![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pijper, WillemEncyclopedieartikel
Pijper, Willem, voluit: Willem Frederik Johannes (Zeist 8 sept. 1894 – Leidschendam 19 maart 1947), Nederlands componist, studeerde korte tijd piano aan de Utrechtse muziekschool en vervolgens theorie bij Johan Wagenaar. Na zijn eindexamen in 1918 werd hij leraar harmonie aan het Conservatorium te Amsterdam. Van 1917 tot 1922 was Pijper tevens muziekcriticus bij het Utrechts Dagblad, in welke functie hij een actieve rol speelde aan de zijde van de N.V. Tivoli in het conflict met het Utrechtsch Stedelijk Orchest en zijn dirigent Jan van Gilse. In 1925 werd hij hoofdleraar compositie aan het Amsterdamse Conservatorium. Als oprichter van de Nederlandse sectie van de ISCM (in 1923) en mederedacteur van het tijdschrift De Muziek (1926–1933) werd hij spoedig een van de meest gezaghebbende figuren in het Nederlandse muziekleven van zijn tijd. Vanaf 1930 tot zijn dood was hij directeur van het Conservatorium te Rotterdam, waar bij het bombardement van 14 mei 1940 vele van zijn composities verloren gingen. Als componist was Pijper goeddeels autodidact. Van de drie perioden die men gewoonlijk in zijn oeuvre onderscheidt, wordt de eerste (1912–1918) gekenmerkt door invloeden van Mahler en van Debussy. In de tweede periode (1919–1932) is Pijpers eigen karakteristieke stijl volledig tot ontwikkeling gekomen en werd deze in kringen van de internationale avantgarde opgemerkt. In deze jaren streefde hij naar een vrije meerstemmigheid door middel van de gelijktijdigheid van zowel meer tonale centra (pluritonaliteit) als verschillende ritmen (polyritmiek). In zijn septet (1920) introduceert hij zijn kiemceltechniek, waarbij een geheel muziekstuk wordt opgebouwd uit één enkel melodisch, harmonisch en/of ritmisch basisgegeven. Op een grotere schaal wordt dit procédé toegepast in de 2de symfonie (1921). Naast deze meer cerebrale aspecten vallen de veelvuldige verwijzingen naar populaire muziekgenres op; geen ongebruikelijk verschijnsel in de muziek van die dagen, en zeker niet in het Parijse milieu, waar Pijper als componist dichtbij stond. De werken na 1932 getuigen van een hernieuwde belangstelling voor oude, strengere vormen van contrapunt en een terugkeer naar minder complexe tonale structuren. In zijn laatste orkestwerk, Zes adagio's (1940; geschreven als tempelmuziek voor de Rotterdamse Vrijmetselaarsloge), wordt zelfs de ‘hegemonie van de reine drieklank’ weer door hem aanvaard. Als pedagoog leidde Pijper een gehele generatie van Nederlandse componisten op, onder wie Kees van Baaren, Henriëtte Bosmans, Rudolf Escher, Oscar van Hemel, Hans Henkemans, Guillaume Landré, Piet Ketting, Bertus van Lier en Karel Mengelberg. In 1976 werd de Willem Pijper Stichting opgericht, die zich ten doel stelt ‘de naam van de componist Willem Pijper te doen voortleven en ertoe bij te dragen dat diens werken onveranderd bekendheid blijven genieten’. WERK: (behalve de genoemde): Instrumentaal: Orkest: 3 symfonieën (1917; 1921; 1926); 6 symfonische epigrammen (1928); Orkeststuk met piano (1915); pianoconcert (1927); celloconcert (1936; herinstr. 1947); vioolconcert (1939); Divertimento (1916; v. piano en strijkork.). – Kamermuziek: 5 strijkkwartetten (1914; 1920; 1923; 1928; 1946; onvolt.); sextet (1923; v. piano en blazers); Trio (1927; v. fluit, klarinet en fagot); blaaskwintet (1929); twee pianotrio's (1913–1914; 1921); twee vioolsonates (1919; 1922); Sonate voor vioolsolo (1931); twee cellosonates (1919; 1924); fluitsonate (1925). – Pianomuziek: o.a. 3 sonatines (1917; 1925; 1925); sonate (1930); sonate (1935; v. twee piano's). – Vocaal: Symf. drama's: Halewijn (1932–1933; Emmy van Lokhorst n. M. Nijhoff); Merlijn (1939–1945; S. Vestdijk; onvolt.). – Koorwerken: Heer Halewijn (1920; v. 8-st. koor a capella); Heer Danielken (1925; idem); Twee ballades van Paul Fort (1934; v. vrouwenkoor en ork.). – Toneelmuziek: bij Antigone (1920; 1922; 1926; Sophocles); De bacchanten (1924; Euripides); De cycloop (1925; Euripides); The tempest (1930; Shakespeare); Faeton (1937; Vondel). – Voorts: liederen. – Geschriften: De quintencirkel (1929, 41964); De stemvork (1930) (beide bundels krit. opstellen).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |