Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Poulenc, Francis

Resultaten van Windows Live® Search

  • Francis Poulenc

    Francis Poulenc ... Francis Poulenc was de zoon van Emil Poulenc, directeur van het textielconcern Rhone-Poulenc en devoot katholiek, en Jenny Royer, die een grote interesse voor ...

  • biografie poulenc

    Geboren te Parijs(F). Overleden te Parijs (F). Franse componist. Poulencs vader was directeur van de "Produits Chimiques Poulenc". Francis zelf werd in Parijs geboren op 7 januari ...

  • Francis Poulenc - Sinfonietta

    Francis Poulenc droeg zijn Sinfonietta in 1947 op aan Georges Auric, een collega uit het illustere groepje dat onder de naam Les Six bekend is geworden.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Poulenc, Francis

Encyclopedieartikel

Poulenc, Francis, voluit: Francis Jean Marcel (Parijs 7 jan. 1899 – aldaar 30 jan. 1963), Frans componist en pianist, studeerde piano bij Ricardo Viñes. Deze bracht hem in contact met Satie, die als eerste een compositie van hem deed uitvoeren, Rhapsodie nègre (1917; voor bariton, strijkkwartet, fluit, klarinet en piano), (1918). Kort daarop sloot Poulenc zich aan bij de groep Nouveaux Jeunes (later de Groupe des Six), waar hij de invloed van Jean Cocteau onderging. In 1919 oogstte hij zijn eerste succes als componist met de aan Viñes opgedragen Mouvements perpetuels (1918) voor piano. Op aanraden van Milhaud studeerde hij contrapunt en compositie bij Ch. Koechlin (1921–1924). In deze tijd maakte hij tevens kennis met Arnold Schönberg en Casella. De première van zijn in opdracht van Diaghilev geschreven ballet Les biches (1923) bezorgde hem internationale erkenning. Neoklassiek, naar het voorbeeld van Strawinsky's Pulcinella, toont dit werk reeds Poulencs karakteristieke voorliefde voor stijlcitaten, alsmede zijn ongegeneerd gebruik van populaire motieven uit de jazz en de amusementsmuziek. Deze beide elementen zijn met wisselend succes toegepast in zijn vnl. instrumentale werken uit de jaren twintig en het begin der jaren dertig. Een nieuwe impuls ontving zijn componeren uit de samenwerking met de bariton Pierre Bernac, die hij vanaf 1935 tot 1949 regelmatig begeleidde. In deze periode ontstond het merendeel van Poulencs liedoeuvre (w.o. een aantal cycli), waarin hij zich ontpopte als een waardig opvolger van Fauré, Duparc en Debussy. Uit zijn latere jaren dateren de geestelijke werken, waaronder de op een religieus thema gebaseerde opera Les dialogues des carmélites (1953–1956; 1957; naar Georges Bernanos), en zijn terugkeer naar de kamermuziek.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Concert champêtre (1927–1928; v. klavecimbel en ork.); conc. v. 2 piano's en ork. (1932); Suite française (1935; v. 9 blazers, trommel, klavecimbel of harp en piano); conc. v. orgel, strijkork. en pauken (1938); Sinfonietta (1947); pianoconc. (1949). – Kamermuz.: Sonate v. hoorn, trompet en trombone (1922, herz. 1945); Trio v. piano, hobo en fagot (1926); Sextet v. piano en 5 blazers (1932–1939); sonates voor piano e.a. instr. – Pianomuz.: o.a. Sonate (1918; vierhandig); Six impromptus (1920); Promenades (1921); Napoli (1925); Huit nocturnes (1929–1938); Les soirées de Nazelles (1936); Douze improvisations (1932–1959). – Ballet: Aubade (1929, v. piano en 18 instr.); Les animaux modèles (1940–1941; n. La Fontaine). – Opera: Les mamelles de Tirésias (P. 1947; n. G. Apollinaire); La voix humaine (P. 1959; n. Cocteau). – Koorwrk.: Cantate Sécheresse (1937; n. E. James); Messe (1937); Litanies à la Vierge noire (1942; vrouwenkoor en orgel); Figure humaine (1943; cantate v. gem. dubbelkoor a cappella; n. Eluard); Stabat Mater (1950; sopraansolo, koor en ork.); Quatre motets pour le temps de noël (1951–1952); Gloria (1959). – Vocaal solo m. instr.: Le bestiaire (1919, bew. v. zang en piano 1920; Apollinaire); Cocardes (1919; Cocteau); Le bal masqué (1939; mezzosopraan, bariton en instrumentaal ens.; M. Jacob); La Dame de Monte Carlo (1961; sopr. en ork.; n. J. Cocteau). – Liederen: Poèmes de Ronsard (1924–1925); Chansons gaillardes (1926); Airs chantés (1927–1928; J. Moréas); 4 Poèmes (1931; Apollinaire); 5 Poèmes (1935; P. Eluard); Tel jour, telle nuit (1937; P. Eluard); Fiançailles pour rire (1939; L. de Vilmorin); Banalités (1940; Apollinaire); ‘C’ (1942; L. Aragon); Calligrammes (1948; Apollinaire); La courte paille (1960; M. Carême). – Geschriften: Em. Chabrier (1961; Eng. vert. 1981); Moi et mes amis (1963; Eng. vert. 1978); Journal de mes mélodies (1964).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum