![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
planeet (van het Grieks planètès = zwervend, dwalend), hemellichaam dat zich in een bijna cirkelvormige baan om de zon beweegt en dus tot ons zonnestelsel behoort. Een planeet zendt zelf geen zichtbaar licht uit, maar weerkaatst een deel van het opvallende zonlicht. Met het blote oog waargenomen lijkt een planeet op een heldere (of zwakkere) ster, maar het licht straalt rustiger en flikkert weinig of niet. In een kleine kijker ziet men een planeet reeds als een schijfje, in tegenstelling tot een ster die puntvormig blijft. Men kent officieel acht planeten; in volgorde van toenemende afstand tot de zon zijn dat: Mercurius, Venus, aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Daarnaast telt het zonnestelsel een aantal dwergplaneten (waaronder Pluto en Ceres) en vele tienduizenden planetoïden. Ook andere sterren blijken planeten te kunnen bezitten (zie exoplaneet).
Reeds in de oudheid trokken de heldere planeten de aandacht van de mensheid door hun merkwaardige bewegingen. Terwijl de sterren vast verbonden leken met de hemelbol en hun onderlinge stand in de loop der tijden niet veranderde, constateerde men dat de planeten zich ten opzichte van de andere sterren verplaatsen op een vrij onregelmatige manier (vandaar de benaming planètès = zwervend). De schijnbare beweging van de planeten vindt plaats binnen een smalle strook van de hemelbol, aan weerszijden van de ecliptica. Elke planeet doorloopt daarbij de twaalf sterrenbeelden van de Dierenriem in de loop van de tijd. De aard van de schijnbare beweging is niet voor alle planeten gelijk; onderscheid kan worden gemaakt tussen de binnenplaneten en de buitenplaneten.
Mercurius en Venus doorlopen in werkelijkheid banen om de zon die zich binnen de aardbaan bevinden. Vanaf de aarde gezien schijnt een binnenplaneet zich daarom steeds in de nabijheid van de zon te bevinden. De hoekafstand tot de zon, de elongatie, is voor Venus maximaal 46°, voor Mercurius hoogstens 28°. Een schijnbare samenstand met de zon wordt een conjunctie genoemd. Staat de planeet vanaf de aarde gezien achter de zon, dan is er sprake van een bovenconjunctie; beweegt hij tussen aarde en zon door, dan is de planeet in benedenconjunctie met de zon. Als avondster bevindt een binnenplaneet zich ten oosten van de zon aan de hemel en gaat hij na zonsondergang aan de westelijke hemel onder. Hij beweegt zich van bovenconjunctie uit oostwaarts ten opzichte van de sterren, totdat zijn elongatie een maximum bereikt. Daarna beweegt de planeet zich westwaarts. De oostwaartse beweging wordt rechtlopend genoemd, de westwaartse teruglopend of retrograad. Aangezien de afstand van de planeet tot de aarde intussen afneemt en de planeet een schijngestalte heeft, vertoont hij niet altijd dezelfde helderheid. Vooral bij Venus, de helderste van de twee binnenplaneten, is de helderheidstoename bij avondverschijning duidelijk waarneembaar. Na de benedenconjunctie zet de planeet zijn westwaartse tocht als morgenster voort ten westen van de zon.
De buitenplaneten bewegen zich in banen die groter zijn dan de baan van de aarde. Benedenconjuncties komen bij deze planeten dus niet voor. Enige tijd na een bovenconjunctie wordt de buitenplaneet in de morgenschemering zichtbaar. De buitenplaneet beweegt zich in zijn baan langzamer dan de aarde. Daardoor lijkt het alsof de planeet zich langzamer oostwaarts beweegt dan de zon, neemt de westelijke elongatie van de planeet toe en komt hij steeds vroeger in de nacht op. Ten slotte is de elongatie opgelopen tot 180° en staat de planeet van de aarde uit gezien juist tegenover de zon en is in oppositie. Hij komt op als de zon ondergaat, culmineert aan de middernachtelijke hemel en gaat onder bij zonsopkomst. Tevens bereikt de planeet nu zijn grootste helderheid; de afstand tot de aarde is minimaal. Enige tijd vóór de oppositie is de oostwaartse beweging van de planeet langs de hemelbol tot stilstand gekomen en verandert die in een teruglopende westwaartse beweging. Dit komt doordat de aarde door zijn grotere snelheid de planeet begint in te halen. Enige tijd na de oppositie wordt de beweging weer rechtlopend. De baan die de planeet tussen de sterren beschrijft, is vaak lusvormig, doordat het vlak van een planeetbaan meestal een kleine hoek maakt met het vlak van de aardbaan. Na de oppositie is de planeet aan de avondhemel zichtbaar. De oostelijke elongatie wordt kleiner en iedere avond gaat hij eerder onder; ten slotte verdwijnt hij in de avondschemering. Kort daarna is er opnieuw een conjunctie met de zon.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |