Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Penderecki, Krzysztof

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Penderecki, Krzysztof

Encyclopedieartikel

Penderecki, Krzysztof (Debica, bij Kraków, 23 nov. 1933), Pools componist en dirigent, studeerde bij Skolyszewski en A. Malawski aan het conservatorium te Kraków, waarvan hij in 1972 directeur werd. Het jaar daarop werden drie van zijn composities bij een concours van jonge Poolse componisten met een eerste prijs bekroond. Volgen deze vroege werken nog het voetspoor van Webern en diens streng seriële schrijfwijze (zie seriële muziek), kort daarop sloeg Penderecki nieuwe wegen in op zoek naar een nieuwe klankentaal in de grensgebieden tussen toon en ruis. Hij wilde het door de elektronische muziek verruimde klankbewustzijn ook op traditionele instrumenten overdragen. Het bekendste resultaat van dit streven is de Ofiarom Hiroszimy-Tren (= Klaagzang voor de slachtoffers van Hiroshima, 1961), waarin hij tot een geheel nieuwe benadering van het strijkorkest kwam. Door middel van niet-conventionele opdrachten aan de spelers – vervat in een mengeling van nieuwe en oude notatiesymbolen – komen klanken tot stand die op geen enkele wijze meer aan hun bron refereren. Dit werk bracht de componist groot succes, vooral omdat hij een geavanceerde techniek wist te verbinden met het primaat van een tot het uiterste gedreven expressie.

Die hang naar expressiviteit heeft Penderecki altijd behouden, waarbij hij ook conventioneler wegen bewandelde. Reeds in het Stabat mater (1962; v. 3 koren), maar vooral in de Lucas-passie (1965–1966), komen elementen naar voren die bij de luisteraar herkenning teweegbrengen (gregoriaanse psalmodie, renaissance-polyfonie, drieklank-harmoniek). Dat hij later, in zijn opera Paradise lost (1978; Chr. Fry, n. Milton) en zijn 2de symfonie (1980), zelfs een 19de-eeuws, romantisch klankideaal heeft geadopteerd, wordt algemeen als een terugval beschouwd. De avantgardistische periode waaraan men zijn reputatie heeft opgehangen, heeft evenwel maar kort geduurd (ca. 1958–1962). Al vroeg is gebleken dat zijn werk in de kern van de zaak polystilistisch is, waarbij het doel – veelal de uitdrukking van een levensbeschouwelijke idee – de middelen heiligt.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Emanations (1958–1959; v. 2 strijkork.); Anaklasis (1960; v. strijkers en slagw.); Polymorphia (1961; v. 48 strijkers); Canon (1962; v. strijkork. en 2 luidsprekers); Fluorescences (1962); Sonata (1964; v. cello en ork.); Capriccio (1965; v. hobo en strijkers); Vioolconcert nr. 1 (1976-1977); De natura sonoris I (1966); Capriccio (1967; v. viool en ork.); Pittsburgh Ouverture (1967; v. blaasork.); 2 celloconcerten (1967; v. violino grande; in 1971–1972 herz. v. cello; 1982); De natura sonoris II (1971); 5 syfonieën (1972–1992); Concert v. viool en orkest (1976); altvioolconcert (1982–1983); Passacaglia (1988); Adagio für orchester (1989); Sinfonietta nr. 1 (1990-1991; str.); Vioolconcert nr. 2 (1992-1995); Concert voor fluit en kamerork. (1993); Sinfonietta nr. 2 (1994; klar. en str.). – Kamermuziek: Drie miniaturen voor klarinet en piano (1958); Drie miniaturen voor viool en piano (1959); 2 strijkkwartetten (1959–1960; 1968); Capriccio per Siegfried Palm (1968; cello); Actions (1971; 14 jazz-instr.); Cappriccio (1980; tuba); Cadenza (1984; altviool); Cadenza (1984; altviool/viool); Per Slava (1985–1986; cello); vioolsonate (1990); strijktrio (1991); Kwartet voor klarinet en strijktrio (1993). – Opera: Die Teufel von Loudun (1969; n. A. Huxley); König Ubu (1969; n. Jarry); Die schwarze maske (1984–1986; n. G. Hauptmann); Ubu Rex (1991). – Vocaal: Psalmen Davids (1958; koor en slagw.); Strophen (1959; v. sopraan, spreekstem en tien instr.); Dimensies van de tijd en van de stilte (1960; v. koor en kamerork.); Lucas Passie (1963/1966); Dies irae ter nagedachtenis van de slachtoffers van Auschwitz (1967; v. soli, koor en ork.); Kosmogonia (1970; v. koor en ork.); Utzenjà (1970; grafleggingsmis v. 5 soli, 2 koren en ork.); Opstandingsmis (1971); Magnificat (1973–1974; v. 7 solisten, 3 koren en ork.); Agnus Dei (1981; koor a cappella); Polnisches Requiem (1980–1984; 4 solisten, koor en ork.); Agnus Dei (1995; solisten, koor, ork.). – Elektronisch: Psalmus (1961; mus. concrète).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum