Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
pauk (meestal meervoudig gebruikt; Ital.: timpani; Fr.: timbales; Duits: Pauken; Eng.: kettle drums), slaginstrument , een membranofoon, waarbij over de open zijde van een meer of minder diepe ketel een bespanning van kalfsvel (of nylon) is aangebracht; door verschillende spansystemen kan de toonhoogte gewijzigd worden. De pauk wordt bespeeld door middel van paukestokken met een kop waarvan het materiaal varieert van vilt tot leer en hout. Typische paukeneffecten zijn: de roffel, het paukenglissando, waarbij tijdens het spelen het vel gespannen of ontspannen wordt, enkele tonen in harmonisch of ritmisch verband, gedempte slagen of timpani coperti, waarbij een doek over het vel wordt gelegd (geheel of gedeeltelijk). De slag onmiddellijk afdempen noemt men étouffer. Bij de voorloper van de moderne pauk werd het vel door pennen of koorden, met of zonder gebruik van hoepels, gespannen. Toen de pauk orkestinstrument werd, bracht men zes tot acht schroeven aan, die alle met de hand bediend moesten worden, maar deze schroefpauk voldeed niet, omdat de verstemming te veel tijd eiste. Verbetering hierin bracht Gerhard Cramer (München, 1812), die een systeem ontwierp waarbij alle spanpunten tegelijk werden bediend. J.C.N. Stumpff (Amsterdam, 1821) ontwierp de draaipauk: door het draaien van de gehele ketel ten opzichte van de voet wordt het vel, door middel van een hoepel, meer of minder gespannen. De machinepauk vindt haar oorsprong in de schroefpauk, waarbij de verschillende schroeven door één centrale krukas tegelijk worden bediend. De technisch meest volmaakte pauk is de pedaalpauk, waarbij een hevelmechanisme door middel van een pedaal voor de verstemming zorgt. De resonansketel kreeg in de loop der ontwikkeling een meer parabolische vorm.
Ten gevolge van de kruistochten werden in de 13de eeuw in Europa pauken uit het Oosten bekend. In India bijv. was reeds eerder de sahibnahabat (diameter 165 cm; gewicht 67 kg) met zilveren ketel in gebruik, die op een olifant werd geplaatst. Op de grond geplaatste kleine paukesoorten waren: nágara, tikara, damara. Ook in de Arabische gebieden waren in de 10de eeuw verschillende paukesoorten bekend (kasa’, tabl al-markab, koes), evenals in Perzië, Mesopotamië en Turkije. Vanaf de 13de eeuw werden in Europa kleine (gedragen) pauken gebruikt, bijv. de nacaire. Aanvankelijk werden pauken, vaak samen met trompetten, vnl. gebruikt in optochten e.d. Monteverdi introduceerde in de opera Orfeo (1607) de pauk in het orkest, gevolgd door Lully (1652). Tot ca. 1800 werd de combinatie koperblazers en pauken geregeld toegepast. Haydn gaf de pauk in een tweetal symfonieën (Mit dem Paukenschlag, nr. 94; Mit den Paukenwirbel, nr. 103) solistische passages. Na 1800 werd in de symfonische muziek het aantal pauken vergroot. Berlioz bestudeerde de klankkleurmogelijkheden door het gebruik van verschillend materiaal voor de koppen van de stokken. R. Strauss was de eerste die pauken melodisch toepaste. Tegen het einde van de 19de eeuw werd de pauk zuiver muzikaal in het orkest geïntegreerd. In de moderne muziek kreeg de pauk met de slagwerksectie een belangrijke rol.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |