlag).
Als componist geldt Stockhausen als een der meest radicale vernieuwers. Zijn vroegste werken zijn geschreven in een streng-seriële techniek (zie ook seriële muziek). Naar het voorbeeld van P. Boulez en K. Goeyvaerts trachtte hij verschillende muzikale componenten aan hetzelfde structuurprincipe te onderwerpen, bij welke onderzoekingen hij al snel het voortouw nam. Hij was de eerste die naast toonhoogte, toonduur, dynamiek, articulatie en klankkleur ook de ruimtelijke posities van de klanken serieel ordende (elektronische muziek Gesang der Jünglinge, 1955–1956). Bovendien experimenteerde hij in een zeer vroeg stadium met aleatorische vrijheden (zie aleatoriek), die hij in gradaties onderverdeelde en eveneens volgens seriële principes verwerkte (Zeitmasse; 1955–1956; v. hobo, fluit, althobo, klar. en fagot). Stockhausens reputatie als de baanbrekende figuur van de seriële muziek vloeit ook voort uit zijn neiging tot wetenschappelijke onderbouwing van zijn compositorische uitgangspunten. In het beroemd geworden artikel ...wie die Zeit vergeht... (1957) toonde hij bijv. aan hoe een toonhoogtereeks kon worden omgezet in een reeks van ritmische waarden: toonhoogte ontstaat uit een zeer snelle opeenvolging van impulsen (1/16de seconde en korter), en kan derhalve met ritme onder één noemer worden gebracht. Op het terrein van de elektronische muziek zijn Stockhausens exploraties in een totaal nieuw klankdomein van enorme betekenis gebleken. Na aanvankelijk, onder invloed van P. Schaeffer, met concrete klanken te hebben gewerkt (Étude, 1952) richtte hij zich later, in de studio van Keulen, op de creatie van nieuwe klanken door het mengen van sinustonen (Studie I, 1953, en II, 1954). Lag in deze periode het accent op een volledige fixatie van complexe en gedifferentieerde muzikale structuren op een geluidsband, in het begin van de jaren zestig verlegde Stockhausen zijn aandacht naar de toepassing van live-elektronica in combinatie met instrumententen (Mikrophonie I, 1964, v. tamtam, 2 microfoons, 2 filters en 2 potentiometers; Mixtur, 1964, rev. 1967, v. ork., sinusgeneratoren, ringmodulators en luidsprekers). Hiermee begon een nieuwe fase in zijn ontwikkeling, gekenmerkt door zgn. intuïtieve muziek, waarin ruimte is voor improvisatie door de musici in wisselwerking met elektronische manipulaties. Als gevolg hiervan hebben zijn partituren uit deze periode een veel minder gedetermineerd karakter. In Mantra (1970; v. 2 pianisten) keerde Stockhausen terug naar een conventioneel genoteerde muziek, waarbij een uit enkele cellen bestaand melodisch gegeven, een zgn. ‘Formel’, fungeert als grondslag voor een volledige compositie. Deze techniek – die in wezen een nieuwe, en meer toegankelijke, toepassing vormt van de seriële principes uit de jaren vijftig – is bepalend voor de meeste werken die nadien tot stand zijn gekomen. Terzelfder tijd begon Stockhausen het visuele element in zijn composities te betrekken: kostuums, gebaren en bewegingen verlenen de muziek het karakter van een ritueel, zoals in Inori (1973–1974; ork. en dansers) en Sirius (1975–1977; elektronica, drie instr. en sopraan). Deze ontwikkeling mondde uit in het zeven dagen vullend muziektheater, Licht, waaraan Stockhausen sinds 1977 werkt, en waarin alle technieken, vormen en genres die hij heeft ontwikkeld tot een uiteindelijke synthese moeten worden gebracht. In 1981 ging als eerste deel uit deze cyclus Donnerstag aus Licht (1978–1980) in première. Daarop volgden Samstag aus Licht (1981–1983), Montag aus Licht (1984–1988), Dienstag aus Licht (1989–1991) en Freitag aus Licht en Mittwoch aus Licht (1993-1998). De laatste dag van de cyclus, Sonntag aus Licht, is onvoltooid gebleven. In 2001 ontving Stockhausen de prestigieuze Zweedse Polar Muziekprijs. WERK: (o.a.): Instrumentaal: Kreuzspiel (1951; v. hobo, basklar., piano en slagw.); Formel (1951; v. ork.); Spiel (1952; idem); Schlagtrio (1952; v. piano en 2 × 3 pauken); Punkte (1952, rev. 1962; v. ork.); Kontra-Punkte (1952–1953; v. 10 instr.); Klavierstücke I–IV (1952–1953); idem V–VIII (1954–1955); idem IX–X (1954; rev. 1961); Gruppen (1955–1957; v. 3 orkesten); Klavierstück XI (1956); Zyklus (1959; v. 1 slagwerker); Carré (1959–1960; v. 4 orkesten en koren); Refrain (1959; v. 3 spelers); Originale (1961; muz.-theater); Momente (1962–1964, volt. 1969; v. sopr., 4 koren en 13 instrumentalisten); Plus Minus, 2 × 7 Seiten zur Ausarbeitung (1963); Stop (1965, rev. 1969; v. ork.); Adieu (1966; blaaskwintet); Spiral (1968; v. solo-instr. en kortegolfontvanger); Fresco (1969; v. 4 orkestgroepen); Pole für zwei (1969–1970); Expo für drei (1969–1970); Für kommende Zeiten, 17 Texte zur intuitiven Musik (1968–1970); Sternklang (1971); Trans (1971; v. ork.); Alphabet für Liège (1972; voor solisten en duo's); Yelem (1972; 19 spelers/zangers); Atem gibt das Leben (1974–1977; ork. en koor); Herbstmusik (1974; 4 spelers); Musik im Bauch (1975; 6 slagwerkers); Tierkreis (1975–1976; één melodie- en/of harmonie-instrument); Harlekin (1975; klarinet); Amour (1976; klarinet); Jubiläum (1977; ork.); In Freundschaft (1977; fluit, viool, altviool); Der Jahreslauf (1977; ork. en danser); Musiktheater Licht (1977; diverse bezettingen); Helikopter-Streichquartet (1994; onderdeel v. Mittwoch aus Licht; Welt-Parlament (1995; koor a capella; onderdeel van Mittwoch); Orchester-Finalisten (1996; 11 instr.; onderdeel van Mittwoch) Trumpetent (1995; vier trompetten); Bassetsu-Trio (1997; bassethoorn, trompet, trombone, geluidsinstallatie); Think (1997; fluit); Rotary (1997; blaaskwintet).. – Vocaal: Stimmung (1968; zes vocalisten); Am Himmel wandere ich (1972; Indianenliederen v. 2 zangstemmen); Vortrag über HU (1974; 1 stem); Litanei 97 (1997; koor en dirigent). – Elektronische muziek: Kontakte (1959–1960); Idem (1959–1960; v. elektron. klanken, piano en slagw.); Telemusik (1966); Hymnen (1966–1967); idem (1966–1967; m. solisten); idem (1969; m. ork.). – Elektronisch-instrumentaal: Mikrophonie II (1965; v. koor, hammondorgel en 4 ringmodulators); Solo (1965–1966; v. melodie-instr. en taperecorder); Prozession (1967; v. tamtam, altviool, elektronium, piano, microfoons, filters en potentiometers); Kurzwellen (1968; v. 6 spelers); Kurzwellen mit Beethoven (1968); Aus den sieben Tagen (1968; 15 composities v. 6 spelers); Spiral (1968; solo en elektronica); Für kommende Zeiten (1968–1970; elektr.). – Geschriften: Texte: dl. 1 (Texte zur elektronischen und instrumentalen Musik, 1962), dl. 2 (Texte zu eigenen Werke und zur Kunst Anderen; Aktuelles, 1964), dl. 3 (Texte zur Musik 1963– 1970, 1971), dl. 4 (Texte zur Musik 1970–1977, 1978), dl. 5/6 (Texte zur Musik 1977–1984, 1989).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |