![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 3
Perzische cultuurEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Ardasjir regeerde van 224 tot 241 en was spoedig meester van de Parthische landen, met inbegrip van Babylonië. Armenië bleef evenwel als half onafhankelijke bufferstaat bestaan onder een Arsacidische dynastie; in het oosten behoorde ook Bactrië niet meer bij het rijk, daar de hier ingevallen volken (vooral de Tocharen) eigen staten hadden gesticht, waarmee de Sassaniden voortdurend oorlog moesten voeren. Onder de Sassaniden had een nationale opleving plaats en werd het mazdeïsme staatsgodsdienst onder een hiërarchie van priesters, wat herhaaldelijk christenvervolgingen veroorzaakte. De staat was echter innerlijk veel sterker dan het Parthenrijk, hetgeen spoedig bleek bij de niet uitblijvende botsingen met de Romeinse macht. Sapor I (241–272) drong ver door in Armenië en Noord-Syrië, versloeg keizer Valerianus bij Edessa (260), veroverde Antiochië en rukte op naar Cappadocië, maar moest weldra het onderspit delven tegen Odenathus van Palmyra. Onder zijn heerschappij trad Mani, de stichter van het manicheïsme, als leraar op. Sapors opvolger Hormisdas (272–273) begunstigde de Manichaeërs, maar Bahram I (273–275) liet Mani kruisigen. Zijn zoon en opvolger, Bahram II (275–293), moest Mesopotamië en Armenië aan de Romeinen afstaan. Sapor II de Grote (310–379) ontnam de Romeinen Armenië en onderscheiden gewesten in Mesopotamië en versloeg hen in 345 bij Singara, terwijl hij bloedige vervolgingen instelde tegen de christenen. In 359 eiste hij van de Romeinen geheel Mesopotamië en daardoor ontbrandde een nieuwe oorlog. Hij moest terugtrekken, toen keizer Julianus in 363 Perzië zelf binnenviel. Reeds was Ctesiphon in de macht van de Romeinen, toen gebrek aan levensmiddelen hen tot de aftocht noodzaakte, waarbij Julianus om het leven kwam. Zijn opvolger, Jovianus, moest de vrije aftocht uit Perzië kopen door een smadelijke vrede. Sapor trok nu op tegen Armenië, dat in het rijk van de Sassaniden werd ingelijfd, maar weldra zijn onafhankelijkheid herkreeg. Onder Bahram V (420–438) vond weer een christenvervolging plaats. Spoedig hierna brachten de godsdiensttwisten in het Byzantijnse Rijk de splitsing tussen monofysieten en dyofysieten mee. De laatsten waren de aanhangers van Nestorius. Daar de Byzantijnse keizers hen vervolgden, vonden zij hun toevlucht in het Perzische Rijk, waar zij wegens de oppositie tegen Constantinopel geduld werden en waar zij zich allengs ook hiërarchisch organiseerden in een aantal bisdommen. Ook als overbrengers van Griekse wetenschap hebben deze nestoriaanse christenen in Perzië een uiterst belangrijke rol gespeeld. In de 5de eeuw begon het in het noordoosten binnengevallen volk van de Heftalieten of Witte Hunnen een rol in de rijksgeschiedenis te spelen. Zij hielpen Firoez zijn broer Hormisdas III (457–459) van de troon te stoten. Firoez keerde daarna de wapens tegen zijn bondgenoten, maar verloor in 484 in een veldtocht het leven. De aanzienlijken van het rijk benoemden zijn broer Balasj tot koning en deze sloot vrede met de Hunnen, waardoor Perzië schatplichtig werd. Kobad, een zoon van Firoez, stootte hem in 488 van de troon. De langdurige regering van Kobad, die veel binnenlandse woelingen kende, eindigde in 531, nadat hij zijn derde zoon, Chosroës I, tot zijn opvolger had benoemd. Deze wordt in de latere overlevering als de grootste van de Sassaniden beschouwd. Hij stichtte de medische hogeschool van Djundisjapur in Elam, waar vooral Griekse wetenschap werd beoefend. Sedert 540 voerde hij herhaaldelijk oorlog tegen het Byzantijnse Rijk, waarbij hij Syrië plunderde en zijn gebied van de Indus tot aan de Middellandse Zee en de grenzen van Egypte uitbreidde. In 570 rukte hij zelfs tot Jemen in Arabië op. Onder de heerschappij van zijn zoon Hormisdas IV (579–590) gingen echter de vruchten van zijn bestuur verloren, vooral ook in rampspoedige oorlogen tegen de Romeinen en de Turken, die als nieuw element in het oosten kwamen opzetten. In 590 werd hij ten val gebracht en opgevolgd door zijn zoon Chosroës II (590–628). Deze, door de oproerige veldheer Bahram Tsjobin verdreven, werd kort daarna door de Byzantijnse keizer Mauritius weer naar zijn hoofdstad gebracht. Eerst na de val van Mauritius (602) verklaarde hij de oorlog aan de Byzantijnse usurpator Phocas, veroverde Perzisch Armenië, maakte zich meester van Epiphania, Edessa, Antiochië en Damascus en verwoestte Jeruzalem (614). Twee jaar later drong een Perzisch leger in Egypte door en overweldigde Antiochië, terwijl een ander door Klein-Azië oprukte naar Chalcedon en Constantinopel bedreigde. Daartegen kwam in 623 de Byzantijnse keizer Heraclius in verzet; hij bevrijdde Klein-Azië en versloeg in 627 een Perzisch leger op de grenzen van Iran. Chosroës vluchtte, en na een opstand werd zijn zoon Kavadh op de troon geplaatst. Deze liet zijn vader ombrengen en sloot vrede met de Byzantijnen, waarbij de veroverde landen teruggegeven werden. Hij werd in 628 opgevolgd door zijn zevenjarige zoon Ardasjir III, die reeds in 630 werd vermoord. Hierop volgde een periode van regeringloosheid en burgeroorlog, die de laatste krachten van de Perzen verteerde, terwijl zij aangevallen werden door de Arabieren. In 632 beklom Jezdegerd III, de kleinzoon van Chosroës, de troon. Het van hem verwachte herstel van het rijk bleef echter uit. Zijn leger werd in 637 aan de Eufraat bij Kadisiya door de Arabieren verslagen, waarna dezen de hoofdstad Ctesiphon innamen. Hierop volgde nog een beslissende slag bij Djaloela (638) en Jezdegerd was genoodzaakt te vluchten, eerst naar Zuid-Perzië en toen naar het noordoosten in Chorasan, waar hij in Merw in 651 verraderlijk werd vermoord.
Van de grotendeels verloren gegane Oudiraanse (zie Iraanse talen literatuur zijn de gatha's, religieuze liederen, toegeschreven aan Zoroaster (Zarathoestra), waarschijnlijk de oudst bewaard gebleven vorm. Zij zijn opgenomen in de Avesta, te midden van teksten van jongere datum, waarvan de jasjts (hymnen op goddelijke wezens) de oudste sporen van de Perzische mythologie en heldenepiek bevatten. Uit de tijd van de Achaemeniden is alleen een aantal monumentale inscripties in spijkerschrift overgeleverd. De literatuur van de Middel-Iraanse periode is eveneens slechts voor een klein deel bewaard gebleven. Het best bekend is de tijd van de Sassaniden (3de–7de eeuw n.C.), dankzij Arabische bronnen die berichten over een belangrijke lyrische en epische literatuur. De zgn. Pehlewi-literatuur, door Zoroastrische priesters grotendeels pas na de Arabische verovering op schrift gesteld in een gearchaïseerd Middelperzisch, omvat in hoofdzaak theologische werken, zoals de godsdienstencyclopedie Boendahisjn en de Denkart, een Zoroastrische kosmogonie, maar daarnaast ook een aantal verhalende teksten. Het Karnamak-i Artachsjer en het Ajatkar-i Zareran behandelen thema's uit de legendarische koningsgeschiedenis. Bijzonder geliefd was een genre van didactische wijsheidsliteratuur (andarz), waarvan de invloed ook in de latere Perzische letteren duidelijk merkbaar is. Van sommige teksten is aangetoond dat zij oorspronkelijk een metrische vorm hadden. Geheel apart staan de manicheïsche hymnen in het Middelperzisch, die bij opgravingen in Centraal-Azië aan het licht zijn gekomen.
Volgens vondsten bij Soesa, de hoofdstad van Elam, te Sialk (bij Kasjan) en in Loeristan moet vóór de Achaemeniden-tijd reeds een oude inheemse kunst hebben gebloeid, de zgn. Pre-Achaemenidische kunst. Zo zijn bij Soesa en Sialk vazen en bekers gevonden uit ca. 4000 v.C., beschilderd met helderrode en zwarte figuren op lichte ondergrond, en kannen met eigenaardig lange tuiten (aardewerk van Tell-Obeid), die vaak een versiering van gestileerde steenbokken en andere dieren vertonen, terwijl de menselijke figuur slechts zelden werd gebruikt. Deze kunst moet van invloed zijn geweest op latere kunstuitingen als de Loeristanbronzen. In de 8ste eeuw v.C. moet de zgn. schat van Sakkez, in 1947 gevonden in een puinheuvel te Ziwiye (Koerdistan), worden gedateerd (grotendeels in het archeologisch museum in Teheran). Hij omvat gouden, zilveren en ivoren voorwerpen (juwelen, harnasstukken e.d.), die in stijl, vorm en versiering een mengeling van Assyrische, Fenicische, Scythische en inheemse elementen vertonen.
De expansie na Cyrus' overwinning op de Meden (550 v.C.) bracht de Perzen in aanraking met volken die op kunstgebied hun meerderen waren (Babyloniërs, Grieken, Egyptenaren) en leidde tot een kunst die, aansluitend aan inheemse en beïnvloed door vreemde elementen, deze deed samensmelten tot een harmonisch geheel met een eigen karakter. De oudste overblijfselen van de Perzische bouwkunst bevinden zich in Pasargadae. Zeer beroemd zijn de paleizen te Persepolis en Soesa [archeologie], enorme complexen die getuigen van een grootsheid die tot dan toe niet was voorgekomen. Ze zijn opgetrokken deels in natuursteen en deels in ongebakken tegels; de wanden waren bekleed met kleurige verglaasde tegels. De Achaemenidische graven zijn in de rotsen uitgehouwen in de vorm van een kruis; dat van Cyrus II heeft echter de vorm van een huis met zadeldak. De plastische vaardigheid heeft zich hoofdzakelijk beperkt tot de reliëfs van de paleizen bij Persepolis en Soesa en de reliëfs op de voorwand van de rotsgraven. Als een uitloper van de reliëfkunst kan men de graveerkunst beschouwen, die in rolzegels tot uitdrukking komt. Er zijn in Sialk exemplaren gevonden, daterend uit het 4de en 3de millennium v.C., met primitieve afbeeldingen van dieren (steenbok) en mensen. Die uit het Achaemenidische tijdperk zijn in drie groepen te verdelen: a. gesneden door Grieken, met Perzische voorstellingen; b. gesneden door Perzen en bewerkt met varianten op Griekse motieven; c. zuiver Perzische. Tot de laatste kan men o.a. het beroemde zegel van Darius I rekenen, dat in drie talen, Assyrisch, Elamitisch en Perzisch, naam en titels van de vorst vermeldt en een afbeelding geeft van Darius, staande in een wagen en jagend op een leeuw. De gehele uit de inheemse kunst ontwikkelde graveerkunst van de Achaemenidische tijd vertoont Assyrische en Babylonische elementen. Dat de paleisreliëfs vaak Griekse elementen bevatten, is te verklaren uit de medewerking van Grieken aan de bouw van de paleizen. Merkwaardigerwijze vindt men in vele van de plastische scheppingen een tot in het onpersoonlijke verstrakte menselijke gestalte bij een tamelijk soepele behandeling van de kleding. Dieren worden bij voorkeur vechtend afgebeeld. De emailleerkunst, ontsproten aan een Oudmesopotamische techniek en aanvankelijk ook naar de vorm daarbij aansluitend, groeide in het Achaemenidische tijdperk uit tot een specifiek Perzische kunst. De schilderingen werden uitgevoerd op kunststeen, de ondergrond is helder blauw, de reliëfs zijn met wit, zwart, geel en bruin natronglazuur beschilderd, waarbij vaak de kleurvakken door glasdraden, op de wijze van cloisonné, van elkaar gescheiden zijn. De belangrijkste voorbeelden van metaalbewerkingskunst zijn van opgravingen in Sialk afkomstig (midden 4de eeuw v.C.). Het zijn vnl. koperen, bronzen of zilveren, gegoten, gedreven of geciseleerde stukken van paardentuigen, sieraden, wapenen, kannen, schalen, urnen (situla's) en hoornvormige bekers (rhyta). De faiencekunst heeft zich vnl. beperkt tot aardewerk met gele, bruine en zwarte decoraties.
Nadat onder de Seleuciden (330–250 v.C.) het hellenisme de Perzische cultuur had beheerst (de door Seleucus I en zijn opvolgers gestichte steden werden centra van Griekse beschaving, waarvan de kunstvormen doordrongen tot India en Toerkestan), kreeg de kunst ten tijde van de Parthen (250 v.C. – 226 n.C.) weer een sterk Perzische inslag. De paleisbouw omvat gebouwencomplexen die voor het eerst zijn gegroepeerd rond de liwan. Vooral de steden Palmyra, Doura-Europos, Hatra en Nisa leveren goed bewaarde voorbeelden van Parthische architectuur. Paleizen, tempels en grafkamers getuigen van een eigen karakter, waarbij vooral het gebruik van het halfronde gewelf opvalt. Opgravingen hebben ook heel wat beeldhouwwerk aan het licht gebracht. Het zijn meestal grote beelden, staande of zittende figuren, waarvan het strenge karakter en de frontaliteit opvallen. De bewaard gebleven schilderkunst is beperkt tot een aantal fresco's in het paleis te Kue-i-Kwaja en te Doura-Europos. Vrij belangrijk is de keramiek. Karakteristiek zijn de langgerekte, schoenvormige sarcofagen, in blauw en groen geglazuurd aardewerk, met tamelijk grove plastische voorstellingen op het deksel. De verwantschap van de Parthen met de Scythen is te herkennen aan de vooral in de kunstnijverheid aan het licht tredende dierenstijl op bronsbeslag e.d. De munten tonen energieke figuren wier portret op realistische wijze is getekend, in navolging van hellenistische en Romeinse voorbeelden.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |