Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
Introductie; 1. De jaren vijftig; 2. De jaren zestig; 3. De jaren zeventig; 4. De jaren tachtig; 5. De jaren negentig en verder
popmuziek (v. Eng. popular = populair), letterlijk: elke muziekvorm die enige mate van populariteit geniet. De term heeft echter een meer specifieke betekenis gekregen: westerse rock-’n-roll en al zijn afgeleiden, plus equivalenten in andere culturen.
Rock-’n-roll is een muziekvorm van Amerikaanse oorsprong, die in het midden van de jaren vijftig ontstond uit een samensmelting van ‘zwarte’ rhythm-and-blues en ‘blanke’ country-and-western, tot dan toe twee strikt gescheiden muziekgenres met hun eigen raciale markten. Rock-’n-roll, voor het eerst vertolkt door – blanke – zangers als Elvis Presley en Bill Haley (Rock around the clock, 1954), had echter een ander uitgangspunt: rebelleren tegen de gevestigde orde (ouders, kerk en staat) door de jeugd, bij wie dan ook zowel zwarte (Little Richard, Chuck Berry) als blanke (Jerry Lee Lewis, Buddy Holly) artiesten in de smaak vielen. Beschaafdere, zij het niet minder interessante varianten als het vocale doo-wop-genre (The Drifters, The Coasters) en de eveneens meerstemmige countrypop van The Everly Brothers sloegen een brug naar het oudere publiek, dat de pure rock-’n-roll als vulgair afdeed en als van voorbijgaande aard beschouwde. Met het – deels tijdelijk – verdwijnen van enkele van de grootste rock-’n-roll-sterren (Presley in militaire dienst, Berry in de gevangenis, Holly verongelukt) leek de populaire muziek begin jaren zestig inderdaad weer even geheel in handen van de commercie te komen. Naast de edelkitsch van de zgn. meidengroepen uit de stal van ‘wall of sound’-producer Phil Spector (o.a. The Crystals, The Ronettes) was het in deze periode vooral de zgn. high school pop die domineerde, gebracht door frisse, door de platenindustrie geselecteerde ideale ‘schoonzonen’ en ‘schoondochters’ als Bobby Darin, Bobby Vee, Brenda Lee en Connie Francis, terwijl ook rock-’n-roll-zangers als Roy Orbison en Cliff Richard bepaald niet de wildste waren.
Aan deze situatie kwam een eind toen omstreeks 1963 een tweede, ditmaal definitieve omwenteling in de popmuziek werd ingeluid met de komst van The Beatles en The Rolling Stones, die uit de diverse bronnen van de pop hun eigen opwindende muziekstijl creëerden. Deze beatmuziek, met in het voetspoor van Beatles en Stones talloze andere Britse formaties (The Searchers, The Dave Clark Five, The Hollies, The Animals, The Kinks, The Who, The Small Faces, The Yardbirds), veroverde in hoog tempo eerst West-Europa, daarna de Verenigde Staten. De britpop was geboren. In Groot-Brittannië zelf woedde in de daaropvolgende jaren de blanke blues, geëntameerd door ‘godfather’ John Mayall en zijn Bluesbreakers, een soort leerschool die toonaangevende groepen als Fleetwood Mac en Cream (met meestergitarist Eric Clapton) voortbracht. Soul en folk waren twee belangrijke Amerikaanse stromingen die de Britse hegemonie intussen wisten te weerstaan. Soul, een eigentijdse rhythm-and-bluesvariant, had zijn grootste troeven in o.a. The Supremes, Stevie Wonder, Temptations, Marvin Gaye, Otis Redding, Aretha Franklin en James Brown, terwijl folk, voortgekomen uit de annexatie van de traditionele Amerikaanse volksmuziek door de linkse studentenbeweging, zich manifesteerde in singers/songwriters als Phil Ochs, Bob Dylan en Joan Baez. Mede onder invloed van deze laatsten, maar nog duidelijker door de zich muzikaal continu vernieuwende Beatles, begon de popmuziek zich in de tweede helft van de jaren zestig in snel tempo te ontwikkelen. Teksten werden persoonlijker en/of pretentieuzer, composities ingewikkelder en langer dan de tot dan toe gebruikelijke twee à drie minuten, en ook andere ingesleten begrenzingen van het genre werden steeds vaker doorbroken. Terwijl het instrumentarium zich gaandeweg had verengd tot bijna uitsluitend (bas)gitaar en drums, vond er in deze periode weer een uitbreiding plaats door middel van toetsinstrumenten (piano, elektronisch orgel), synthesizer, saxofoons e.d. De elektrische gitaar bleef echter het dominante instrument in de popmuziek. In Californië, aanvankelijk het exclusieve terrein van surfmuziek van groepen als The Beach Boys, maar ook de wieg van folkrock-pioniers als The Byrds en avantgardistische musici als Frank Zappa en Captain Beefheart, werd de bakermat van de hippiecultuur gelegd (zie hippies). De onder invloed van drugs – met name LSD (‘acid’) – tot stand gekomen muziek, gekenmerkt door instrumentale improvisatie en surrealistische teksten, heette acid-rock of psychedelica en San Francisco was het magische centrum van deze vrede en liefde predikende beweging. In deze tijd vonden ook de grote popfestivals plaats zoals Woodstock (in 1969 in de Verenigde Staten) en Kralingen (in 1970 in Nederland). Belangrijke groepen waren o.a. Jefferson Airplane, The Grateful Dead, Country Joe and The Fish en Buffalo Springfield. Maar het hippiedom had ook een duistere kant, die tot uiting kwam in het werk van o.a. The Velvet Underground en The Doors, de laatsten onder leiding van de charismatische zanger/dichter Jim Morrison. Zijn voortijdige, door overmatig druggebruik veroorzaakte dood, min of meer samenvallend met die van zijn collega's als zangeres Janis Joplin en de al bij het leven legendarische gitarist Jimi Hendrix, luidde begin jaren zeventig het einde van de droom in, in 1970 nog eens extra gesymboliseerd door het uiteenvallen van The Beatles.
Popmuziek kreeg een aardse, nuchtere uitstraling, vercommercialiseerde in hoog tempo en groeide binnen enkele jaren uit tot een massa-industrie, waarin nauwelijks plaats meer was voor vernieuwing en originaliteit. Of het moest de buitenproportioneel belangrijke rol zijn die imago en aankleding gingen spelen, zoals in extremo tot uiting kwam in de glamrock-trend (David Bowie, Lou Reed, Roxy Music, T. Rex, Slade, Gary Glitter, The Sweet) en bij nieuwe tieneridolen als David Cassidy en The Osmonds. Kortom, afgezien van het zich vanuit de blanke blues ontwikkelende hardrockgenre, waarin het compromisloze, rebelse karakter van de rock-’n-roll naar nieuwe, vooral volumineuze hoogten werd gestuwd (Deep Purple, Led Zeppelin, Status Quo), was popmuziek in de jaren zeventig voor een groot deel synoniem met entertainment en escapisme. Easy listening pop (Simon and Garfunkel, The Carpenters) rukte op, fenomenen als MOR (middle of the road-pop) en AOR (adult orientated rock) deden hun intrede: termen die het risicoloze karakter van het merendeel van de popmuziek onderstreepten, belichaamd door supersterren als Abba, Supertramp, Chicago, Rod Stewart, Queen en Elton John. Meer en meer werd een hoge graad van muzikaal- en productietechnische perfectie nagestreefd, zoals bij de progressieve of symfonische rock van groepen als Pink Floyd, Yes en Genesis. De meest inspirerende muziek in deze periode werd dan ook gemaakt door artiesten die integriteit, emotie en ambachtelijkheid hoog in het vaandel voerden en vaak al wat langer meeliepen: solisten als Neil Young, Van Morrison, Stevie Wonder en Bob Dylan en groepen als The Band, Little Feat en Steely Dan. Erg oorspronkelijk waren echter ook zij vaak niet; de enige ontwikkeling van betekenis was die in de breedte, wat resulteerde in een veelheid aan stijlintegraties als jazz-rock (Mahavishnu Orchestra), latin-rock (Santana), countryrock (Eagles), folkrock (Fairport Convention), southern rock (Allman Brothers Band) en specifiek zwarte fusies als reggae (Bob Marley and The Wailers), funk (James Brown, Sly and The Family Stone) en disco (Chic, Boney M, Bee Gees). Het was met name deze laatste, louter op de dansvloer gerichte stroming die door menigeen met de algehele vervlakking van de jaren zeventig werd vereenzelvigd en meer in het algemeen ook met de hedonistische levensstijl waarmee zowel platendustrie als popmuzikant zich omringde. Pas tegen het einde van de jaren zeventig werd aan deze ontwikkeling een halt toegeroepen door een nieuwe generatie jongeren. Deze new wave, met de agressieve punkstroming (Sex Pistols, The Stranglers, Ramones, The Clash) als breekijzer, ging terug naar de essentie van de rock-’n-roll: het zich afzetten tegen de gevestigde orde, ditmaal de popmuziek incluis. En hoewel de commercie zich al snel van het punkfenomeen meester maakte en de harde kern van deze stroming veroordeelde tot een verder voortbestaan in de marge, bleek de new wave onmiskenbaar revitaliserend. Avontuur en creativiteit keerden terug; kleinschaligheid in zowel platenindustrie als live-circuit zorgden voor een frisse wind, die binnen enkele jaren talloze nieuwe originele top-acts opleverde: Blondie, Talking Heads, The Police, Elvis Costello, Joe Jackson, een eindeloze lijst.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |