![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 2
Artikeloverzicht
Ook Fidelio (1804) van Ludwig van Beethoven is meer dan een Duitse opéra-comique met Singspiel-elementen, maar toch is eerst na de vrijheidsoorlogen van 1813–1815 een autonome Duitse opera ontstaan, vnl. door toedoen van Ernst Theodor Hoffmann (Undine, 1816), Louis Spohr (Faust, 1816; Jessonda, 1823) en vooral Carl Maria von Weber, wiens Freischütz (1821) lange tijd als de Duitse opera bij uitnemendheid is beschouwd, hoewel zijn geheel doorgecomponeerde Euryanthe (1823) meer invloed op de ontwikkeling van het genre heeft gehad. De stofkeuze werd bepaald door de typisch-romantische belangstelling voor de oude Duitse sprookjeswereld en voor legendarische gebeurtenissen uit de middeleeuwen; voorbeelden daarvan zijn H. Marschners opera's Der Vampyr (1828) en Hans Heiling (1833). Ook het tijdperk van de renaissance werd in de opera ten tonele gevoerd, vooral in Frankrijk, waar na 1830 de grand opéra tot ontwikkeling kwam, een spectaculaire kunstvorm met massaeffecten (optochten, kerkscènes, balletten) en ongewone klankexpressie. De hoofdfiguren waren Giacomo Meyerbeer en de librettist Eugène Scribe, wier Robert le diable (1831), Les Huguenots (1836) en Le prophète (1849) tot in het begin van de 20ste eeuw op elk operarepertoire waren te vinden. Ook Gioacchino Rossini heeft met zijn Guillaume Tell (1829) een vroege bijdrage tot de grand opéra geleverd, nadat hij eerst de Italiaanse opera buffa, zoals deze na Piccinní door Giovanni Paisiello en Domenico Cimarosa was voortgezet, in Il barbiere di Siviglia (1816) een laatste bekroning had gegeven en tevens voor een verdere ontwikkeling van de opera seria nieuwe wegen had gebaand (Otello, 1816). In zijn lijn zijn Donizetti en Bellini voortgegaan, waarbij de verbinding met Parijs soms tot een merkwaardig compromis leidde. Deze componisten hebben de Italiaanse opera een nieuwe hegemonie verschaft, waarbij opera's als Lucia di Lammermoor van Gaetano Donizetti (1835) en La favorite (1840) en Norma (1831) en I puritani (1835) van Vincenzo Bellini overal ter wereld een maatstaf voor een dramatisch bezield bel canto gingen vormen. Na het midden van de 19de eeuw werd de Europese operacultuur steeds meer gedomineerd door twee figuren: Richard Wagner en Giuseppe Verdi. Wagner heeft aan de muziekdramatische idealen van Gluck een nieuwe verschijningsvorm willen geven, door het zwaartepunt in de handeling te leggen en de muziek een ondersteunende en verduidelijkende functie te geven, waarbij het verschil tussen recitatief en aria geheel werd opgeheven ten behoeve van een declamatorisch ‘Sprachgesang’, dat in een symfonisch weefsel van leidmotieven werd opgenomen. In Tristan und Isolde (1864) en Parsifal (1882) zijn de essentiële eigenschappen van Wagners stijl het sterkst geconcentreerd en van daaruit is ook de grootste invloed op het muzikale modernisme in de laatste decennia van de 19de eeuw uitgegaan. Verdi bracht met veel minder pretenties de grote tradities van de Italiaanse opera, zoals die zich sinds Gioacchino Rossini hadden gevestigd, tot de hoogste ontwikkeling, waarbij in tegenstelling tot Wagner het bel canto de onbestreden voorrang behield, al gaf Verdi aan de orkestpartij veel meer aandacht dan zijn voorgangers hadden gedaan. In Don Carlos (1864), Aida (1871) en Otello (1887) kwam Verdi's muzikale en dramatische persoonlijkheid tot volle ontplooiing, en in zijn Falstaff (1893) ten slotte beleefde de opera buffa een grandioze wedergeboorte. Naast Wagner en Verdi verdienen ook anderen vermelding. Charles Gounod heeft met zijn Faust (1819) de Franse opera aan een onverwoestbaar repertoirestuk geholpen, zoals na hem alleen nog met Carmen (1875) van Georges Bizet is gebeurd. Ook Jacques Offenbach heeft met zijn spirituele opéra-bouffe het Franse repertoire verrijkt (La belle Hélène, 1864) en daarmee ook de Weense operette gestimuleerd. Bovendien heeft de operacultuur in dit tijdvak ook taalgebieden veroverd die tevoren niet of nauwelijks aan de ontwikkeling hadden deelgenomen; zo heeft Smetana zich in De verkochte bruid (1866) op de muzikale folklore van Bohemen gebaseerd en daarmee de grondslag gelegd voor een autonome Tsjechische muziek die haar bekroning vond in Janáeks Jenufa (1904), en zo heeft Modest Moessorgski in Boris Godoenov (1874) de eerste Russische opera gecreëerd.
Aan het einde van de 19de eeuw is het verloop van de operacultuur steeds meer bepaald door incidentele composities. Wel heeft Italië na Verdi nog een aantal echte operacomponisten voortgebracht, van wie Pietro Mascagni en Ruggiero Leoncavallo ieder slechts met één werk zijn blijven voortleven (Cavalleria rusticana, 1890, resp. I pagliacci, 1892, beide typische voortbrengselen van het verisme, terwijl van Giacomo Puccini o.a. La bohème (1896), Tosca (1900) en Madama Butterfly (1904) tot het vaste repertoire van elk operabedrijf zijn gaan behoren. Ook Frankrijk bezat in Jules Massenet nog een operaspecialist met een omvangrijk oeuvre, waarvan Manon (1884) nog steeds wordt gespeeld. In Duitsland heeft vooral Richard Strauss met vijftien opera's het repertoire verrijkt: Salome (1906), Elektra (1908), Der Rosenkavalier (1910); hij heeft daarbij met behoud van de leidmotivische techniek van Wagner vooral in zijn latere werken, van Ariadne auf Naxos (1912) tot Capriccio (1942), aansluiting gezocht bij de melodische stijl van Mozart en daarmee het bel canto in de Duitse opera teruggebracht. Na 1918 en vooral na 1945 manifesteerde zich bij de scheppende kunstenaars belangstelling voor nieuwe, of hernieuwde, vormen van combinatie tussen muziek en theater, aangeduid als muziektheater. Wat de uitvoeringspraktijk betreft: in Nederland worden operavoorstellingen verzorgd door De Nederlandse Opera (DNO), die Het Muziektheater in Amsterdam bespeelt, en door het in 1955 opgerichte Operagezelschap Forum, later getransformeerd tot de Nationale Reisopera, gevestigd in Enschede. Zuid-Nederland wordt bespeeld door Opera Zuid. Opera Spanga brengt onder leiding van regisseuse Corine van Eyk om de zomer een bijzondere productie, meestal in een open stal met de Friese weilanden op de achtergrond. België beschikt over de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel (‘De Munt’), over de Vlaamse Opera, sinds 1988 de opvolger van de Opera voor Vlaanderen, gesticht in 1981 door fusie van de Koninklijke Vlaamse Opera uit 1893 (Antwerpen) en de Koninklijke Opera van Gent (oorspronkelijk Grote Schouwburg, 1840), en over de Opéra Royal de Wallonie, Centre Lyrique de la Communauté Française (1980), vroeger Opéra de Wallonie (1966) en Centre Lyrique de Wallonie (1974) genoemd. In Frankrijk is het Festival van Aix-en-Provence het meest bekend. Dit wordt vanaf 1948 elk jaar in juli gehouden.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |