Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Prokofjev, Sergej Sergejevitsj

Resultaten van Windows Live® Search

  • Sergej Prokofjev

    Sergej Prokofjev Sergej Sergejevitsj Prokofjev geboren 23 april 1891 op het landgoed Sonzovka/Jekaterinoslav, gestorven 5 maart 1953 in Moskou, Russisch componist en pianist

  • Sergej Prokofjev - Wikipedia

    Sergej Sergejevitsj Prokofjev (ook: Prokofiev , Russisch : Сергей Сергеевич Прокофьев ) ( Sontsovka , gouvernement Jekaterinoslav , 23 april 1891 – Moskou ...

  • Prokofjev, Sergej Sergejevitsj - MSN Encarta Winkler Prins ...

    Prokofjev, Sergej Sergejevitsj Sontsovka, Jekaterinoslav, 11 23 april 1891 – Moskou 5 maart 1953, Russisch componist, ontving pianolessen van.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Prokofjev, Sergej Sergejevitsj

Encyclopedieartikel
Multimedia
Eerste symfonieEerste symfonie

Prokofjev, Sergej Sergejevitsj (Sontsovka, Jekaterinoslav, 11 [23] april 1891 – Moskou 5 maart 1953), Russisch componist, ontving pianolessen van zijn moeder en werd op zijn elfde jaar leerling compositie bij R. Glière. Van 1904 tot 1914 studeerde hij aan het conservatorium te St.-Petersburg bij A. Liadov (theorie), Rimski-Korssakov (instrumentatie), A. Essipova (piano) en N. Tsjerepnin (directie). Na zijn examen, waarbij hem de eerste Rubinsteinprijs voor piano werd toegekend, maakte hij een reis naar Londen. Hier ontmoette hij Diaghilev, die hem opdracht gaf een ballet te schrijven voor de Ballets Russes. Hieruit resulteerde Chout (1915), waarvan de partituur in eerste instantie echter werd afgewezen. Het stuk is pas in 1921, na een revisie door de componist, in première gegaan. In 1918 verliet Prokofjev Rusland en bereisde Japan, Europa en de Verenigde Staten als pianist en vertolker van eigen werk. In 1923 vestigde hij zich in Parijs, waar onder leiding van Serge Koussevitzky vele van zijn composities hun eerste uitvoering beleefden.

In de vroege jaren dertig haalde hij de banden met zijn vaderland weer aan en in 1936 besloot hij zich er definitief te vestigen. Zijn verhouding met de staat was ambivalent. Hoewel een gelauwerd componist – hij ontving verschillende malen de Stalinprijs – werd Prokofjev (samen met Sjostakovitsj, Chatsjatoerian e.a.) in febr. 1948 het doelwit van de scherpe kritiek van het Centraal Comité van de Communistische Partij, dat hem ‘formalisme’ verweet. In een open brief in de Pravda leverde de componist zelfkritiek, maar wist zich ook te verdedigen. In december van hetzelfde jaar kreeg hij een tweede berisping naar aanleiding van zijn laatste opera, De geschiedenis van een goed mens (1948).

Hoewel geen vernieuwer, behoort Prokofjev tot de belangrijkste Russische componisten van de 20ste eeuw. In de vorm van zijn werken hield hij zich doorgaans streng aan de klassieke voorbeelden; zijn harmoniek is, expressieve dissonanten en incidentele bitonaliteit daargelaten, gericht op de klassieke tonaliteit. Zijn jeugdwerken vertonen de invloed van Tsjaikovski, Tanejev en Rachmaninov, terwijl in zijn pianomuziek de stijl van Liszt, Bartók en Strawinsky herkenbaar is. Daarnaast tekende zich echter al spoedig een eigen signatuur af in de hoekige, motorische ritmiek en de sterke contrastwerkingen van uitbundige vrolijkheid, sarcasme en lyrische melancholie, facetten die in zijn gehele oeuvre zijn terug te vinden.

WERK: Instrumentaal: Orkest: Sinfonietta (1909; herz. 1914–1915 en 1929)); Rêves (1910); Esquisses (1910); 5 pianoconc. (1911–1912; 1913–1923; 1917–1921; 1931, v.d. linkerhand; 1932); 2 vioolconc. (1916–1917; 1935); Scythische suite: Ala en Lolly (1914–1915); 7 symf. (1916–1917, ‘Klassieke’ Symf.; 1924–1925; 1928; 1930; herz. 1947; 1944; 1945–1947; 1951–1952); Divertissement (1925–1926); Chant symphonique (1933); celloconc. in e (1933–1938); suite Luitenant Kije (1934). – Balletten: Chout (1915; herz. 1920); Le pas d'acier (1925–1926); L'enfant prodigue (1928–1929); Sur le Borysthène (1930–1931); Romeo en Julia (1935–1936); Cinderella (1940–1944); De stenen bloem (1948–1953). – Toneel- en filmmuz.: (o.a.): Luitenant Kije (1933); Alexander Nevsky (1938); Ivan de Verschrikkelijke, I en II (1942–1944, resp. 1946). – Kamermuziek: Ouverture over Hebreeuwse thema's (1919; bew. v. ork. 1934); kwintet (1924; v. hobo, klar., viool, altviool en contrabas); 2 strijkkwartetten (1931; 1941); sonate v. 2 violen (1932); 2 sonates v. viool en piano (1938–1946; 1944); sonate v. fluit en piano (1943); sonate v. viool solo (1947); sonate v. cello en piano (1949). – Pianomuziek: (o.a.): 9 sonates (1907–1947); Toccata (1912); Sarcasmes (1912–1914); Visions fugitives (1915–1917); Choses en soi (1928). – Opera: Maddalena (1911–1913; geork. d. E. Downes; P. 1981; n. M. Lieven); De speler (1915–1917; P. 1929; n. Dostojevski); De liefde voor de drie sinaasappelen (1919; P. 1921; n. C. Gozzi); De vlammende engel (1919–1927; P. 1955; n. V. Brjoesov); Simeon Kotko (1939; n. V. Katajev); De verloving in het klooster (1940–1941; P. 1946; n. R.B. Sheridan); Oorlog en vrede (1941–1952; P. 1957; n. L. Tolsjoj). – Cantates: Het waren er zeven (1917–1918; herz. 1933; K. Balmont); Cantate voor de twintigste verjaardag van de Oktoberrevolutie (1936–1937); Alexander Nevsky (1939); Ballade van de onbekende jongen (1942–1943; P. Antokolski); Wintervakantie (1949–1950; v. spreker, jongenskoor en ork.; S. Marsjak); Peter en de wolf (1936; v. spreker en ork.); Op wacht voor de vrede (1951). – Voorts: koorwrk., liederen.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum