Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 5 van 6
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
De spoorwegen (overheidsbedrijf) vormen, economisch gezien, het belangrijkste vervoermiddel. Het spoorwegnet omvat ruim 12,5 duizend km spoor, bestaande uit 8775 km breedspoor en daarnaast, op de kleinere trajecten, normaalspoor en smalspoor. Het wegverkeer is van groeiende betekenis en het wegennet (64 400 km, waarvan ruim tweederde verhard) wordt sterk uitgebreid. Pakistan is met China verbonden via de ‘Karakoram Highway’, een 800 km lange weg van de stad Thabot via de Khunjerabpas (5320 m hoog) naar Kahsgan in de provincie Xinjiang. De zeescheepvaart geschiedt vrijwel geheel vanuit Karachi. Pakistan bezit internationale vliegvelden in Karachi, Lahore, Rawalpindi (Islamabad), Peshawar en Quetta. De staatsmaatschappij Pakistan International Airlines (PIA) verzorgt buitenlandse en 32 binnenlandse bestemmingen en wordt sinds 1993 door twee kleine maatschappijen beconcurreerd.
Zie voor de geschiedenis van Pakistan vóór de onafhankelijkheid Voor-Indië.
Op 14 augustus 1947 kregen Pakistan en India krachtens de India Independence Act de dominionstatus (zie ook India§ geschiedenis). Pakistans eerste gouverneur-generaal werd Mohammed Ali Jinnah (1947–1948). De dekolonisatie ging met grote moeilijkheden gepaard: ontbreken van een eigen bestuursapparaat en een eigen economie, bloedige communale botsingen in Punjab en Bengalen, massale migratie. Het feit dat Pakistan verdeeld was in twee delen, die door Indiaas gebied van elkaar werden gescheiden, heeft vanaf het begin een stempel gedrukt op de binnenlandse politiek. De enige basis van eenheid vormde in feite de islam. De Moslem-Liga, tot dan toe de dominerende partij, werd in 1954 verslagen in Oost-Pakistan, dat autonomie verlangde. De daarop uitbrekende onlusten in Oost-Pakistan werden door generaal Iskander Mirza onderdrukt. Mirza volgde in 1955 Ghulam Mohammed op als gouverneur-generaal. In 1956 werd hij president van de op 23 maart dat jaar uitgeroepen Islamitische Republiek Pakistan. De blijvende onrust leidde er in 1958 toe dat Mirza het gezag moest overdragen aan de opperbevelhebber van de strijdkrachten, Ayub Khan. Deze werd in 1960 tot president gekozen. In 1962 kwam een nieuwe grondwet tot stand, die grote bevoegdheden aan de president verleende. De in 1958 afgekondigde staat van beleg werd opgeheven en in april 1962 werden weer (indirecte) verkiezingen gehouden. In Oost-Pakistan drong de sinds ca. 1950 optredende Awami-Liga onder Mujib ur-Rahman aan op economische scheiding van Oost- en West-Pakistan (zie Bangladesh § geschiedenis). Ayub Khan, in 1965 als president herkozen, reageerde hard op deze separatistische tendensen en in juni 1966 en begin 1969 kwam het tot uitbarstingen van geweld. In 1969 was zijn positie dermate verzwakt dat hij zijn ambt overdroeg aan de opperbevelhebber van het leger, Yahya Khan. Deze kondigde de staat van beleg af en herstelde de orde. Er vond een hervorming van de staatkundige inrichting plaats, waarbij o.m. het bestaande systeem van getrapte verkiezingen vervangen werd door directe verkiezingen. De verkiezingen in december 1970 leverden in Oost-Pakistan een overwinning op voor de Awami-Liga en in West-Pakistan voor de Volkspartij van Zulfikar Ali Khan Bhutto. In het nationale parlement kreeg de Awami-Liga 167 van de 313 zetels. Als gevolg van de verkiezingsuitslag ontstond een gespannen situatie. Langdurige besprekingen over de mate van autonomie voor Oost-Pakistan tussen Mujib ur-Rahman, Bhutto en Yahya Khan brachten geen oplossing. In februari 1971 ontbond Yahya Khan het kabinet en hij nam de uitvoerende macht in handen.
In de nacht van 25 op 26 maart 1971 greep het Pakistaanse leger in Oost-Pakistan in, waarop een (burger)oorlog ontbrandde tussen het leger en ‘Bengaalse vrijheidsstrijders’. Op 17 april proclameerden de Oost-Pakistani officieel het bestaan van de soevereine democratische republiek Bangladesh. Eind april hadden de wreed optredende Pakistaanse troepen het grootste deel van Oost-Pakistan onder controle en was Mujib ur-Rahman als gevangene naar West-Pakistan overgebracht. De strijd resulteerde in een groot aantal doden (op het platteland veel hindoes) en miljoenen Oost-Pakistaanse vluchtelingen in India. Door de Oost-Pakistaanse kwestie werd de tussen Pakistan en India bestaande tegenstelling, die in het verleden o.m. tot gewapende conflicten had geleid (zie Jammu en Kashmir § geschiedenis), opnieuw aangewakkerd. India stelde zich positief op inzake een onafhankelijk Bangladesh en steunde daadwerkelijk de vrijheidsstrijders. De verhouding tussen beide landen verslechterde snel en eind november 1971 vond de eerste aanval van Indiase troepen op Pakistan plaats. Op 3 december was de oorlog tussen beide landen formeel. De Verenigde Naties stonden machteloos, daar resoluties inzake een staakt-het-vuren getroffen werden door veto's van de zijde van de Sovjet-Unie (pro-India) en de Volksrepubliek China (pro-Pakistan); de Verenigde Staten (met Pakistan verbonden in de CENTO en de SEATO) kozen de zijde van Pakistan. De strijd verliep in het voordeel van India. Nadat de Pakistaanse troepen op 16 december in Oost-Pakistan onvoorwaardelijk hadden gecapituleerd, aanvaardde Yahya Khan de dag daarop een bestand voor het West-Pakistaanse front. Als resultaat van de oorlog werd Oost-Pakistan onder de naam Bangladesh een onafhankelijke republiek. De nederlaag van Pakistan betekende het einde van het presidentschap van Yahya Khan. Op 20 december 1971 trad hij af ten gunste van Bhutto. Pakistan verbrak naar aanleiding van de erkenning van Bangladesh de banden met het Gemenebest en de SEATO. In juli 1972 kwam te Simla een overeenkomst tot stand op grond waarvan India en Pakistan zich in december van dat jaar terugtrokken uit de door hen bezette gebieden, behalve Jammu en Kashmir, waar sinds 1971 een nieuwe controlelijn gold. In de loop van 1972 werden ook wederzijds alle krijgsgevangenen uitgewisseld, behalve de Pakistaanse militairen die aan het oostelijk front gevangen waren genomen. Na de grondwetswijziging van 1973 werd Bhutto premier. In februari 1974 ging Pakistan over tot de erkenning van Bangladesh. In 1973 en vooral in 1974 was sprake van een ware volksverhuizing: ca. 90 000 Pakistaanse krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers werden vanuit India naar Pakistan overgebracht, terwijl ca. 175 000 Bengalezen van Pakistan naar Bangladesh en ca. 80 000 niet-Bengalezen (Bihari's) van Bangladesh naar Pakistan gerepatrieerd werden.
In 1977 werd als gevolg van ernstige onlusten de grondwet buiten werking gesteld en werd de macht overgenomen door generaal Zia-ul-Haq, die het land onder oorlogsrecht stelde. In april 1979 werd ex-president Bhutto ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Zia bracht verschillende wijzigingen aan in de wetgeving, die het islamitische karakter van het land verder moesten benadrukken. Algemene verkiezingen werden voor onbepaalde tijd uitgesteld. De regeringsmacht werd in feite weer gecentraliseerd en de activiteiten van politieke partijen werden verboden. Door Amnesty International werd geprotesteerd tegen schending van de mensenrechten. Nadat in 1984 generaal Zia bij referendum voor nog vijf jaar tot president was gekozen, werd in december van dat jaar de staat van beleg opgeheven, bovendien werd de gewijzigde grondwet weer in werking gesteld; politieke partijen werden weer toegestaan. Benazir Bhutto, de in 1986 uit ballingschap teruggekeerde dochter van ex-president Bhutto, werd samen met haar moeder Nusrat Bhutto tot voorzitter van de PPP gekozen. De daaropvolgende jaren werden gekenmerkt door gewelddadige antiregerings- etnische (m.n. in Sind) en religieuze demonstraties.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |