Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Ravel, Maurice

Resultaten van Windows Live® Search

  • Maurice Ravel [Classic FM]

    Maurice Joseph Ravel (Ciboure, 7 maart 1875 – Parijs, 28 december 1937) was een Frans componist van Baskische afkomst. Hij geldt als een van de voornaamste componisten van de ...

  • Maurice Ravel

    Maurice Ravel ... A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z 0-9 Bewerk deze pagina. Maurice Ravel (1875-1937)

  • Maurice Ravel - Wikipedia

    Maurice (of Joseph-Maurice) Ravel ( Ciboure , 7 maart 1875 – Parijs , 28 december 1937 ) was een Frans componist van Baskische afkomst. Hij geldt als een van de voornaamste ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Ravel, Maurice

Encyclopedieartikel
Multimedia
Daphnis et Chloé-suite nr. 1 van RavelDaphnis et Chloé-suite nr. 1 van Ravel

Ravel, Maurice, voluit: Maurice Joseph Ravel (Ciboure 7 maart 1875 – Parijs 28 dec. 1937), Frans componist van Baskisch-Zwitserse afkomst, ontving op zesjarige leeftijd pianolessen van Henri Ghys, later van Charles René, die hem tevens in de beginselen van de muziektheorie en de compositieleer onderwees. In 1889 ging hij naar het Parijse conservatorium, waar hij piano (bij E. Anthiôme, later bij Ch. de Bériot) en harmonieleer (E. Pessard) studeerde. In 1895 verliet Ravel het conservatorium om er twee jaar later weer terug te keren, ditmaal voor studies in compositie (bij G. Fauré), contrapunt en orkestratie (bij A. Gédalge). Ravel nam vijf keer deel aan de competitie voor Prix de Rome (1900–1905), zonder deze één keer te winnen. In 1900 en in 1905 werd hij zelfs niet tot de eindronde toegelaten, hoewel hij in het laatstgenoemde jaar al een bekend componist was.

Vanaf 1921 leidde hij een teruggetrokken leven te Montfort l'Amaury, nu en dan onderbroken door concertreizen in het buitenland. In 1927 maakte hij een toernee door Canada en de Verenigde Staten, tijdens welke hij o.a. George Gershwin ontmoette. De universiteit te Oxford verleende hem een eredoctoraat in 1931.

Ravel was de enige van zijn Franse tijdgenoten die zich als componist naast Claude Debussy heeft kunnen handhaven. Hoewel beiden in hun werk vaak dezelfde invloeden hebben ondergaan (o.m. van Moessorgski) en er niet zelden sprake is van een wederzijdse beïnvloeding, m.n. op het gebied van harmonische subtiliteiten en geraffineerde orkestbehandeling, is het muziekdenken van beide componisten fundamenteel verschillend. Waar zich bij Debussy gaandeweg het componeren ontwikkelde in een steeds grotere vrijheid, die nog slechts aan eigen wetten gehoorzaamt, ontpopte Ravel zich van het begin af als een classicistisch componist, die de traditionele vormen met souverein meesterschap wist te hanteren als kader voor zijn vernieuwingen. Kenmerkend is zijn zin voor vastomlijnde melodiepatronen, waarin zich aanvankelijk nog het voorbeeld van Chabrier en Fauré spiegelt. Van laatstgenoemde is tevens zijn voorliefde voor archaïsche modaliteiten afkomstig. Opmerkelijk is ten slotte het veelvuldig voorkomen van dansvormen in zijn werk.

Reeds in zijn eerste grote compositie voor orkest, de liedcyclus Shéhérazade (1903), toonde hij zich een meester in de instrumentatie, waarin hij de tradities van Liszt en Rimski-Korssakov tot een absoluut hoogtepunt wist te voeren. Liszt en Balakirev waren tevens de voorbeelden voor zijn briljante schrijfwijze voor de piano, zoals deze zich voor het eerst manifesteerde in Jeux d'eau (1901) en later werd voortgezet in de – sterk aan Debussy herinnerende – Miroirs (1904–1905), maar vooral in zijn meest veeleisende pianowerk, Gaspard de la Nuit (1908), geïnspireerd op prozagedichten van Aloysius Bertrand, alsmede in het pianoconcert voor de linkerhand (1929–1930). Naast deze vooral op virtuositeit en instrumentale klankweelde gerichte schrijfwijze ontwikkelde zich al spoedig min of meer parallel een neiging tot vereenvoudiging en versobering in zijn muziek. In het strijkkwartet (1902–1903) en de sonatine voor piano (1905) valt deze tendens al te bespeuren. Ze zou zich blijven manifesteren, m.n. in kamermuziekwerken als de Trois poèmes de Stéphane Mallarmé (1913; v. zangstem en instrumentaal ensemble), het pianotrio (1914), de sonate voor viool en cello (1922) en de Chansons madécasses (1926, voor zang, fluit, cello en piano; Farny). Elk van Ravels werken verraadt echter een even grote aandacht voor het detail. Bij het componeren ging hij uitermate minutieus te werk, waarbij hij aan de piano iedere samenklank op zijn kwaliteiten onderzocht.

De nauwlettendheid waarmee Ravel de prosodie van de Franse taal in gezongen teksten op de voet volgt, wordt geïllustreerd in de Histoires naturelles (1906) op prozateksten van J. Renard, welke door de zanger vrijwel dienen te worden gedeclameerd. Als zodanig is deze cyclus een voorstudie voor zijn lyrische komedie, L'Heure espagnole (1907–1909, P. 1911; Franc-Nohain), een muzikaal conversatiestuk, dat de tradities van de opéra-bouffe, opéra-comique en de operette op een hoger plan in zich verenigt.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Ouverture Shéhérazade (1898; onuitg.); Rapsodie espagnole (1907); La valse, poème choréographique (1919–1920); Boléro (1928); pianoconcert in G (1929–1931); orkestraties van: Satie, Prélude du Fils des Étoiles (1913, onuitg.), Moessorgski, Chovansjtsjina (1913, onuitg; samen met Strawinsky), Schumann, Carnaval (1914, onuitg.), Chabrier, Menuet pompeux (1918), Moessorgski, Tableaux d'une exposition (1922), Debussy, Sarabande, Danse (1922), Chopin, Nocturne, Études, Valse (1923, onuitg.). – Ballet: Le rouet (1894); Daphnis et Chloé, symphonie choréographique (1909–1912; M. Fokine); Ma Mère l'Oye (1911); Adelaïde ou le langage des fleurs (1912); L'éventail de Jeanne (1927); Morgiane (1933, onvoltooid en onuitg.). – Kamermuziek: Introduction et allegro (1905, v. harp, strijkkwartet, fluit en klarinet); Berceuse sur le nom de Gabriël Fauré (1922; v. viool en piano); Tzigane, rapsodie de concert (1924; v. viool en piano-luthéal; later georkestreerd); vioolsonate (1923–1927). – Piano: Sérénade grotesque (1893, onuitg.); Menuet antique (1895; geork. 1929); Les sites auriculaires (1895–1897, v. 2 piano's 4-h.); Pavane pour une Infante défunte (1899; geork. 1910); Ma Mère l'Oye (1908–1910; v. piano 4–h.); Menuet sur le nom d'Haydn (1909); Valses nobles et sentimentales (1911; geork. als ballet o.d.t. Adelaïde, 1912); Prélude (1913); A la manière de... a. Borodine, b. Chabrier (1913); Le tombeau de Couperin (1914–1917; suite; hieruit 4 delen later geork.); Frontispice (1918; v. 2 piano's 5-h.); bew. van Debussy, Prélude à l'après-midi d'un faune (1910; v. 2 piano's 4-h.). – Opera: l'Enfant et les sortilèges, fantaisie lyrique (1920–1925; Colette). – Koor a cappella: Trois chansons (1914–1915; eigen tekst). – Liederen: Ballade de la reine morte d'aimer (1893, R. de Marès); Sainte (1896; Mallarmé); Deux Epigrammes (1896–1899; C. Marot); Manteau de fleurs (1903; P. Gravollet); Le Noël des jouets (1905; eigen tekst); Les grands vents venus d'outre-mer (1907; H. de Régnier); Sur l'herbe (1907; Verlaine); Vocalise-étude en forme de habanera (1907); Cinq mélodies populaires grecques (1904–1906; M.D. Calvocoressi; hiervan later 2 geork.); Chants populaires (1910; hiervan 1 geork. en 3 onuitg.); Deux Mélodies hébraïques (1914; later geork.); Ronsard à son âme (1923–1924; idem; Ronsard); Rêves (1927; L.P. Fargue); Don Quichotte à Dulcinée (1933; eveneens geork.; P. Morand).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum