![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 2
Russische muziekEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
In de jaren negentig trad een nieuwe avant-garde aan, waarvan in het Westen bekend werden: Firsova, Goebaidolina, Karajev en Tarnapolski.
In de volksmuziek neemt het ‘uitgerekte lied’ (protjazjnaja) een unieke plaats in. Het zijn lyrische liederen van het platteland, die in wijde melodische lijnen meestal twee- of driestemmig in koor worden gezongen. De teksten zijn ondergeschikt aan de melodie, die vol melismatiek is (veel tonen op één lettergreep); andere kenmerken ervan zijn: woord- of lettergreepherhalingen, grote intervalsprongen, toegevoegde gezongen uitroepen. Andere vormen van het boerenlied, eveneens teruggaand op een oude mondelinge traditie, zijn de kalenderliederen en -dansen die verbonden zijn met de hoogtepunten uit de landbouwerscyclus van zaaien en oogsten en samenhangen met de gebruiken uit de levenscyclus (geboorte, huwelijk, dood) en met de arbeid. De kalenderliederen worden meestal op eenvoudige melodieën gezongen, zonder melismatiek. Lenteliederen hebben dikwijls een beperkte toonomvang, in tegenstelling tot de zomerliederen en de sterk ritmische oogstliederen. De meeste van deze gezangen worden, al naar gelang de situatie, instrumentaal begeleid, bijv. de Oekraïense doemi met begeleiding van luit (kobza of bandoera) in handen van een blinde zanger. O.m. aan de Witte Zee leeft een ononderbroken traditie van honderden epische heldenliederen (bilini). Naast deze boerenmuziek is onder invloed van de 18de–19de-eeuwse, uit het Westen geïmporteerde harmonieën het stadslied ontstaan, melodisch nog wel gebaseerd op de wijde melodieën van de boerenstijl, maar zonder de vele toonversieringen: tekst en westerse akkoorden begonnen de vorm te bepalen, de balalaika en later de accordeon dienden als de geijkte begeleiding van deze stadsstijl (bijv. het politieke massalied van na 1917), die werd verspreid over de meeste arbeidersnederzettingen in heel Groot-Rusland. Bij dit proces raakten in sommige gebieden de oude boerenliederen in onbruik. Kenmerkend voor deze zeer populair geworden stijl zijn: overwegend kleine-tertstoonsoort of afwisselingen van kleine- en grote-tertstoonsoort; zelden meer dan één noot per lettergreep; nadrukkelijk gebruik van de kwint; doorgaans eenstemmig gezongen. De voornaamste nog in gebruik zijnde volksinstrumenten zijn: citer (goesli); tokkelluiten (domra, balalaika, bandoera); fluiten (sopél, dvodensjtsjivka); doedelzak (doeda); hobo (soerna); klarinet (sjaleika); trompet (rosjok; de laatste beide herdersinstrumenten) en de garmonika.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |