Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nietzsche, Friedrich

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Nietzsche, Friedrich

Encyclopedieartikel
Multimedia
Friedrich NietzscheFriedrich Nietzsche

Nietzsche, Friedrich (Wilhelm) (Röcken, bij Lutzen, 15 okt. 1844 – Weimar 25 aug. 1900), Duits filosoof en dichter.

Nietzsche wordt wel de filosoof met de hamer genoemd. Niet omdat hij zo gewelddadig tekeer ging, zijn hamer was eerder een klein hamertje waarmee hij het bouwwerk van de filosofie beklopte en zo onderzocht waar er onjuistheden en onhoudbare stellingen voorkwamen. Bekende begrippen van Nietzsche zijn die van de Übermensch en de Untermensch. Nietzsche gebruikte deze termen niet zoals de nazi's dat later zouden gaan doen. De Untermensch is de moderne mens die ontaard is door zich aan de heersende cultuur, die Nietzsche beschrijft als decadent en nihilistisch, te onderwerpen. De Übermensch neemt echter zijn eigen leven ter hand en heeft de kracht om het leven te aanvaarden zoals het is. Dit laatste beschrijft Nietzsche met de term 'amor fati'; de mens moet in volle overtuiging 'ja' kunnen zeggen tegen het leven. Hiermee heeft ook Nietzsches idee van de 'eeuwige wederkeer' te maken. Wanneer je radicaal 'ja' zegt tegen het leven, betekent dat dat je bereid moet zijn dit specifieke leven, met al z'n vreugde en tragiek, nog vele malen te leven. Nietzsches schrijfstijl is tegelijk polemisch en poëtisch. Zijn boeken zijn goed leesbaar hoewel het vaak ook noodzakelijk is om iets van de geschiedenis van de filosofie te weten om hem goed te begrijpen.

Nietzsche was via beide ouders afkomstig uit een domineesgeslacht. Na de dood van zijn vader (1849), vestigde zijn moeder zich met haar gezin in Naumburg. Van 1864 tot 1865 studeerde hij in Bonn klassieke letteren (aanvankelijk ook theologie). In 1865 volgde hij zijn leermeester F.W. Ritschl naar Leipzig. In 1869 werd hij verrast met een professoraat in de klassieke filologie te Basel. Maar reeds in de loop van 1870 – toen hij vrijwillig hospitaalsoldaat in de Frans-Duitse Oorlog was – begon Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik (1872) te rijpen, waarmee hij in een schitterende en meeslepende stijl de dialectiek van de cultuurverschijnselen beschrijft. Evenals de Unzeitgemässe Betrachtungen (1873–1876) staat het werk in het teken van de pessimistische wilsmetafysica van Schopenhauer en van het, daarmee nauw samenhangend muziek-dramatisch werk van Wagner.

Zijn aanvankelijke vriendschap met Wagner en diens echtgenote werd overigens al spoedig gecompliceerd: in de als huldiging bedoelde Wagner in Bayreuth (1876) herkende de componist zich niet meer en terwijl deze met zijn Parzival zijn wending tot ascetische wereldverzaking in christelijke mystiek voltooide, voltrok zich bij Nietzsche met een bijna jaarlijks aangroeiende reeks aforismenbundels (een aforisme maakt geen deel uit van een denksysteem, maar is wel karakteristiek voor een bepaalde gedachtengang), zoals Menschliches Allzumenschliches (1878), de grote verwerkelijking van zijn oorspronkelijke idealen. Bij dit streven vond hij grote steun in de omgang met Paul Rée tussen 1876 en 1882.

In deze kritische periode verwachtte hij van de wetenschap de vrijmaking van de mens en herstel van de cultuur. Daartoe diende naast logische analyse vooral een genetische beschouwingswijze. Historisch en psychologisch speurde hij naar de bronnen van de cultuur, daar hij meende dat begrip van haar herkomst opheldering kan verschaffen omtrent haar waarde. Wanneer hij religieuze en morele idealen als maskers van zelfzucht, machtsdrift en ressentiment doorzag, verwierp hij deze. Des te dieper respect toonde hij voor zuiverheid van geest. Dit bleef ook het geval met de figuur van Jezus toen zijn beoordeling van het christendom steeds negatiever werd.

Intussen strookte Nietzsches onderwijsopdracht steeds minder met zijn belangstelling. Daarom liet hij zich – mede vanwege zijn slechte gezondheid – in 1879 ontslaan en begon hij op 34-jarige leeftijd na een komeetachtige carrière een leven als 'fugitivus errans'. In Sils-Maria (Oberengadin) maakte zich in aug. 1881 de gedachte van de 'eeuwige wederkeer' van hem meester, die tezamen met de 'Übermensch'-idee zijn eigen doctrine vormde. Met de eerste formulering van de principes van deze doctrine in enkele aforismen van de bundel Fröhliche Wissenschaft (1882) begon een nieuwe periode in zijn ontwikkeling.

Bij de diagnose van de moderne situatie als decadentie en nihilisme ( 'God is dood') blijft Nietzsche evenwel niet staan. Zij betekent slechts een doorgangsstadium tot de verkondiging van een nieuw levensideaal. De cultuurwaarden, ontdaan van hun ideële absoluutheid, worden in relatie gebracht tot het standpunt van de mens die ze poneert. Zij zijn gezichtspunten op de werkelijkheid en dienen als richtsnoer voor het handelen waarin de mens zichzelf verwerkelijkt. Nietzsche ziet de huidige morele conventie niet alleen als huichelachtig, maar als principieel funest voor de mens: het heersende morele gezichtspunt is dat van de zwakken (van de 'slaven', zoals het spoedig zal heten), die de gezonde gezichtspunten van de sterke meesters ( 'Herrenmoral') hebben vervalst en teruggedrongen, waardoor het leven ontaard is. Nietzsches 'perspectivistische' waardeleer ziet de mens als een zichzelf bepalend wezen en maakt hem daarmee pas echt vrij om zelfstandig zijn eigen waarden te scheppen. De beelden van de transcendentie, van het goddelijke, zijn dan niet meer dan spiegelingen van het elan van de zichzelf transcenderende mensheid: de godheid maakt als ideaal plaats voor de Übermensch, een idee dat, ondanks de duidelijke analogie tot de evolutiegedachte, geen aanleiding mag zijn het biologistisch mis te verstaan (door de Übermensch als een soort).

Zo vat Nietzsches denken post in de wereld van de ervaring. Zijn denken heeft een open oog voor het fundamenteel tragische karakter van deze werkelijkheid en ziet daar geen uitweg uit. Tevens wordt echter erkend hoe zij vreugde kan schenken. Uit deze totaal tegengestelde uitgangspunten zou de mens volgens Nietzsche een bevrijdende beaming van het levenslot ( 'amor fati') moeten bereiken. Want terwijl erkenning van een moment de erkenning van het geheel impliceert dat dit moment mogelijk maakt, is anderzijds enkel strijdbare overgave aan het overmachtig worden realistisch. Men heeft deel aan het geheel, is ermee identiek en in zoverre komt het Lot niet van 'buiten' over de mens. Is men op deze manier 'frei im liebevollsten Muss', dan heeft men het individualisme radicaal overwonnen. Wanneer men 'ja' heeft gezegd tegen het leven, is men bovendien rijp voor de idee van de 'eeuwige wederkeer'. Het sterk-zijn dat Nietzsche predikt, is niet louter vitaal gedacht, maar menselijk in de omvattende zin van het redelijk menszijn. Het wordt gekenmerkt door soberheid, tucht en de hoge deugd van het schenken, die echter wel onderscheiden moet worden van het, door hem verworpen, medelijden. Anderzijds is zulke 'grote gezondheid' niet volledig te vatten door het verstand en laat zich haar gedragslijn niet doctrinair fixeren: tegen elk huichelarij keert zich de erkenning van het steeds nieuwe leven.

Tot rijke ontplooiing kwam deze levensleer in Also sprach Zarathustra (1882–1885). Dit werk vormt samen met de bundel Jenseits von Gut und Böse (1886) en enige andere, meest kleinere geschriften van deze jaren – de polemische keerzijde van zijn doctrine – het hoogtepunt van Nietzsches publicaties. Hierin en vooral ook in de Genealogie der Moral (1887) werd zijn streven naar herijking van de waarden ( 'Umwertung') manifest en liep hij tevens reeds vooruit op haar fundering in een nieuwe, nu positieve wilsmetafysica, de leer omtrent de Wil tot de Macht (Der Wille zur Macht, 1906) als het wezen van de werkelijkheid. Dit werk kwam echter nooit tot stand. Want toen omvangrijk materiaal en verschillende schema's reeds bijeen waren, begon Nietzsche ernstige sporen van geestelijke ontwrichting te vertonen. Zijn eigenlijke taak bleef liggen en hij zette in koortsachtige haast een vijftal hyperagressieve pamfletten vol megalomanie en effectbejag op papier. Reeds begin 1889 werd daarop na een korte periode van ongekende euforie zijn geest in een aanval van razernij definitief verduisterd. Hij bevond zich in het eindstadium van een atypische, misschien postsyfilitische, paralyse.

Het is zaak bij de geschetste ontwikkelingsgang van Nietzsche zowel de onderscheidenheid van de fasen als de consequentheid van hun verband goed in het oog te houden. Diep getroffen door de spanning van de tegendelen in een gestadig wordende werkelijkheid, streeft hij er tot elke prijs naar deze momenten in zijn filosoferen te bewaren. Hierin is hij, evenals in zijn leer van de 'eeuwige wederkeer', welbewust een nazaat van Heraclitus.

Het assimilatieproces van Nietzsches gedachten verliep langzaam. Eigenlijk is de filosofie nog steeds bezig zich dit variabel en dubbelzinnig oeuvre toe te eigenen. Een mengeling van misverstand en misbruik heeft Nietzsche aanvankelijk tot een schutspatroon van de decadenten gemaakt; nihilisten van verschillend pluimage beriepen zich op hem, zo ook alles wat antidemocratisch was en vooral de Duitse nationalisten en racisten hebben welbewust Nietzsche bij hun propaganda betrokken en vervalst. Zijn invloed op het geestelijk leven van de 20ste eeuw is enorm geweest. Behalve Husserls fenomenologie en het neopositivisme is er geen 20ste-eeuws Duits filosoferen of het getuigt van zijn invloed.

Ook in de rest van Europa, vooral in de literatuur, maar toch ook in de moderne filosofie, heeft zijn denken grote invloed gehad. Dit geldt speciaal voor Frankrijk, aan welks cultuur Nietzsche zo onnoemelijk veel te danken heeft, dat men bij deze beïnvloeding in zekere zin van een kringloop kan spreken. In Nederland drukte Nietzsche vooral zijn stempel op de generatie die tussen de wereldoorlogen aan bod kwam, vertegenwoordigd door schrijvers als Marsman en Ter Braak. Na de dood van Nietzsche wijdde zijn zuster Elisabeth Förster-Nietzsche (1846–1935) zich aan de uitgave van het nagelaten werk en stichtte zij het Nietzsche-archief te Weimar. Haar werk blijkt vooral na de Nietzsche-uitgave van K. Schlechta zeer aanvechtbaar.

UITG: Hoofdwerken: in: Kröners Taschenausgabe (1930, m. comm. en register d. R. Oehler, 1943). – Nalatenschap: d. Fr. Würzbach, Das Vermächtnis Nietzsches (1940). – Gedichten: d. E. Förster-Nietzsche, Gedichte und Sprüche (1898 vv.). – Composities: d. Schweiz. Musikforsch. Gesellschaft, Der musikalische Nachlass (1977). – Verzamelde werken, corresp. en docum.: Musarion-Ausgabe (20 dln., 21910–1926; 23 dln., 1920–1929); Hist.-krit. Gesamt-Ausgabe d. Nietzsche-Archiv (berekend op 40 delen, 1934 vv.); E. Pfeiffer (red.), F. Nietzsche, Paul Rée und L. Salomé: Die Dokumente ihrer Begegnung (1970); Werke, d. K. Schlechta (71973); standaardeditie d. G. Colli en M. Montanari, Krit. Gesammtausgabe (1967 vv.) met Briefwechsel (1975 vv.).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum