Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Oostenrijkse muziekEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Oostenrijkse muziek, overzicht van de kunstmuziek en volksmuziek uit Oostenrijk.
Onder keizer Maximiliaan I, die in 1498 de hofmuziekkapel reorganiseerde, werd de hofstad Wenen een muziekcentrum, waar ook Nederlandse meesters der meerstemmigheid (zie Nederlandse Scholen) in leidende posities werkten, onder wie Heinrich Isaac. Vanaf begin 17de eeuw vond in geheel Europa een geleidelijke italianisering plaats, ook in Oostenrijk. De twee nieuwe grote vormen, de opera en het oratorium, wonnen in Oostenrijk met zijn op kijkspelen verzotte bevolking, spoedig veld. Het hof zelf gaf het voorbeeld en werkte aan deze ontwikkeling mee; keizer Leopold I was ook componist (oratorium Il sacrifizio d'Abramo). In het oratorium kwam het theatrale element steeds meer op de voorgrond. Ook Duitse componisten, zoals Hasse of de hoforganisten W. Ebener en Froberger, volgden Italiaanse voorbeelden, zelfs de contrapuntist Fux. De Noord-Duitse muziek bleef vooreerst zonder invloed op de ontwikkeling in Oostenrijk. Behalve in Wenen was alleen in Salzburg nog enige activiteit op muzikaal gebied, vooral door de werkzaamheid van de vioolvirtuoos Franz von Biber. Onder het volk leefde populaire muziek. In Wenen was het lied zeer in zwang, waaronder nog oude melodieën uit de tijd van de Minnesang, toen Walther von der Vogelweide enige tijd aan het hof te Wenen doorbracht. Het temperament van de Weners had behoefte aan dansmuziek, die echter een geheel ander karakter droeg dan de balletmuziek in de opera, die vervuld was van de geest der barok. Liederen en dansen speelden ook een belangrijke rol bij de plattelandsbevolking, vooral in de oostelijke provincies. In de volksmuziek sprak zich de geaardheid van Tsjechen, Polen, Hongaren en Slowenen veel duidelijker uit dan in de kunstmuziek.
Tijdens de 18de eeuw veranderde het beeld radicaal en begon Oostenrijk hoe langer hoe meer een leidende rol in de geschiedenis van de Europese toonkunst te spelen. De diepgaande ommezwaai die zich ca. 1700 in het geestelijke leven voltrok, de gewijzigde instelling t.o.v. alle individuele, maatschappelijke en religieuze problemen, vond ook zijn neerslag in de ontwikkeling van de muziek. De suprematie van de Italiaanse stijl ging allengs teloor, de objectiviteit van de barokmuziek moest wijken voor een nieuwe, meer subjectieve kunst; de aristocratisch-gedistantieerde emotionaliteit van de 17de-eeuwse toonkunst verloor terrein ten gunste van een muziek die in toenemende mate op de individuele expressie was gericht. Dit proces kwam niet slechts tot uitdrukking in de grote kentering die de structuur der absolute muziek onderging; de vervanging van de suite door het drie-, later vierdelige schema van de sonate- en symfonievorm ging tevens gepaard aan een uitbreiding van de orkestrale middelen, o.m. door de uitvinding van nieuwe instrumenten (klarinet). Het ontstaan van de nieuwe vormen van kamermuziek (strijkkwartet en strijkkwintet) gaf viool, altviool en cello meer individualiteit dan die welke zij in het concerto grosso of sonata da camera hadden gekend. De overgang van klavecimbel en klavichord naar de pianoforte en het Hammerklavier, is eveneens karakteristiek. De kunstmuziek daalde tijdens de 18de eeuw uit de regionen van hof en adel neer tot de gegoede burgerij, die zich vooral als een nieuw concertpubliek manifesteerde. De opera buffa werd populair en werkte mee aan het ontstaan van het Singspiel. In de absolute muziek drongen elementen van de volksmuziek door, eveneens een symptoom van de democratisering van de toonkunst. De barok werd afgelost door de meer emotionele rococo. Er ontstond een eigen Eerste Weense School, geïnspireerd door de Mannheimer Schule, waarin G.M. Monn, Ch. Wagenseil, G. Reutter e.a. de toon aangaven, en die aan de elegante vorm van de galante stijl een gevoeliger inhoud gaf. De wereldlijke muziek verdrong de kerkmuziek. Juist Oostenrijk, waarin het hof en de adel niet door een zo diepe maatschappelijke kloof waren gescheiden als dit in o.m. Frankrijk het geval was, bleek de ideale grond voor de klassieke stijl, waarin de geest van het vroegere absolutisme en de nieuwe denkbeelden van het opkomende burgerlijke tijdperk een bijzonder harmonische en gave synthese vonden. Wenen begon belangrijke figuren aan te trekken naast de Italianen, die sindsdien in steeds toenemende mate naast inheemse musici moesten werken. Gluck begon zijn operahervorming in Wenen. Naast Praag moet nog Salzburg worden genoemd, waar met Leopold Mozart, Michael Haydn, Adlgasser e.a. aan de ontwikkeling van de klassieke stijl werd deelgenomen. Met het optreden van Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart bereikte het klassieke tijdperk in Oostenrijk zijn hoogtepunt en verschafte Wenen meteen een dominerende plaats in het Europese muziekleven. In de schaduw van deze meesters werkten ongeveer terzelfder tijd nog enkele kleinere componisten: Mozarts leerling Franz Xaver Süssmayr, die diens requiem voltooide, Anton Eberl en Antonio Salieri. De opkomst van het nationale element in de muziek wordt geaccentueerd door de bloei van het in de landstaal gezongen Singspiel, dat in Oostenrijk vooral door Karl Ditters von Dittersdorf, Umlauf e.a. vertegenwoordigd was en zijn officiële erkenning vond door de opening van het National-Singspiel in Wenen (1778), waarvoor Mozart zijn Entführung aus dem Serail schreef. Het Singspiel zou de ontwikkeling van zowel de romantische Duitse opera als de Weense operette beïnvloeden. Dicht bij het Singspiel staat de Weense muzikale klucht, waarin Hansworst de hoofdrol speelde. Componisten als Wenzel Müller ontplooiden op dit gebied een vruchtbare activiteit. De dansmuziek bleef eveneens een belangrijke factor in het muziekleven; de plechtstatige hofdansen maakten plaats voor beweeglijker vormen, het menuet ging langzamerhand in de richting van de Ländler. De Noord-Duitser Beethoven vestigde zich in Wenen, waar de muziekminnende aristocratie met eigen huisorkesten e.a. ensembles onderling wedijverde in het uitvoeren van in opdracht geschreven nieuwe werken. Met Beethoven bereikte de stijl van de Weense klassieken een nieuw hoogtepunt en tevens het punt waarop een nieuwe fase, de romantiek, begint. Wenen bleef door Beethovens optreden het geestelijk centrum van de Europese toonkunst, doordat diens werk nog tot ver in de 19de eeuw voorbeeld voor bijna alle grote figuren in de muziekgeschiedenis is geweest. In het oeuvre van de los van de aristocratie werkende Franz Schubert, de schepper en de grootmeester van het Duitse lied, is de eindfase van de klassieke stijl bereikt, wat het einde van de Oostenrijkse suprematie in de West-Europese muziek betekende. Alleen in technische zin was er nog vooruitgang: de orkesten werden groter en het spelpeil ging sterk omhoog; de virtuositeit won veld (pianopedagoog Czerny). In de eerste helft van de 19de eeuw valt de oprichting van het Weense conservatorium (1821) en van de wereldberoemd geworden Wiener Philharmoniker (1842). Ook de hofopera (nu staatsopera), die in 1869 het tegenwoordige gebouw betrok, ontwikkelde zich toen reeds tot een van de voornaamste opera-ensembles ter wereld.
Gedurende de tweede helft van de 19de eeuw voltrokken zich grote veranderingen in het Oostenrijkse muziekleven. De artistieke desintegratie ging aan de staatkundige ontbinding vooraf; de nationale scholen op Oostenrijks grondgebied wonnen aan invloed en betekenis, vooral in Bohemen (zie Tsjechische muziek). Ook Hongarije werd muzikaal zelfstandig (zie Hongaarse muziek). Daarbij werden aanvankelijk de banden met Wenen niet verbroken. Voor buitenlandse componisten werd Wenen opnieuw attractief. Brahms vestigde zich op den duur in Wenen. De stad werd strijdtoneel tussen de aanhangers van Brahms, die vnl. op de Weense klassieken voortbouwde, en de op Glucks opera-idealen steunende Richard Wagner. Een nieuw hoogtepunt beleefde Wenen eind 19de – begin 20ste eeuw in muzikaal opzicht door het optreden van drie in wezen totaal verschillende componisten van eigen bodem: Anton Bruckner, Gustav Mahler en Hugo Wolf. Tijdgenoten op het tweede plan als W. Kienzl en later J. Bittner, F. Schmidt, J. Marx, O. Siegl vertegenwoordigen een meer behoudende stijl. Een vreemde menging van naturalisme, mysticisme en impressionistische invloeden toont het werk van Fr. Schreker. Daarnaast bloeide in Wenen in de 19de eeuw nog een geheel ander muziekgenre, dat een even hoge vlucht nam als de Weense klassieke muziek en dat de naam Wenen vereeuwigde: de Weense wals. Deze, uit de typisch Oostenrijkse Ländler ontstane dansmuziekvorm, dankt zijn uiteindelijke volmaking, via Schubert, Lanner en Johann Strauss sr., aan de zoon van deze laatste, Johann Strauss jr. Hij ontketende in het keizerlijke Wenen met zijn 165 walsen een ware walsrage. Door de wals en de niet minder populaire polka ontving de Weense operette, waarvan Strauss jr. eveneens de representant bij uitstek was, vruchtbare impulsen. Andere, ook thans nog populaire operettecomponisten uit die periode zijn o.a. Franz von Suppé, Karl Zeller, Karl Millöcker en Richard Heuberger. De operettetraditie werd tot ver in de 20ste eeuw voortgezet door Oscar Straus, Leo Fall, Emmerich Kálmán en Robert Stolz.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |