Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar porselein

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

porselein

Encyclopedieartikel
Multimedia
Beker van SèvresporseleinBeker van Sèvresporselein
Artikeloverzicht

Introductie

porselein (via Fr. porcelaine v. Ital. porcellana = venusschelp), een hard, niet poreus, doorschijnend en meestal wit keramisch product (zie ook keramiek). De belangrijkste grondstoffen voor de vervaardiging zijn kaolien of porseleinaarde (40–65%), veldspaat (15–35%) en kwarts (12–30%). Hierbij bepaalt kaolien de vorm- en vuurvastheid, terwijl de andere bestanddelen als smelt- en mageringsmiddelen dienst doen. Een hoog kaoliengehalte geeft een minder doorschijnend product, dat goed bestand is tegen temperatuurvariaties. Wordt het veldspaatgehalte verhoogd, dan neemt de doorschijnendheid toe, maar wordt het product brosser. Er zijn verschillende soorten porselein, afhankelijk van de samenstelling en de baktemperatuur. De voorbereiding en bewerking van de grondstoffen zijn vrijwel gelijk aan die van aardewerk. Om de witte kleur te behouden, moet ervoor worden gezorgd dat er geen ijzer in de grondstoffen komt. De vormgeving geschiedt door draaien, gieten of persen (zie keramiek). Na het drogen worden de voorwerpen tot een stevig biscuit gebrand bij ca. 900 °C, waarna het glazuur kan worden opgebracht. Hierna volgt de glazuurbrand bij 1400–1460 °C (bij zacht porselein: 1240–1300 °C), waarbij de overgang in het glazige porselein plaatsvindt. Decoraties kunnen onder en boven het glazuur worden aangebracht. Bij onderglazuurdecoraties moeten de kleurstoffen bestand zijn tegen de hoge temperaturen van de glazuurbrand. In het andere geval worden de decoraties na de glazuurbrand opgebracht en bij 800 °C ingebrand.

1. Soorten

Hard porselein (ook bekend als pâte dure) wordt o.a. gebruikt voor chemische en elektrotechnische apparatuur en serviezen. Tot de zacht-porseleinsoorten (pâte tendre) behoren o.a. beender-, frit-, krijt-, veldspaatporselein en ‘Vitreous china’. Beenderporselein bevat in de grondstoffen 20–60% beenderas (calciumfosfaat), waardoor de baktemperatuur wordt verlaagd. Het is zeer bros en wordt vooral in Groot-Brittannië vervaardigd. Bij fritporselein verlagen glasfritten in plaats van veldspaat de baktemperaturen. Krijt- of kalkporselein is een goedkoop soort porselein met als toegevoegd bestanddeel kalkspaat of krijt. Het heeft slechte sterkte-eigenschappen. Veldspaatporselein is een hoogwaardige porseleinsoort, o.a. gebruikt voor sanitair. Vitreous china is de Engelse benaming voor een veldspaatporseleintype met een hoog percentage veldspaat en kwarts.

2. Geschiedenis

2.1 China

China is de bakermat van het porselein. Archeologische onderzoekingen hebben aan het licht gebracht dat hier reeds vanaf de 3de à 4de eeuw n.C. zeer hard gebakken keramiek met lichte scherf en heldere klank, die men reeds porselein kan noemen, bekend was; de overgang in de techniek van hardgebakken gres naar porselein moet geleidelijk zijn geweest. Tot aan de Soeng-periode (960–1279) bleef het vervaardigen van aardewerk, eventueel bedekt met loodglazuren zoals bij T'ang-graffiguren, een belangrijke nijverheid. Vanaf de 10de eeuw raakte dit hoe langer hoe meer op de achtergrond door het echte porselein. Europa maakte pas op grote schaal kennis met porselein uit de Ming- (1368–1644) en Tsj’ing- (1644–1912) perioden; vooral het blauw-en-wit-porselein, dat met schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) werd aangevoerd, viel zeer in de smaak. Het merendeel hiervan was afkomstig uit Zhingdezhen (Tsjing-tê-tsjên), een stad met een bijna veertien eeuwen oude porseleingeschiedenis, in het noorden van de provincie Jiangxi. Vanaf de 13de eeuw had men er ervaring met het versieren van porselein met kobaltblauw onder het glazuur. Een ander door de VOC geëxporteerd porselein was het zgn. blanc de chine, afkomstig uit Dehua (Te-hwa) in de provincie Fujian.

Pas in het begin van de 20ste eeuw kreeg Europa oog voor keramiek uit vroegere tijden dan de Ming- en de Tsj'ing-dynastieën. In Nederland kwamen grote hoeveelheden keramiek uit de T'ang-, de Soeng- en de Ming-periode uit Indonesië. Deze producten waren in pre-VOC-tijden naar de verschillende eilanden in de archipel verscheept. Dikwijls hield men in China rekening met de eigen voorkeur van de volken in Zuidoost-Azië. In vormen (o.m. reukwaterflacons, grote schalen) en versieringen (Arabische spreuken, wayangfiguren) verschilde dit exportgoed van de voorwerpen die voor de eigen markt waren bedoeld. In zekere zin zou men ook hier kunnen spreken van ‘chine de commande‘. Met deze term wordt echter vooral het porselein aangeduid dat vanaf ca. 1700 door Europa werd besteld. Men stuurde modellen voor serviesstellen en ontwerpen voor decoratie naar China. De pottenbakkers in Zhingdezhen moesten toen bijv. terrines in fantasievormen, sauskommen, zoutvaatjes, snelletjes en klapmutsen maken. De porseleinschilders in Kanton imiteerden aan de hand van voorbeelden bijbelse voorstellingen, Griekse naakten, bloemtuilen en guirlandes, wapens en ten slotte zeer vreemde snoeshanen. Soms was er vaatwerk bij van metaal, zoals tin of zilver, zodat er – behalve schotels en kommen met een Chinese zuiver keramische vloeiende vorm – ook borden en kommen met een vlakke, soms geschulpte rand werden vervaardigd; zilveren vazen met opengewerkte deksels, gebombeerde wanden en kruloren met pareltjes werden in porselein nagemaakt.

Er waren ettelijke plaatsen in China waar porselein werd gemaakt. Vele werden in de literatuur met name genoemd, maar de meeste zullen niet meer te lokaliseren zijn, al kunnen archeologische opgravingen nog zeer veel interessante gegevens opleveren. Van de bekende ovens zijn enkele tot de dag van vandaag nog productief; behalve de eerder genoemde porseleincentra Zhingdezhen en Dehua (vanaf de Ming-periode) zijn er de Junzhou- en de Cizhou-ovens (beide uit de vroege Soeng-tijd), in resp. Henan en Hebei, en de Shiuan- of Foshan- en de Ixing-ovens (beide uit de Ming-tijd) in resp. Guangdong en Jiangsu. De invloed van het Chinese porselein op de keramiek van West-Europa is bijzonder groot geweest.

2.2 Japan

In Japan werd voor het eerst porselein vervaardigd in het begin van de 17de eeuw, en wel op Kyushu. Dit vond plaats nadat eerst in Arita een hoeveelheid porseleinaarde ontdekt zou zijn door de Koreaan Risampéi in 1616. Onder leiding van Koreaanse pottenbakkers werd aanvankelijk porselein geproduceerd dat qua stijl en versieringstechniek beïnvloed werd door het Koreaanse blauw-en-wit-porselein uit de Ji-periode (1392–1910). Met gosoe, blauwe kleurstof gemaakt van kobalt, werden onder het glazuur versieringen op het porselein aangebracht, waardoor blauw en wit werd verkregen, bekend als de zgn. sometsoekè. Ook het blauw en wit uit het China van de Ming-periode (1368–1644) heeft zijn invloed doen gelden.

De Wan Li rood-en-groen-emailstukken, in Japan samengevat onder de term aka-è, waren de voorlopers van het eerste Japanse emailporselein. Hoewel het niet met zekerheid bekend is hoe precies de kennis omtrent emailversieringstechnieken Japan heeft bereikt, wordt algemeen aangenomen dat deze werd verkregen uit Chinese bronnen in Nagasaki ca. 1650. De eerste die in Japan met deze technieken experimenteerde zou Kakiemon I (1596–1666) zijn geweest. Het porselein dat naar hem genoemd is, werd voor het eerst geproduceerd in Nangawara te Arita. Op het eind van de 17de eeuw werd door de Kakiemon-familie het gebruik van polychroom emailversieringstechnieken vervolmaakt en al spoedig verwierf Kakiemon-porselein een eigen stijl, gekenmerkt door het spaarzaam aanbrengen van overwegend zachtrood en helder blauw email op het melkwitte porselein. Het Kakiemon-porselein, dat aanvankelijk door de VOC naar Holland en andere Europese landen werd gebracht en na ca. 1700 door particuliere Chinese handelaren, trok zeer de aandacht in Europa. Naarmate de vraag naar Kakiemon toenam, werden ook door andere ovens in de omgeving van Arita de Kakiemon-stijl en -technieken overgenomen, daarbij ook nagevolgd door bekende centra van porseleinindustrie in Europa, zoals o.a. Delft en Meissen. Kakiemon-porselein wordt nog steeds vervaardigd.

In het begin van de 18de eeuw werd te Okawatji, dicht bij Arita, het zgn. Nabesjima-porselein vervaardigd. Dit porselein werd gemaakt voor de Nabesjima-familie, de feodale heersers over het Arita-district. Techniek en afwerking staan op hoog peil en het wordt door kenners als kwalitatief het beste van alle Japanse porselein beschouwd. Het merendeel van de versieringen is in onderglazuur blauw en polychroom email uitgevoerd en bestaat uit motieven van bloemen, bladeren, fruit en vooral ook van textiel. Kenmerkend bij de Nabesjima-schotels is de relatief hoge voetrand, die aan de buitenzijde rondom is versierd met het onderglazuurblauwe zgn. kampatroon (koesji-de). Tijdens de bloeiperiode van het Nabesjima-porselein, in het begin van de 18de eeuw, werden de vervaardigingstechnieken angstvallig geheimgehouden. Strenge voorzorgsmaatregelen werden ingesteld om de exclusiviteit en het alleenrecht van gebruik binnen de familie te handhaven. Daardoor hebben slechts enkele exemplaren Europa kunnen bereiken, althans vóór het einde van de Edo-periode in de tweede helft van de 19de eeuw.

Een ander belangrijk ovencomplex in de nabijheid van Arita was gelegen in Mikawatji, waar in de tweede helft van de 18de eeuw tot begin 19de eeuw vnl. blauw en wit werd vervaardigd, alsmede voorwerpen van geheel melkwit porselein. Daar het genoemd is naar de haven van uitvoer, is dit porselein beter bekend als Hirado-porselein.

Een tweede voorbeeld van porselein dat genoemd werd naar de haven van export naar de rest van Japan en naar Europa, is het Imari-porselein. Hieronder wordt in Europa verstaan die bepaalde groep van Arita-porselein dat vnl. overdekt is met onderglazuurblauw en ijzer-rood email met enig goud. In Japan echter wordt thans over het algemeen onder ‘Imari’ samengevat alle Arita-porselein, uitgezonderd Kakiemon, Nabesjima en het Hirado-blauw-en-wit.

Ten slotte is er het Koetani-porselein, genoemd naar de plaats van vervaardiging, gelegen in het westen van Honshu. Geheel los van de bedrijvigheid op Kyushu ontwikkelde het Koetani-porselein zich voor het eerst ca. 1650; de ovens hier zijn tot begin 18de eeuw productief geweest. Het in deze periode vervaardigde porselein wordt gerekend tot de zgn. Ko Koetani (= Oud Koetani)groep. De vorm van het nog onbeschilderde porselein was tamelijk grof, aangezien de techniek van het bakken nog niet goed genoeg werd beheerst. Hierdoor ontstonden vaak onvolkomenheden zoals bijv. haarscheurtjes en kleine putjes op het oppervlak. De kleur van het glazuur is meestal grijswit en ondoorschijnend. Het email daarentegen stond op een hoog peil, waarbij vooral dikke rood-en-groen-emailversieringen overheersten. Het werk van bekende meesterschilders, die vaak zelf het penseelwerk op het porselein uitvoerden, vormde de bron van inspiratie voor de motieven. Hoewel meestal van steengoed, bestaat er voorts een afzonderlijke groep van het zgn. Ao Koetani (= blauwgroen Koetani), waarvan de stukken geheel bedekt zijn met geel, blauwgroen en aubergine email. Pas in het begin van de 19de eeuw leefde de productie van Koetani-porselein weer op, o.a. in Josjidaja en Kasoegajama, in de directe omgeving van Koetani. Terwijl in deze ovens vooral Ao Koetani werd gekopieerd, werd er tevens een nieuwe stijl Koetani geïntroduceerd, bekend als Akadji Kinga, waarbij het porselein met drukke versieringen in rood en goud werd overdekt.

Pas met de laat-19de-eeuwse industrialisatie verschenen kort na elkaar in geheel Japan fabrieken waar op grote schaal porselein wordt geproduceerd.

Vorige
|
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum