![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
orkest (v. Gr. orchèstra = dansplaats), de gezamenlijke musici die nodig zijn om een instrumentale compositie uit te voeren en die een bepaald aantal instrumenten in een bepaalde opstelling bespelen. Het woord orkest kwam ca. 1600 in zwang bij pogingen tot het doen herleven van het Griekse drama en werd aanvankelijk, in navolging van het Griekse ‘orchestra’ (de halfcirkelvormige dansplaats tussen toneel en toeschouwers), primair gebruikt voor de plaats waar de instrumentalisten waren opgesteld: eerst tussen de coulissen, vanaf 1637 tussen toneel en toeschouwers. Men onderscheidt tegenwoordig: a. strijkorkest (1ste en 2de violen; altviolen, violoncelli; contrabassen); b. kamerorkest (klein strijkorkest met enkele houten en koperen blaasinstrumenten, eventueel met slagwerk); c. symfonie- of filharmonisch orkest (groot strijkorkest, uitgebreide secties houten en koperen blaasinstrumenten, harpen en slagwerksectie); d. harmonieorkest (uitsluitend houten en koperen blaasinstrumenten, saxofoons, eventueel contrabas en slagwerk); e. fanfareorkest (uitsluitend koperen blaasinstrumenten, waaronder ook saxofoons, en slagwerk); f. mobiele ensembles (steeds wisselende samenvoeging van instrumenten); g. jazz-ensembles, combo's, popensembles (variërende bezetting); h. specifieke samenstellingen, zoals mandolineorkest, pijperskorps, gamelanorkest.
Hoewel vóór 1600 wel allerlei instrumenten werden samengevoegd tot een ensemble (renaissance: ‘toevalsorkest’), was er van een homogeen orkest nog geen sprake. Bij de opera Orfeo (1607) van Claudio Monteverdi is voor het eerst een grotere samenvoeging van instrumenten te constateren, zij het geen systematische. In deze tijd gingen de componisten er reeds toe over verschillende klankgroepen (strijkers-blazers) tegenover elkaar te stellen. De dirigent leidde vanaf het klavecimbel; dit instrument had een belangrijke harmonische functie in het toenmalige orkest. Langzamerhand is een meer karakteristieke toepassing van bepaalde instrumenten te onderscheiden (concerti grossi van Arcangelo Corelli, Giuseppe Torelli, Georg Friedrich Händel, enz.; zie concerto grosso). In Frankrijk (Jean-Baptiste Lully) werd behalve aan de strijkers, ook aan de blazers een meer solistische rol toebedeeld. In de 18de eeuw begon zich de instrumentatie als belangrijk onderdeel van de compositietechniek af te tekenen. Bij Johann Sebastian Bach spelen de houten blaasinstrumenten reeds een belangrijke rol (oboe da caccia, oboe d'amore, enz.). Na de barok verdween het klavecimbel uit het orkest en werd het optreden van de verschillende blaasinstrumenten gedifferentieerder. De technische ontwikkeling van deze instrumenten maakte een steeds verfijnder spel mogelijk. Van grote betekenis voor de evolutie van het orkest was de Mannheimer Schule. Bij de klassieken (Joseph Haydn, Wolfgang Amadeus Mozart, Ludwig von Beethoven) ontstond de grondvorm van het symfonieorkest: 1ste en 2de violen, altviolen, violoncelli, contrabassen; 2 fluiten, 2 hobo's (2 klarinetten), 2 fagotten; 2 hoorns, 2 trompetten; pauken. Mozart maakte in zijn latere werken gebruik van de door de Mannheimers in het orkest geïntroduceerde klarinet en paste de trombone solistisch toe (Requiem). Beethoven breidde de blazersgroep uit en gaf deze een andere toepassing (Symfonie III, V, VI, IX). Bij de romantici (zie romantiek) kreeg de orkestratie steeds meer aandacht en werd het orkestcoloriet individueler: men herkent aan een bepaald gebruik van de instrumenten de componist. Groepen instrumenten werden steeds meer uitgebreid en vroeger minder belangrijke instrumenten (koper) kwamen meer op de voorgrond of kregen belangrijker stemmen toebedeeld. Door de uitgebreider toepassing van de harmonische mogelijkheden (van drie- naar vierklanken) ontstond de behoefte om bij de blaasinstrumenten een samenklank in één klankkleur te verkrijgen (Richard Wagner), waardoor zowel bij de houten als bij de koperen blaasinstrumenten een belangrijke uitbreiding (viervoudige bezetting) in iedere groep plaatsvond, vaak met nieuwgebouwde instrumenten als bijv. de hoorn- of Wagnertuba. Vooral in de lage registers vond uitbreiding plaats, waardoor bepaalde klankkleuren, eigen aan een instrumentengroep, van hoog tot laag toegepast konden worden. Een grootmeester in orkestratie was Hector Berlioz, die ook het standaardwerk Traité de l’instrumentation et d’orchestration modernes (1844) schreef, door Richard Strauss bijgewerkt en herzien (Instrumentationslehre, 1904). De uitbreiding van de bezettingen duurde van eind 19de tot begin 20ste eeuw nog steeds voort. Gustav Mahler schreef in zijn Symfonie VIII een dermate gigantische bezetting van alle instrumenten (met solisten en koren) voor dat dit werk de naam Symphonie der Tausend kreeg. Koebellen, aambeeld, hamer, enz. werden aan het orkest toegevoegd. Arnold Schönberg ging bij zijn Gurrelieder nog verder met de ‘monsterbezetting’ waarbij nog ratels en ijzeren kettingen kwamen. Terzelfder tijd werd door de impressionisten (zie impressionisme) de alleen vocalen zingende menselijke stem als klankkleur toegepast (Claude Debussy, Trois nocturnes nr. 3: Sirènes). Igor Strawinsky gebruikte tegelijkertijd zowel de uitgebreide bezetting (Le sacre du printemps) als de bijna solistische instrumentatie (Histoire du soldat). In de 20ste eeuw is enerzijds de meer of minder uitgebreide klassieke bezetting noodzakelijk voor het uitvoeren van het historische repertoire, terwijl anderzijds ensembles moeten worden samengesteld voor het uitvoeren van eigentijdse muziek; de samenstelling van deze laatste wisselt per uit te voeren compositie, waarin behalve het gebruik van de bestaande (doch soms totaal anders te bespelen) instrumenten, ook dat van de bandrecorder, van geluidsvervormers en/of geluidsbronnen van buiten-muzikale aard kunnen worden voorgeschreven.
De factoren die bij de orkestopstelling een rol spelen zijn de grootte van het ensemble, de ruimte waarin gemusiceerd wordt, m.n. de akoestische mogelijkheden daarvan, en het goed kunnen waarnemen van degene die de leiding heeft. Toen de dirigent nog aan het klavecimbel meespeelde, was het de concertmeester die (op een verhoging zittende) de aanwijzingen van de dirigent (meestal dirigent/componist) doorgaf aan de overige spelers (zgn. dubbeldirectie). Toen het klavecimbel uit het orkest verdween en de bezetting groter werd, kwam de dirigent als niet-spelend musicus, vóór het orkest te staan. Behalve het probleem van de orkestopstelling is er dat van de plaatsing van de verschillende instrumentgroepen binnen het orkest, die zodanig moet zijn dat hun klankmenging in de juiste verhouding bij de luisteraar overkomt. Volgens Berlioz was het in Duitsland gewoonte de strijkers links en de blazers rechts op het podium te plaatsen (het principe van het tegenover elkaar stellen van twee klankgroepen). Naarmate de voorkeur voor versmelting van klankkleuren zich ontwikkelde, werd de opstelling binnen het orkest dienovereenkomstig gewijzigd. Wagner stelde het orkest als volgt op: in het midden de strijkers, daarachter de blazers en vervolgens het slagwerk. Hij liet in Bayreuth een speciale overdekte orkestruimte bouwen om zijn klankmenging te kunnen realiseren en een betere balans te krijgen tussen de zangers en het orkest en om de toeschouwers niet door de handelingen in het orkest te laten afleiden. In de 20ste eeuw is voor het uitvoeren van Nieuwe Muziek niet alleen een volledige wijziging in de conventionele opstelling van de instrumentgroepen binnen het symfonieorkest opgetreden, maar is ook de gesloten formatie van de orkestopstelling doorbroken (spatiale muziek). Behalve dat de opstelling van instrumentarium en geluidsapparatuur ruimtelijk kan zijn, kan deze ook tijdens het ten uitvoer brengen van een compositie gewijzigd moeten worden.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |