![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 2
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Onderdelen; 2. Eenendertigtoonsorgel; 3. Geschiedenis van de orgelbouw; 4. Geschiedenis van de orgelmuziek
Het pijpwerk bestaat uit lip- en tongpijpen (labialen, resp. lingualen). De labialen worden onderscheiden in open, gedekte en halfgedekte en bestaan uit corpus, kern en voet; een gedekt labiaal heeft bovendien een deksel of hoed. De luchtstroom wordt via de open voet gedreven naar de kernspleet tussen de kern en de onderlip en stuit vervolgens tegen de bovenlip; deze botsing veroorzaakt een trilling die de luchtkolom in het corpus doet resoneren. Hoe langer het corpus hoe lager de toon. Bij gedekte pijpen is het trillingsgetal tweemaal lager en de klank een octaaf lager dan bij een open corpus van dezelfde lengte. De lengte van de pijp – of de toonhoogte – wordt uitgedrukt in de voetmaat (ca. 328 mm). Een 8-voetsregister (8′) is een reeks pijpen waarvan de laagste C een corpuslengte heeft van 8 voet (ca. 2, 40 m). Deze toon komt overeen met de laagste C van een piano. Een 4-voetsregister klinkt een octaaf hoger dan de 8′; een 16′ een octaaf dieper; dieper dan 32′ gaat men meestal niet; hoger dan 1′ ook niet, tenminste niet bij enkelvoudig spelen (zie hierna). Heeft het corpus een wijde mensuur of diameter, dan is de klank grondtonig; naargelang het enger is, wordt de klank boventoonrijker. De combinatie van de grondtoon met zijn min of meer geprononceerde boventonen bepaalt het karakter of timbre. Er bestaan wijde, middelmatige en enge, cilindrische en conische registers. Tot de belangrijkste middelmatige registers behoren de prestanten (van Lat. praestare = vooraanstaan), zo genoemd omdat zij tevens in het front van het orgel staan. Zij vormen de kern van elk goed orgel en komen in vele voethoogten voor. Prestantpijpen komen ook in meervoudige bezetting voor: de mixturen. Een Mixtuur 4 sterk omvat vier pijpen per toets; deze reeks bestaat meestal uit hoge octaaf- en kwintreeksen. Zij repeteren, dwz. zijn in de bas hoger geïntoneerd dan in de discant, zo niet dan zouden zij de gehoorgrens overschrijden. Deze registers maken de bas helderder, bevorderen daardoor het polyfoon spel en geven de orgelklank zijn typische schittering. De overige labiale registers ontstonden meestal ca. 1500, als imitaties van bestaande houtblazers; dit verklaart hun namen: Woudfluit, Gemshoorn, Sifflet, Blokfluit, Nachthoorn, enz. Zij komen niet alleen in de grondtoon, maar ook als kwinten en als terts voor. Ook enge mensuren worden toegepast als imitatie van strijkers. Een Roerfluit is een halfgedekt register met een roer (buisje) in de hoed. De Cornet is een samengesteld register van wijde mensuur en niet repeterend. De tongpijpen of lingualen vormen hun klank op geheel andere wijze. Een tongpijp bestaat uit stevel of schoen, tong, keel of mondstuk, spie of wig, stemkruk en schalbeker. De klank wordt tot stand gebracht door de trilling van de tong tegen de keel, die in de schalbeker versterkt en gekarakteriseerd wordt. Men onderscheidt tongwerken met volle bekers (o.a. Trompet), met halve bekerlengte en met zeer korte bekerlengte (regalen). De bekers kunnen conisch of cilindrisch zijn, wijd of eng. Ook de tongwerken ontstonden ca. 1500 uit de behoefte allerlei blaasinstrumenten te imiteren, vandaar hun namen: Schalmei, Kromhoorn, Trompet, Bazuin, Dulciaan, Fagot, enz. Tongwerken geven de soms wat statische orgelklank een warme gloed.
Het eenendertigtoonsorgel (It.: organo trentunisono) belichaamt de mogelijkheid om te musiceren in de eenendertigtoonsstemming van Christiaan Huygens, zonder verstellen van knoppen, dankzij een nieuwe indeling van de klavieren. Deze lopen iets op; de toetsen liggen dakpansgewijs. De toetsen met intervallen van hele tonen liggen naast elkaar. Intervallen van 1 diëze leiden recht omhoog en omlaag, intervallen van kleine halve tonen (2 diëzen) schuin van links boven naar rechts beneden; intervallen van grote halve tonen eveneens diagonaal van links beneden naar rechts boven. De toetsen van de stamtonen zijn wit. De zwarte toetsen zijn verdubbeld, voor cis en des, enz. Recht boven en beneden de witte toetsen liggen blauwe toetsen halverwege tussen dis en d, d en des, enz. Voor elke noot heeft men op het manuaal de keuze tussen ten minste twee toetsen. In het pedaal is er één toets per noot. In het Teylers Museum (Haarlem) bevindt zich het door A.D. Fokker gebouwde eenendertigtoonsorgel.
De Griekse en de Romeinse oudheid kenden het waterorgel. Het windorgel is waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen te Byzantium hieruit ontwikkeld. Het staat vast dat orgels als geschenk door keizers uit Constantinopel aan de Karolingen werden gegeven (o.m. in 757 door Constantijn V aan Pippijn de Korte). In de abdijen van West-Europa werden deze modellen nagebouwd en verbeterd. Deze orgels waren tot ca. 1400 blokwerken, dwz. het geluid werd voortgebracht door één grote, niet gedeelde mixtuur. Tussen 1400 en 1500 bouwde men de dubbellade; men sloot een gedeelte van de bloklade af, de mixtuur werd in twee delen gesplitst, meestal de grondtoon en de eigenlijke mixtuur. De orgels hadden vaak verscheidene manualen en een pedaal. Omstreeks 1500 ontstonden vele nieuwe registers, doordat men de klank meer wilde differentiëren. Deze 'andere registers' konden slechts op de sleepladen separaat optreden. Zo ontstonden de verscheidene 'werken'. Omstreeks 1550 bezat het orgel de essentiële onderdelen die het nu nog bezit. Brabant en Vlaanderen stonden van de 15de tot begin 17de eeuw aan de spits van de orgelbouw, met orgelmakersgeslachten als de Langheduls in Vlaanderen en de Niehoffs in Noord-Brabant. Het aantal 'werken' werd in de loop der jaren uitgebreid; grotere orgels hadden een hoofdwerk (boven het hoofd van de organist), een rugpositief (of klein werk, achter de rug van de organist), een bovenwerk (boven het hoofdwerk) en/of een borstwerk (onder het hoofdwerk), benevens een pedaal. Sommige orgels hadden een achter in de kast geplaatst zgn. echowerk, dat door zijn opstelling zachter klonk en waarmee men derhalve echo-effecten kon bereiken. Alleen bij moderne orgels met elektrische tractie is het mogelijk een echowerk op een betrekkelijk ver van het hoofdorgel verwijderd punt te plaatsen. Zeer grote orgels hebben als vierde of vijfde werk soms een zgn. kroonwerk dat uit solostemmen is samengesteld. In de 18de eeuw hadden hoofdwerk, bovenwerk en/of borstwerk, alsmede rugpositief registers van alle families (prestanten, fluiten en tongwerken). Belangrijke orgelbouwersgeslachten uit de 17de en 18de eeuw waren Hagerbeer, Duyschot, Müller, Hinsz en Bätz in de Noordelijke Nederlanden, Van Haeghen, Forceville, Van Peteghem en De la Haye in de Zuidelijke Nederlanden, Scherer, Fritzsche, Compenius, Schnitger en Silbermann in Duitsland en De Héman, Lefèbvre en Clicquot in Frankrijk. In de 19de eeuw kwamen er ook orgels in de nieuwgebouwde concertzalen, terwijl vele technische uitvindingen de windvoorziening verbeterden en de speelaard aanpasten aan de symfonische romantische muziek. Grote orgelbouwers uit de 19de eeuw waren o.m. Cavaillé-Coll in Frankrijk, Walcker in Duitsland en Willis in Engeland. In het begin van de 20ste eeuw werden vele orgels volgens industriële normen vervaardigd. Na de Tweede Wereldoorlog greep men terug naar de oude bouw- en klankprincipes van ca. 1700. Een essentieel onderdeel van de hedendaagse orgelbouw is het conserveren en restaureren van oude instrumenten.
Het orgel was aanvankelijk een wereldlijk instrument en werd gebruikt bij feesten en in het circus. Sedert de 12de eeuw werd het in de kerk aanvaard, toen men de nuttigheid ervan ontdekte bij het aangeven van de toon voor de cantor en het ondersteunen van of het deelnemen aan de eerste vormen van polyfonie. Tot ca. 1500 bestond de orgelmuziek dan ook uit afwisselend optreden met de zangers en uit transcripties van vocale literatuur, die meer en meer instrumentaal werden naar gelang de speelaard van het instrument lichter en de registratiemogelijkheden groter werden. Tussen 1540 en 1620 ontwikkelde zich vooral in Italië, de Nederlanden, Spanje en Engeland een reeks typische structuren die niet meer aan een cantus firmus gebonden en zuiver instrumentaal gedacht waren: ricercare, canzona, toccata, fantasie, variaties op geestelijke en wereldlijke liederen. Belangrijke orgelcomponisten waren: van de eerste generatie o.a. A. Willaert (1480–1562), A. de Cabezon (1500–1566), G. Cavazzoni (1500–1560), van de tweede generatie: J.P. Sweelinck (1562–1621), J. Bull (1563–1628), H.L. Hassler (1564–1612), M. Praetorius (1571–1621), J. Titelouze (1563–1633), G. Frescobaldi (1583–1643). In de 17de eeuw kende Duitsland een bloeiende orgelcultuur met, in Noord-Duitsland, figuren als H. Scheidemann (1595–1663), Fr. Tunder (1614–1667) en D. Buxtehude (1637–1707), in Midden- en Zuid-Duitsland S. Scheidt (1587–1654), J. Froberger (1616–1667) en J. Pachelbel (1653–1706). Deze verschillende 'scholen' en de nieuwe vormen (preludium en fuga, koraalbewerkingen), waarvan de noordelijke hun oorsprong vonden bij Sweelinck en de zuidelijke bij Frescobaldi, convergeren in het orgeloeuvre van J.S. Bach. Omstreeks 1700 kende ook Frankrijk belangrijke orgelcomponisten als Fr. Couperin (1668–1733), N. de Grigny (1671–1703) en L.-N. Clérambault (1676–1749). In de periode van het classicisme en de vroege romantiek kende de orgelkunst een verval en werden vnl. naturalistische effecten nagestreefd en programmamuziek gespeeld. Het zou duren tot C. Franck (1822–1890) in Frankrijk, F. Mendelssohn (1807–1847) en vooral M. Reger (1873–1916) in Duitsland eer de romantiek in een vernieuwde vormgeving (symfonie, sonate) op het nieuwe symfonische orgel uitdrukking van kunst zou worden. De Symfonische School nam een grote vlucht met Ch.-M. Widor (1844–1937), L. Vierne (1870–1937) en M. Dupré (1886–1971), nadat J.N. Lemmens (1823–1881) het moderne orgelspel in een methode had vastgelegd. Tegen de desacralisatie reageerde Ch. Tournemire (1870–1939) door terug te schakelen naar de liturgische orgelmuziek ( 'L'Orgue Mystique'). Zijn boodschap werd overgenomen door J. Alain (1911–1940) en uitgediept door O. Messiaen (1908–1992). In Duitsland greep men terug op de vormentaal van de barok: J.N. David (1895–1977), E. Pepping (1901–1981) en H. Schroeder (1904). In België en Nederland ondergingen de componisten invloeden uit Frankrijk (zowel van Franck als van Tournemire) en uit Duitsland (Reger en Hindemith); dit is duidelijk merkbaar in de muziek van F. Peeters (1903–1986), Hendrik Andriessen (1892–1981), A. de Klerk (1917) en P. Kee (1927). De nieuwste compositietechnieken worden vrij moeizaam in de orgelmuziek opgenomen. Het instrument is daarvoor niet zo geschikt.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |