![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Roussel, AlbertEncyclopedieartikel
Roussel, Albert, voluit: Albert Charles Paul Marie (Tourcoing 5 april 1869 – Royan 23 aug. 1937), Frans componist, was van 1889 tot 1894 in dienst bij de marine en begon – ondanks een rudimentaire muzikale opleiding – reeds in deze jaren te componeren. In Parijs studeerde hij daarna piano, orgel, harmonie en contrapunt bij Eugène Gigout (1894–1898) en vervolgens (1898–1908) compositie, orkestratie en muziekgeschiedenis bij Vincent d'Indy, aan de Schola Cantorum. Zijn oeuvre is beperkt van omvang, maar van een verrassende veelzijdigheid. Ondanks de invloed van verschillende eigentijdse muzikale stromingen vertoont het een gestadige ontwikkeling naar een volstrekt eigen stijl. Het formalisme van de strenge schola-opleiding overheerst nog zijn vroegste composities, al wordt reeds in het divertissement voor piano en blaaskwintet (1906) bewust gestreefd naar een vrijere melodievorming en een meer dissonerende harmoniek. Dit leidde in later jaren tot een meer impressionistisch gerichte schrijfwijze, waarin meesterwerken als het koorwerk Évocations (1910–1911) en het ballet Le festin de l'araignée (1913) ontstonden. Terzelfder tijd deed zich – als gevolg van een reis naar India en Zuidoost-Azië – de invloed van de hindoemuziek in zijn werk gelden; het meest direct in het opera-ballet Padmávatî op een libretto van Louis Laloy (1914–1918). Anders dan Debussy onderging Roussel zijn impressies niet uitsluitend gevoelsmatig; dankzij een rationele controle op de muzikale verwerking behield hij steeds een zekere afstand tot zijn onderwerp. Het is deze objectiverende houding die ten slotte de overhand kreeg en vanaf 1920 de weg effende naar zijn laatste en rijkste scheppingsperiode, waarin de muzikale expressie is geconcentreerd in de traditionele, klassieke vormschema's. De suite in F voor orkest (1926), het strijkkwartet (1932) en de vierde symfonie (1934) zijn voorbeeldig voor Roussels versoberde schrijfwijze, die gekenmerkt wordt door een lineair contrapunt, hoekige melodiek en een veelvuldig gebruik van motorische ritmen. Tot zijn leerlingen behoorden o.a. B. Martinu, K. Riisager, J. Martinon en C. Beck. WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Résurrection, symf. prelude (1903); symfonie nr. 1 ‘Le poème de la forêt’ (1904–1906); symfonieën nrs. 2–4 (1919–1920; 1929–1930; 1934); Pour une fête de printemps (1920); Concert pour petit orchestre (1926–1927); pianoconc. (1927); Petite suite (1929); A glorious day (1932; v. harmonieork.); Sinfonietta (1934; v. strijkers); (1934); Rapsodie flamande (1936); concertino v. cello en ork. (1936). – Kamermuziek: pianotrio (1902; herz. 1927); twee vioolsonates (1907–1908; 1924); Impromptu (1919; harp); Fanfare pour un sacre païen (1921; v. koper en pauken); Sérénade (1925; v. fluit, viool, altviool, cello en harp); trio (1929; v. fluit, altviool en cello); Andante et scherzo (1934; v. fluit en piano); strijktrio (1937); Andante (1937; v. hobo, klarinet en fagot). – Balletmuziek: Bacchus et Ariane (1930; A. Hermant); Aenéas (1935; J. Weterings; m. koor). – Opera: La naissance de la lyre (1923–1924; Th. Reinach, n. Sophocles); Le testament de la tante Caroline (1932–1933; Nino). – Koorwerken: Madrigal aux muses (1923; 3-st. vrouwenkoor); Le bardit des francs (1926; 4-st. mannenkoor, koper en slagwerk); psalm 80 (1928; tenor, koor en ork.). – Voorts: pianomuziek; toneelmuziek, o.a. Le marchand de sable qui passe (1908; G. Jean-Aubry); Le quatorze juillet (1936; R. Rolland); liederen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |