![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 6 van 6
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
Generaal Zia kwam op 18 augustus 1988 bij een vliegtuigongeluk om het leven. Hij werd opgevolgd door Ghulam Ishaq Khan. Benazir Bhutto werd premier en daarmee de eerste vrouwelijke leider van een islamitisch land, hetgeen op felle tegenstand stuitte van islamitische religieuze leiders. Ook zij kon echter geen einde aan de onrust maken en in augustus 1990 greep president Ishaq Khan in. Hij ontsloeg de regering, ontbond het parlement en riep de noodtoestand uit. Vervroegde verkiezingen bezorgden Bhutto's PPP een zware nederlaag. Op alle fronten won de Islamitische Democratische Alliantie (IDA) van Mian Nawaz Sjarif, die premier werd (de eerste afkomstig uit Punjab). Zijn regering zette de door Zia ingezette politiek van islamisering van Pakistan weer voort. De ontwikkeling van India tot een nucleaire mogendheid heeft ertoe geleid dat ook Pakistan een kernmogendheid werd. Anderzijds werd het proces van normalisering tussen Pakistan en India versterkt door de Sovjet-Russische interventie in Afghanistan (1979–1989), die een intensivering van de relaties van Pakistan met China, Saoedi-Arabië en m.n. met de Verenigde Staten tot gevolg had. Afghaanse verzetsstrijders ondernamen vooral vanuit de stad Peshawar en gesteund door de Pakistaanse regering, aanvallen tegen Sovjet-Russische en Afghaanse regeringstroepen. In 1992 braken ernstige onlusten uit in de provincie Sind, die door het leger werden onderdrukt. Daarbij werd ontdekt dat de op de stedelijke bevolking steunende Muhajir Qaumi Beweging betrokken was bij geweld- en martelpraktijken. In oktober 1993 werd Benazir Bhutto wederom premier, nadat haar partij de verkiezingen had gewonnen. President Ishaq Khan ontsloeg in april 1993 premier Sjarif op beschuldiging van corruptie, nepotisme en wanbestuur. Bij de parlementverkiezingen van oktober won de PPP van Benazir Bhutto, die wederom premier werd. Een maand later volgde minister van Buitenlandse Zaken Leghari president Khan op. In de provincie Sind kwamen in 1994 en 1995 bij terroristische aanslagen naar schatting 2000 mensen om het leven. In de slechte economische situatie trad geen verbetering op en hetzelfde gold voor de gespannen relatie met India. In november 1996 werd de regering-Bhutto door president Leghari aan de kant gezet op grond van talrijke aanklachten, waarbij veelvuldig de naam opdook van Bhutto's echtgenoot, Asif Ali Zardari, Mr. Ten Percent, zo genoemd naar het percentage smeergeld dat hij bij overheidstransacties zou bedingen. Wanbestuur, nepostisme, corruptie en politiek terrorisme lijken endemisch in Pakistan. De verkiezingen van februari 1997 – de vierde in acht jaar – werden gekenmerkt door een bijzonder lage opkomst. Absolute winnaar werd de Pakistaanse Moslim Liga (PML; die, anders dan haar naam suggereert, een overwegend seculier karakter heeft) van Nawaz Sjarif, die van 1990 tot 1993 weinig indruk had gemaakt als premier. Hij werd opnieuw premier. Na een conflict tussen de premier en president Leghari trad de laatste af, aangezien de legertop zich achter Sjarif had opgesteld. Nieuwe president werd op 1 januari 1998 Sjarifs bondgenoot Mohammed Rafiq Tarar, hetgeen de positie van de minister-president opnieuw aanzienlijk versterkte. Benazir Bhutto's politieke rol raakte in 1997 definitief uitgespeeld, nadat het Hooggerechtshof het gedwongen ontslag van haar regering in 1996 als terecht had bevonden. De PPP ging op zoek naar een nieuwe partijleider en vond die in de inmiddels afgetreden president Leghari. In de noordelijke provincie Punjab werden in 1997 honderden onschuldige burgers het slachtoffer van aanslagen op madrasa's (religieuze scholen) en moskeeën door soennitische of sjiitische extremisten. Etnische tegenstellingen zorgden in de jaren negentig voor veel chaos en geweld, vooral in Karachi, de Punjab en de Noord-Westprovincie. Om een halt toe te roepen aan het groeiende geweld, de criminaliteit en de corruptie kwam premier Sharif in augustus 1998 met het voorstel de islamitische wet (sjari‘a) voortaan als uitgangspunt van de rechtspraak te maken. Net als onder het regime van de Taliban in Afghanistan zouden ook in Pakistan islamitische rechters lijfstraffen mogen uitdelen voor onislamitisch gedrag. Met dit voorstel wilde de regering de oprukkende radicale islamitische krachten de pas afsnijden. Vooral na de Amerikaanse raketaanvallen op trainingskampen in Afghanistan waren radicaal-islamitische demonstraties aan de orde van de dag. In oktober werd een grondwetswijziging die de sjari‘a boven de bestaande grondwet plaatste, door het Lagerhuis met een tweederde meerderheid aangenomen. Religieuze minderheden en mensenrechtenactivisten vreesden hierdoor voor een zogenaamde ‘talibanisering’ van Pakistan. De betrekkingen met India kwamen in 1998 zwaar onder druk te staan als gevolg van een versnelling in de kernwapenwedloop tussen beide landen. Begin april voerde Pakistan een succesvolle test uit met een middellangeafstandsraket met een bereik van 1500 kilometer. Hiermee bereikte Pakistan gelijkwaardigheid met de Indiase capaciteit. Toen Indiase kernproeven op 13 mei Pakistan weer op achterstand brachten, bracht ook Pakistan, ondanks zware westerse druk, op 28 en 30 mei in de woestijn in Baluchistan drie kernbommen tot ontploffing. Pakistan en India pakten hun onderhandelingen over vrede en veiligheid vervolgens weer op en beloofden geen kernwapens in te zullen zetten in een militair conflict. Dit nam niet weg dat eind juli het grensconflict rond Kashmir weer in alle hevigheid oplaaide; in raketaanvallen die zeker een week duurden, kwamen tientallen burgers om het leven. Eind jaren negentig daalde de populariteit van premier Sharif in hoog tempo. Zijn persoonlijke verrijking, talrijke ontslagen van onwillige ambtenaren en het monddood maken van politieke tegenstanders droegen hieraan bij. Hij begon meer en meer terug te vallen op dictatoriale maatregelen. Betogingen en stakingen tegen de regering werden verboden. Tijdens de eerste grote demonstratie voor het aftreden van Sharif en het herstel van de democratie, die op 12 september 1999 in Karachi werd georganiseerd door de Grote Democratische Alliantie van een twintigtal politieke partijen en religieuze organisaties, werden duizenden betogers opgepakt. In het voorjaar werden de papierleveranties aan de invloedrijke en kritische Jang-mediagroep tijdelijk stopgezet en omstreeks dezelfde tijd werden achtereenvolgens de uitgevers van the Frontier Post en van Friday Times gearresteerd. Op 12 oktober 1999 werd de regering van premier Sharif door de chefstaf van het leger, Pervez Musharraf, die daags tevoren toen hij op bezoek was in Sri Lanka door Sharif was ontslagen, naar huis gestuurd. Het leger nam de macht over en Sharif kreeg huisarrest opgelegd. Enkele dagen later werd ook het parlement op non-actief gesteld. De staatsgreep verliep opmerkelijk rustig. De westerse regeringen reageerden gematigd negatief. Het Gemenebest besloot in elk geval Pakistan te schorsen tot de democratie hersteld zou zijn. Op 26 oktober maakte Musharraf de samenstelling bekend van een Nationale Veiligheidsraad, waarin militairen en enkele burgers zitting hadden, en van een nieuw, geheel uit burgers bestaand kabinet. Tegen de militaire staatsgreep en de aanhouding van Sharif werd nauwelijks gedemonstreerd.
De coup van generaal Pervez Musharraf werd in 2000 goedgekeurd door het Hooggerechtshof, nadat enkele rechters waren opgestapt uit protest tegen de door Musharraf ingevoerde gewijzigde grondwet. Het hof bepaalde dat er binnen drie jaar weer een civiele regering diende te komen. De afgezette premier Nawaz Sharif werd verbannen; hij vestigde zich in Saoedi-Arabië. Musharraf nam in juni 2001 het presidentschap over van predisent Tarar, met wie hij veel wrijvingen had gehad. Na 11 september 2001 kwam de president in een benarde positie. Enerzijds onderhield zijn land als enige contacten met het Taliban-regime in Afghanistan, en waren er nauwe persoonlijke en stambanden tussen Pakistani en Afghanen. Het merendeel van de bevolking wees een Amerikaanse inval in Afghanistan af. Anderzijds oefenden de Verenigde Staten grote druk uit op Pakistan om medewerking te verlenen aan de militaire operatie tegen de Taliban, die eind 2001 begon. Als beloning voor de Pakistaanse medewerking werden de sancties opgeheven die sinds de kernproeven in 1998 golden. In een referendum in april 2002 stemde 98% van de kiezers in met verlenging van het presidentschap van Musharraf. Zijn partij PML-Q werd bij de in oktober gehouden parlementsverkiezingen de grootste. Oppositieleiders Benazir Bhutto en Nawaz Sharif konden wegens veroordelingen en verbanning niet zelf deelnemen. Opmerkelijk waren de goede resultaten die werden behaald door de Mutahida Majlis-i-Amal, een alliantie van religieuze en sterk anti-Amerikaanse partijen. Mir Zafarullah Khan Jamali van de PML-Q werd premier. Het Hooggerechtshof stemde in 2005 in met het aanblijven van Musharraf als legerleider, een taak die volgens de oppositie niet te verenigen was met het presidentschap. Musharraf kon nog altijd rekenen op de steun van de VS, in ruil voor zijn medewerking aan de strijd tegen de Taliban in Afghanistan. Sinds 2002 maakten Pakistaanse troepen jacht op Taliban in de provincie Waziristan. Een zware aardbeving kostte in oktober 2005 het leven aan naar schatting 73 000 mensen in de provincies Kashmir en North West Frontier. Musharraf werd door parlement en provinciale raden in oktober 2007 herkozen als president. In de aanloop naar de voor januari 2008 geplande parlementsverkiezingen keerden oppositieleiders Nawaz Sharif en Benazir Bhutto in 2007 terug naar Pakistan. Sharif werd aanvankelijk gearresteerd en teruggestuurd. Bhutto overleefde op de dag van haar terugkeer een aanslag. Een nieuwe aanslag, in december 2007, werd haar wel fataal, en betekende een zware klap voor de zwakke Pakistaanse democratie.
De omstreden regio Kashmir bleef zorgen voor spanningen tussen Pakistan en India, die beide aanspraak maken op het gebied. In 2000 was de situatie relatief rustig. President Musharraf bezocht India in 2001; het overleg met de Indiase premier Vajpayee leverde echter geen resultaten op. Na de aanslag op het Indiase parlement in december 2001 liep de spanning weer hoog op, omdat volgens India Pakistaanse extremisten achter de aanslag zaten. Beide landen brachten hun troepen naar de grens. In Pakistan werden honderden activisten opgepakt, om India te appaiseren. India wees in 2003 een voorstel af van Musharraf tot een onmiddellijk staakt het vuren en een gezamenlijke grenscontrole. India vond dat Pakistan te weinig optrad tegen plegers van geweld in Kashmir. Niet veel later deed India echter een reeks tegenvoorstellen, die door Pakistan werden aanvaard. Trein- en busverbindingen werden hersteld en er werden culturele en sportieve uitwisselingsprogramma's opgezet. Een duurzame oplossing voor Kashmir was echter niet in zicht. Na een aanslag in Delhi in 2005 verslechterde de relatie met India opnieuw.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |