Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Portugal

Resultaten van Windows Live® Search

  • PORTUGAL

    PORTUGAL ... Het vasteland bestaat uit de westrand van het Spaanse tafelland, dat gebied gaat in Portugal naar het westen toe in brede kustvlakten over.

  • Portugal vakantie site

    Ontdek tijdens je vakantie de mooiste plekjes in Lissabon en omgeving, de Alentejo en de Serra da Estrela. Foto's, links naar campings, hotels, en fado.

  • portugal.startpagina.nl

    portugal.startpagina.nl. Een overzicht van meer dan 350+ handige links over portugal. Van landkaarten, het weer t/m uw vakantie.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 6 van 7

Portugal

Encyclopedieartikel
Multimedia
Warme dagen aan de kust van NazaréWarme dagen aan de kust van Nazaré
Artikeloverzicht

6.4 Het Huis van Avis

Voor enige leden van de hoge adel en vooral voor de hoofdstedelijke burgerij was aansluiting bij Castilië onaanvaardbaar. Zodoende werd Johan I, meester van de Orde van Avis en onwettig zoon van Peter I, tot koning van Portugal uitgeroepen (1385). In hetzelfde jaar werd de onafhankelijkheid van het land door de Slag van Aljubarrota tegen de Castilianen bevestigd. Johan I omringde zich met een staf van bekwame medewerkers en moderniseerde het rijk. Steunend op de burgerij, centraliseerde hij de macht, creëerde een nieuwe adel en bevorderde de politieke zeggenschap van de gilden in de steden. Zijn zoon Hendrik de Zeevaarder (1394–1460) heeft de grondslag gelegd voor het Portugese overzeese imperium. Bij zijn dood waren Madeira en de Azoren al ontdekt (1424 resp. 1431–1432) en waren de Portugezen in Afrika al tot Sierra Leone doorgedrongen. Portugal was de voornaamste maritieme mogendheid van Europa geworden.

Johan II (1481–1495) was energiek en bekwaam; hij beknotte hardhandig de weerbarstige adel, gedroeg zich als een absoluut vorst en bevorderde de ontdekkingen (Bartholomeu Diaz; zie ook ontdekkingsreizen). Zijn opvolger, Emanuel I de Grote (1495–1521), wordt ook wel ‘de Gelukkige’ genoemd; onder zijn regering werd de zeeweg naar Oost-Indië ontdekt (Vasco da Gama, 1498/1499) en Brazilië (Pedro Álvarez Cabral, 1500). Hij werd meester van een uitgestrekt imperium in het oosten, waarvan de invloedssfeer zich uitstrekte van de Rode Zee tot China, en van uitgestrekte gebieden in Amerika, die ten oosten van de in 1494 te Tordesillas vastgestelde demarcatielijn lagen. Lissabon was tijdens zijn regering de voornaamste haven van Europa en er was een weelderig hof. Tijdens Johan III (1521–1557) kondigden zich de symptomen van het verval aan: de Portugese kroon raakte in de schuld bij buitenlandse bankiers, het platteland raakte ontvolkt; enige forten in Marokko moesten aan de Moren worden prijsgegeven. Portugal was te klein om een groot imperium in stand te kunnen houden; de veroveringen zogen het land leeg en kwamen slechts ten goede aan weinige families; de overzeese expedities waren een zaak van de kroon en er ontstond, anders dan in Engeland en Nederland, geen commerciële middenklasse die de overzeese bezittingen op doelmatige wijze kon exploiteren; een volksklasse die daartoe in staat zou zijn geweest, was die van de zgn. nieuwe christenen (de afstammelingen van de in 1497 onder dwang gedoopte joden; zie marranen), die door de in 1536 opgerichte inquisitie vervolgd werden. De sociale en economische structuur van het land werd geleidelijk steeds meer archaïsch. Religieus fanatisme en verouderde kruistochtidealen droegen het hunne bij tot het verval: de jeugdige koning Sebastiaan (1557–1578) stierf in 1578 op het slagveld van Ksar-el-Kebir in Marokko; met hem sneuvelden 8000 Portugezen en bijna 15 000 werden gevangen gemaakt, die tegen een hoog losgeld moesten worden vrijgekocht. Hij werd opgevolgd door zijn bejaarde oom Hendrik, de kardinaal, die begin 1580 reeds overleed. Van de hieropvolgende verwarring maakte Filips II (kleinzoon van Emanuel I) gebruik om zijn aanspraken op de Portugese kroon te doen gelden; de hertog van Alva viel het land binnen en de Cortes riepen Filips uit tot koning van Portugal in april 1581. Hiermee kwam feitelijk een eind aan de onafhankelijkheid van Portugal, hoewel het land in naam in het bezit bleef van zijn eigen wetten en administratie.

6.5 Onder Spaans bewind

Filips II was vrij loyaal in de erkenning van de Portugese autonomie, maar de vijanden van Spanje, m.n. de Republiek der Verenigde Nederlanden, gingen ertoe over Portugal eveneens als vijand te beschouwen. De Verenigde Oost-Indische Compagnie veroverde grote delen van het Portugese imperium in het oosten, de West-Indische Compagnie nestelde zich in Noordoost-Brazilië. Ook was het noodlottig voor Portugal dat het betrokken werd in de talrijke oorlogen van Spanje met andere Europese mogendheden. Economisch en sociaal raakte het land steeds meer uitgeput, vooral onder Filips III en Filips IV, die Portugal eenvoudig als een provincie van Spanje beschouwden. Maar het Portugese nationalisme, actief bevorderd door de geestelijkheid, kwam steeds meer in verzet tegen de onderdrukking en uitbuiting. Eind 1640 maakte een kleine groep van samenzweerders, profiterend van de moeilijkheden waarin Spanje zich toen bevond, een eind aan de Spaanse overheersing, hetgeen door het overgrote deel van de bevolking geestdriftig werd toegejuicht. De hertog van Bragança werd tot koning Johan IV uitgeroepen.

6.6 Het Huis van Bragança

Johan IV (1640–1656) moest zich voorbereiden op een aanval van Spanje, bondgenoten zien te krijgen in Europa, de verloren koloniën trachten te herwinnen en zich de medewerking weten te verschaffen van het door Spanje beïnvloede Rome. Dankzij het werk van enige bekwame ministers, de verzwakking van het aan alle kanten bestookte Spanje en de verdeeldheid van de Europese machten heeft hij een groot deel van dit programma kunnen uitvoeren. De Portugese legers beperkten zich in de strijd tegen Spanje tot het defensief, en niet zonder succes; onder Alfons VI kwam in 1668 de vrede tot stand, het jaar daarna erkend door Rome. Reeds eerder bij de vrede met de Republiek (1661) waren de Portugese rechten op Brazilië en Angola erkend. De hernieuwde alliantie met Engeland (1662 huwelijk van Catharina van Bragança met Karel II) kostte Portugal o.a. het bezit van Bombay. Van het Portugese imperium in het oosten waren slechts restanten overgebleven, maar de onafhankelijkheid van het land was verzekerd. Toch slaagde Portugal er niet in zich tot een moderne mogendheid op te werken. Het Methuen-verdrag (1703) maakte het land politiek en economisch afhankelijk van Engeland; het verdrag schiep door de economische ongelijkheid die het bestendigde, een soort neokoloniale verhouding. Het Braziliaanse goud, dat in de 18de eeuw naar Portugal begon te stromen, werd door de prachtlievende barokvorst Johan V (1707–1750) aan o.a. pompeuze bouwwerken (o.a. kloosterkerk van Mafra) besteed. Zijn opvolger Jozef Emanuel (1750–1777) liet de regering over aan zijn minister Pombal, een typische vertegenwoordiger van het verlicht despotisme. Hij liet Lissabon na de aardbeving in 1755 planmatig herbouwen. Pombal probeerde het land op hardhandige wijze te moderniseren en hij trachtte de macht van de hoge adel en de kerk te breken en de staatsmacht te versterken. In 1759 werden de jezuïeten verdreven. Hoewel veel van Pombals hervormingen door Marian I da Gloria (1777–1816) ongedaan werd gemaakt, heeft hij een blijvend stempel op het land gedrukt.

Toen de legers van Napoleon in 1809 Portugal binnenvielen, week de koninklijke familie uit naar Brazilië. Een regentschap bleef achter, maar het land werd beheerst door de Engels-Spaanse strijdmachten die onder Wellington de Franse invallers bestreden. Vier jaar oorlog en guerrilla verwoestten het land. Het hof regeerde vanuit Brazilië tot een liberale revolutie in 1821 koning Johan VI (1816–1826) dwong naar Europa terug te keren. Hij had zijn zoon Peter in Brazilië als regent achtergelaten, die in 1822 de onafhankelijkheid van de kolonie uitriep. Na zijn dood brak er een burgeroorlog uit tussen de absolutisten (onder leiding van Dom Miguel) en de liberalen, waarin Peter van Brazilië, die inmiddels van het keizerschap in de voormalige kolonie afstand had gedaan, intervenieerde ten gunste van de liberalen, en met succes. Kort na de overwinning overleed hij (als Peter IV van Portugal); zijn dochter Maria II da Gloria (1834–1853) volgde hem op.

Portugal was in de 19de eeuw een constitutionele monarchie met een vrij liberale grondwet; maar van de uitwerking daarvan kwam in de praktijk weinig terecht: het parlement leefde zich uit in steriele partijtwisten en trok zich van de reële noden van de bevolking slechts weinig aan; voor zover de vorsten zich inderdaad met de politiek inlieten, grepen zij dikwijls naar het wapen van de dictatuur; de bevolking op het platteland leefde in feodale omstandigheden en in grote onwetendheid (in 1890 was 76% van het volk analfabeet). Financiële schandalen van regeringsleiders, onwil en onmacht van de leidende kringen om de situatie te verbeteren, en politieke echecs in Afrika brachten de monarchie in diskrediet. Portugal bouwde in de tweede helft van de 19de eeuw een groot koloniaal rijk op in Afrika, uitgaande van oude bezittingen langs de kust – het derde imperium na het Aziatische en het Braziliaanse. In koloniale conflicten met machtiger mogendheden – Groot-Brittannië (1890), Duitsland – trok het land steeds aan het kortste eind. In 1878 werd de Republikeinse Partij opgericht. Er ontstond een arbeidersbeweging waarin, vanaf ca. 1890, de anarchisten sterk vertegenwoordigd waren. Hun ideeën domineerden ook in de vakbeweging, de CGT. In 1908 werden koning Karel I (1889–1908) en de troonopvolger gedood na een aanslag van republikeinen. De jonge Emanuel II moest na een militaire rebellie en volksopstand op 5 oktober 1910 de wijk nemen naar Groot-Brittannië. Dezelfde dag werd de republiek uitgeroepen en Teófilo Braga werd de eerste president.

6.7 De republiek en de corporatieve staat

Het nieuwe regime bracht geen politieke stabiliteit. De financiële problemen, het analfabetisme, de economische en sociale vraagstukken bleven bestaan. Antiklerikale maatregelen werkten polariserend. Van 1910 tot 1926 telde Portugal niet minder dan 44 regeringen, maakte het land twintig staatsgrepen mee en wisselde het twaalf maal van president.

Onder zware Britse druk nam Portugal in 1916 aan de Eerste Wereldoorlog deel. Het leed aanzienlijke verliezen in Frankrijk, nederlagen in Mozambique en kwam financieel nog verder ontredderd uit de oorlog te voorschijn. Regeringscrises, internationale leningen op vernederende voorwaarden, stakingen en onlusten bepaalden het naoorlogse beeld. In 1926 brak een rechtse nationalistische revolutie uit. Generaal Carmona, president van 1926 tot 1951, haalde in 1928 de econoom António de Oliveira Salazar naar het ministerie van Financiën. Salazar had absolute volmachten bedongen en saneerde de financiën met drastische maatregelen dankzij de generaalsdictatuur. De staatstekorten veranderden in overschotten. In 1932 werd Salazar minister-president en een jaar later gaf hij het land met een nieuwe grondwet een corporatieve politiek-sociale grondslag (Estado Novo). Veertig jaar zou Salazar de Portugese politiek beheersen. De ‘Nieuwe Staat’ van Salazar en zijn erachter liggende ideeën trokken internationaal – ook in Nederland – belangstelling als een nieuwe vorm van sociaal-politieke ordening. In feite ging het om een mengeling van katholiek corporatisme en fascisme. De ideeënwereld van liberalisme en socialisme, van democratie met politieke vrijheidsrechten en de arbeidersbeweging werden onderdrukt. In de Spaanse Burgeroorlog (1936–1939) verleende Portugal velerlei diensten aan Franco aan wiens zijde een Portugees legioen meevocht. Na Franco's overwinning werd met Spanje het Iberisch Pact gesloten.

Portugal bleef buiten de Tweede Wereldoorlog; wel bezette Japan Portugees Timor en verkregen de Britten een militaire basis op de Azoren. Na de oorlog trad Portugal toe tot de Verenigde Naties en de NAVO (1949) zonder dat het regime gewijzigd werd. De oppositie werd monddood gemaakt. De opgelegde politieke stabiliteit leidde tot sociaal-economische immobiliteit.

In 1951 kregen de koloniën de status van ‘overzeese gebiedsdelen’, maar zij bleven buiten het dekolonisatieproces dat zich in Azië en Afrika voltrok. India annexeerde na een militaire actie in 1961 de enclaves Goa, Daman en Diu. In Afrika begonnen bevrijdingsbewegingen een gewapende strijd (Angola 1961, Guinea 1963, Mozambique 1964). Portugal verzeilde in een drievoudige koloniale oorlog, waarin een leger van 100 000 dienstplichtigen betrokken was. Het regime raakte in een internationaal isolement en hoewel honderdduizenden Portugezen als gastarbeiders in West-Europa werkten, stagneerde de economie. Het verzet verdiepte en verbreedde zich. Salazar werd in 1968 opgevolgd door Caetano, die een zekere mate van modernisering en liberalisering nastreefde, echter zonder de grondslagen van het systeem te wijzigen of de politieke oppositie meer kans te geven. De wreed opererende geheime politie, de PIDE, veranderde van naam (DGB), maar bleef bestaan en ondanks veroordelingen van de Verenigde Naties en het steeds meer veldwinnen van de verzetsbewegingen werd de uitzichtloze strijd in Afrika voortgezet. Een oppositiebeweging binnen de strijdkrachten, de Beweging der Strijdkrachten (MFA), greep ten slotte in. President Tomás en Caetano's regering werden op 25 april 1974 afgezet, een junta van de MFA, waarin de oud-gouverneur van Guinea, generaal Antonío de Spínola, de bekendste figuur was, nam het bewind in handen.

6.8 De Anjerrevolutie (1974)

De ‘Anjerrevolutie’ van 25 april 1974, die zonder bloedvergieten verliep, deed de ‘Nieuwe Staat’ als een kaartenhuis uiteenvallen en bracht een revolutionaire ontwikkeling op gang in de Portugese samenleving, politiek, sociaal en economisch. Deze ontwikkeling ging de opzet van de MFA verre te buiten. Oude en nieuwe partijen organiseerden zich, wijk- en volkscomités ontstonden. Industriële en financiële ondernemingen werden genationaliseerd of (mede)gecontroleerd door de werknemers. Landarbeiders namen de grond in bezit en stichtten coöperatieven, vooral in het zuiden waar veel grootgrondbezit bestond. De feitelijke machtsverhoudingen tussen staat, MFA en nieuwe organen zoals de COPCON, het militaire operatiecomité, waren lange tijd onduidelijk en veranderden voortdurend. In de loop van enkele jaren zou de (sociaal)revolutionaire vloedgolf worden ingedamd en er ontstond, voor het eerst in de Portugese geschiedenis, een politieke democratie.

In de MFA was in eerste aanleg een breed scala van politieke opvattingen samengegaan, van autoritair-conservatief (Spínola) tot sociaal-revolutionair (Otelo Saravia de Carvalho). De primaire doelstellingen, beëindiging van de koloniale oorlogen en een op het Westen georiënteerd, democratischer Portugal, werden bereikt. Het eerste doordat Portugal in de revolutionaire jaren de onafhankelijkheidsbewegingen erkende en de overzeese gebieden opgaf (Spínola e.a. hadden een band willen behouden). In september 1974 werd Portugees Guinea het onafhankelijke Guinee-Bissau. In 1975 kregen Mozambique, São Tomé en Príncipe hun onafhankelijkheid en in 1976 werd die van Angola erkend. Portugees Timor werd in 1975 door Indonesië bezet. Ongeveer een half miljoen repatrianten kwam naar het moederland. Hier ontwikkelde de situatie zich snel na de 25ste april 1974. Spínola werd op 14 mei president. De eerste premier, Palma Carlos, maakte op 18 juli plaats voor Vasço Gonsalves, die een radicale koers insloeg, zowel met de dekolonisatie als binnenslands met nationalisaties en andere maatregelen. De MFA volgde een linkse koers en de COPCON, waarin Otelo Carvalho een grote invloed had, nog meer. Spínola trad op 30 september af wegens de radicale ontwikkelingen, generaal Francisco da Costa Gomes volgde hem op. Het mislukken van een rechtse staatsgreep op 11 maart 1975, waarbij Spínola betrokken was, versterkte de linkse krachten. De verkiezingen voor de grondwetgevende vergaderingen op 25 april brachten een grote overwinning voor de gematigde partijen, de socialisten (SP) onder Mário Soares (38%) en de Volkspartij (PPD) van Sá Carneiro (26%). De communisten (PCP) onder Cunhal behaalden 12,5% en de rechtse CDS 7,7%. De politieke spanningen stegen verder en op 25 november greep een ‘groep van negen’ militairen in. Het werd een keerpunt, de revolutionaire structuren verloren snel terrein, en de formele machtsstructuren werden hersteld.

Vorige
| | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum